Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/35
35 Instellen vordering misbruik van procesrecht
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS503969:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Wiel 2004, p. 134; Mon. BWA4 (Schrage) 2007, p. 69. Zie ook de uitvoerige conclusie van AG Huydecoper (met name sub 35) voor het hierna te bespreken arrest HR 29 juni 2007, NJ 2007/353.
Zie reeds EHRM 21 februari 1975, NJ 1975/462 m.nt. EAA (Golder/Verenigd Koninkrijk).
Zie onder meer EHRM 28 mei 1985, NJ 1991/62 m.nt. EAA (Ashingdane/Verenigd Koninkrijk).
Vgl. Van der Wiel 2004, p. 124.
HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 (Waterschappen/Milieutech).
In deze paragraaf komen de gevallen aan de orde waarin het instellen van een vordering in rechte misbruik van procesrecht vormt omdat de inhoud van de zaak dermate zwak is dat eiser beter had moeten weten. Onvoldoende voor het aannemen van misbruik van procesrecht is dat eiser zijn (rechts)positie verkeerd inschat en uiteindelijk aan het kortste eind trekt.1 Beslechting van de juridische en feitelijke discussie ten gunste van een van de (proces)partijen betekent niet dat de ander door het aangaan van het debat in rechte of door het voeren van verweer onrechtmatig heeft gehandeld. Dit wil echter niet zeggen dat elke vordering in principe getolereerd wordt, hoe evident onzinnig ook. De grens ligt ergens tussen de juridisch zwakke maar in rechte nog (enigszins) verdedigbare vordering en de vordering die zodanig is dat eiser in redelijkheid niet had mogen denken enige kans op toewijzing daarvan te hebben. In de laatste gevallen had eiser zich van het instellen van de vordering behoren te onthouden.
Het EVRM garandeert het recht op toegang tot de rechter. Dit recht is een zelfstandig recht dat in beginsel aan een ieder toekomt.2 Er mogen echter door het nationale recht beperkingen aan dit recht worden gesteld. Het nationale recht kan en mag een regulering en beperking van het recht op toegang tot de rechter inhouden. De verdragsstaten hebben in dit verband een zogenaamde ‘margin of appreciation’. Het recht op toegang mag echter nooit zomaar beperkt worden: de – uit het nationale recht voortvloeiende – beperkingen moeten een legitiem doel dienen en in een proportionele verhouding staan tot dat doel.3 De vraag rijst dan of een beperking aan het recht op toegang tot de rechter op grond van toepassing van het misbruikleerstuk zich verdraagt met deze verdragsrechtelijke uitgangspunten. Dat lijkt mij het geval.4 De terughoudendheid die de rechter aan de dag behoort te leggen bij de toepassing van het misbruikleerstuk brengt mijns inziens al voldoende waarborg mee dat niet snel van strijd met art. 6 lid 1 EVRM sprake zal zijn. De Hoge Raad heeft bovendien in een arrest uit 2007 nog eens beklemtoond dat die terughoudendheid essentieel is en dat het blokkeren van het recht op toegang tot de rechter wegens misbruik van procesrecht slechts in zeer uitzonderlijke situaties aan de orde kan zijn.5