Einde inhoudsopgave
Gedreven door een aspiratieve moraal (SteR nr. 61) 2023/2.2
2.2 Historie van de advocateneed: een introductie
E.W.J. van Dijk, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
E.W.J. van Dijk
- JCDI
JCDI:ADS717830:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals dat nog steeds het geval is. Zie voor een beschrijving van de huidige beëdigingsprocedure F.A.W. Bannier en N.A.M.E.C. Fanoy, Beroep: advocaat. In de ban van de balie, Deventer 2011, p. 60-63.
Vgl. W. Thomassen, ‘Tussen cliënt en samenleving’, Advocatenblad (2008), p. 744.
J.E. Soeharno, De waarde van de eed (oratie), Amsterdam 2013, p. 23.
Soeharno (2013), a.w., p. 25.
Zie over het onderscheid tussen de getuigeneed en de beroepseed N. Christopoulos, De advocateneed, Den Haag 1999, p. 10 en ook C.R. Andrews, ‘Ethical limits on civil litigation advocacy: a historical perspective’, Case Western Reserve Law Review (2012, Volume 63, No. 2), p. 388 en C.R. Andrews, ‘The lawyer's oath: both ancient and modern’, Georgetown Journal of Legal Ethics (2009, Volume 22, No. 1), p. 8. Andrews spreekt over het onderscheid tussen de “declaratory oath’ en de “promissory oath”. Over dit onderscheid ook: Soeharno (2013), a.w., p. 35 (noot 17).
B.H.D. Hermesdorf, Licht en schaduw in de advocatuur der lage landen, Leiden 1951, p. 58 (noot 3) en J.A. Brundage, ‘Legal Ethics and Professionalism in the Ius commune’, in: T. Dahlerup, P. Ingesman, New Approaches to the History of Late Medieval and Early Modern Europe, Viborg 2009, p. 236-237.
Hermesdorf, a.w., p. 59.
Codex Justinianus 2.58(59).1-2, J.E. Spruit, J.M.J. Chorus, L. de Ligt, Corpus Iuris Civilis VII, Tekst en vertaling, Amsterdam 2005, p. 479-484. Zie ook Andrews: “Roman advocates, for example, solemnly exhorted ‘to avoid artifice and circumlocution,’ to not use ‘injurious language or malicious declamations against his adversary,’ and not ‘to employ any trick to prolong the cause.’ Likewise, ancient Greek advocates reportedly swore to ‘represent the bare truth, without’ any ornament or figure of rhetoric, or insinuating means to win the favor or move the affection of the judges”. Andrews (2009), a.w., p. 8-9. Ook: Brundage (2009), a.w., p. 234.
J.A. Brundage, The medieval origins of the legal profession. Canonists, civilians, and courts, Chicago/London 2008, p. 28.
Vgl. Codex Justinianus 3.14.4, Spruit, Chorus, De Ligt, a.w, p. 496.
Zie over deze verwijzing in de Codex: Andrews, a.w., p. 389.
Zie de diverse eedsformules die terugslaan op de Codex: Brundage (2008), a.w., p. 296 e.v. en in het bijzonder p. 301 waar Brundage verwijst naar de Constitutio Properandum en noot 54 aldaar: “It is surely no coincidence that the opening clause of the canon is identical with the opening clause of Justinian's constitution of 530 on reform of the law courts (Cod. 3.1.13)”.
Brundage schrijft hierover: “Justinian’s requirement that advocates swear an oath de calumnia vitanda, however, failed to find a place in the legal systems of the early Middle Ages. Oath-taking was certainly common in early medieval church courts and civil tribunals, but as a form of proof, not as a warranty against frivolous actions”. Brundage (2009), a.w., p. 235. Ook: Brundage (2008), a.w., p. 46.
Andrews (2009), a.w., p. 6 en 9-10. Dat het om de calumnia-eed ging bevestigt Brundage: “Legal counselors (advocati, iurisperiti) and representatives (procuratores) by this time had to swear the oath de calumnia in contested cases at the point where issues were joined and the trial (litis contestatio), properly speaking, began”. Brundage (2009), a.w., p. 237 en ook Brundage (2008), a.w., p. 296.
Brundage schrijft: “By the end of the eleventh century and the beginning of the twelfth, litigants, together with their legal advisers and representatives, were regularly expected to swear that the case they put forward had merit, that it was grounded on credible evidence, and that it was neither malicious, improvident, nor frivolous”. Brundage (2009), a.w., p. 236.
“When professional lawyers began to reappear in the early thirteenth century”, schrijft Andrews, “the ecclesiastical courts revived the ancient practice of the advocate's oath”. C.R. Andrews, ‘Standards of conduct for lawyers: an 800-year evolution’, SMU Law Review (2004, Volume 57, No. 4), p. 1393. Brundage benadrukt de samenhang tussen de ontwikkeling van een beroepsethiek van canonieke advocaten en het ontstaan van een samenhangende professie. Brundage (2009), a.w., p. 231 en 236.
Andrews schrijft: “The English oaths prohibited litigation falsehoods and misconduct, and the French oaths added a broader ideal of ‘just’ causes”. Andrews (2009), a.w., p. 7 en ook p. 15.
Andrews concludeert: “In sum, the early French standards roughly paralleled the English standards, with the formal standards in France more prominently stating the just-cause duty. Truth and reasonable behavior were paramount duties from the very beginning of the profession in both cultures”. Andrews (2012), a.w., p. 401.
Hermesdorf, a.w., p. 10.
Hermesdorf, a.w., p. 11.
Brundage (2008), a.w., p. 183.
Het afleggen van de advocateneed is van oudsher een voorwaarde om toegelaten te worden tot de balie.1 Dat is voor de betrokken advocaat niet alleen een fraai ceremonieel gebeuren. De eed bezegelt, zoals Thomassen schrijft, de binding van de advocaat aan de rechtsorde.2 Met het zweren van de eed belooft een advocaat dat hij niet buiten de waarden van zijn beroepsgroep zal treden. De eed markeert de voorrang van deze waarden boven het eigen belang van de advocaat.3 Wie de eed schendt, zet niet alleen zijn eigen eer op het spel, maar ook de waarden van de praktijk waartoe de eed werd afgelegd.4 Deze eigenschappen maken de eed tot een interessant onderzoeksobject. Daarbij is het plezierig dat er naar verhouding veel materiaal over de geschiedenis van de eed beschikbaar is.
In onze tijd legt een advocaat eenmalig, bij de toetreding tot het beroep, de eed af. We spreken dan over een promissoire eed of beroepseed. Een promissoire eed gaat uit van een belofte gericht op de toekomst. Daarom wordt ze afgelegd bij de aanvaarding van een ambt. Daartegenover staat de assertoire eed. Deze is niet gericht op de toekomst, maar kijkt terug op de feiten die in het verleden hebben plaatsgehad en gaat daarom vooral over waarheidsvinding.5 In de middeleeuwen legden zowel de client als zijn advocaat bij het begin van een procedure een assertoire eed af.6 Daarbij verklaarde een advocaat dat de zaak zo was gelijk hij ze als pleitbezorger voorstelde.7 Deze zogenoemde calumnia-eed – ik bespreek deze eed in de volgende paragraaf – is al terug te vinden in de uit de laat Romeinse tijd daterende Codex Justinianus.8 Deze eed werd zowel door de advocaat als door zijn cliënt afgelegd.9 De Codex bevatte daarnaast ook een eedsverplichting met een meer promissoir karakter die advocaten eveneens voorafgaand aan een procedure moesten afleggen. Omdat veel middeleeuwse eedsformules zijn terug te voeren op deze eed, sta ik kort bij deze eed stil. Vertaald uit het Latijn staat over deze advocateneed het volgende in de Codex geschreven:
“Maar de advocaten die beide partijen hulp verschaffen en naar de rechter komen, moeten, wanneer het proces aanhangig is gemaakt (…) de eed afleggen, dat zij met al hun kracht en al hun vermogen ervoor zorgen om hetgeen zij voor juist en waar zullen houden ten gunste van hun cliënten aan te voeren en dat zij, voor zover hun dit mogelijk is, geen enkele inspanning terzake zullen nalaten. Wanneer zij echter hebben bevonden dat de hun toevertrouwde rechtszaak onfatsoenlijk of geheel en al hopeloos is en op leugenachtige beweringen berust, laten zij dan niet wel bewust en daarvan op de hoogte, met een slecht geweten hun rechtsbijstand verlenen; en laten zij ook, wanneer zij in de loop van de rechtsstrijd iets van dien aard te weten zijn gekomen, uit de rechtszaak terugtreden en zich van een dergelijke deelneming geheel en al afzijdig houden. En na dat dit is gebeurd, mag de versmade procespartij geen enkel verlof worden toegestaan om haar toevlucht te nemen tot de rechtsbijstand van een andere advocaat, om te voorkomen dat de betere advocaten worden geminacht en voor dezen een verdorven advocatuur in de plaats wordt gesteld.”10
Wat direct opvalt, is dat deze tekst advocaten de verplichting oplegt om op partijdige wijze de belangen van hun cliënten te behartigen. In latere eedsformules, zoals we in dit hoofdstuk nog zullen zien, komt een zo duidelijk op de partijdige rol van de advocaat gerichte formulering niet meer terug. Zoals we kunnen lezen, werd die partijdigheid weer begrensd doordat een advocaat werd voorgehouden geen zaken aan te nemen waarvan hij wist dat ze oneerlijk, volkomen kansloos of gebaseerd waren op valse beschuldigingen.11 We herkennen hierin de belofte uit de huidige eed dat een advocaat geen onrechtvaardige zaken zal aannemen of verdedigen. Dit onderdeel is in elke hierna te bespreken periode in de eed opgenomen. Wat ook opvalt, is dat een partij wiens advocaat van hem (gedwongen) afscheid had genomen, onder geen beding zijn heil mocht zoeken bij een andere advocaat. Voorkomen moest worden, zo lezen we, dat de betere advocaten geminacht zouden worden en voor deze een verdorven advocatuur in de plaats zou worden gesteld. Als de Codex spreekt over ‘betere’ advocaten, lezen we daarin dan niet een opdracht aan advocaten om boven het gemiddelde uit te stijgen? Het lijkt er in ieder geval op dat de Codex belang hechtte aan de morele kwaliteit van advocaten. We zullen zien dat dit ook het geval lijkt bij de hierna te bespreken middeleeuwse regelingen die in belangrijke mate op de Codex zijn gebaseerd.12
Ofschoon na het einde van het Romeinse rijk het beroep van advocaat voor een lange periode op de achtergrond raakte, bleef de eed een belangrijk onderdeel van juridische procedures, met dat verschil dat in de vroege middeleeuwen een eed slechts werd afgelegd door de betrokken partijen zelf en niet tevens ook door hun advocaat.13 Toen in de middeleeuwen het beroep van advocaat weer opkwam, kwam daarmee ook de calumnia-eed terug14 die bij iedere afzonderlijke procedure door een advocaat samen met zijn cliënt werd afgelegd.15 Dat gebeurde in de eerste plaats in de kerkelijke rechtbanken.16 Later volgden de wereldlijke rechtbanken. Een advocaat legde in die tijd bovendien een beroepseed af om toegelaten te worden tot het beroep van advocaat, die vervolgens ieder jaar opnieuw moest worden bevestigd.
De advocateneed uit verschillende Europese landen liet al vanaf de middeleeuwen een bepaalde uniformiteit of eenvormigheid zien. Zeker waren er ook verschillen waarneembaar. Zo bleven de eedsformules in het middeleeuwse Engeland nog lange tijd voornamelijk gericht op waarheidsvinding. Eedsformules uit dezelfde periode in Frankrijk waren er al meer op gericht dat een advocaat alleen een zaak mocht aannemen als vaststond dat de zaak naar haar aard niet onrechtvaardig was.17 Ondanks deze verschillen hadden gelijkenissen tussen de eedsformules van beide landen de overhand.18 Die eenvormigheid bleek ook in de lage landen het geval, nu verschillende landsheren voor de verschillende hoven steeds weer dezelfde advocateneed vaststelden die bovendien de signatuur droeg van wat ook in Frankrijk gedurende de middeleeuwen gebruikelijk was.19 De volgende observatie van Hermesdorf lijkt mij dan ook relevant:
“Hoe uiteenlopend immers de dagelijkse bezigheden van de rechtsgeleerde raadsman ook mogen zijn, de maatstaven van behoren en doelmatigheid, die men daarbij steeds aanlegde, lieten zich ten slotte tot enkele kerngedachten, gemeengoed geworden van de Europese balie, herleiden.”20
Of het nu kerngedachten zijn, zoals Hermesdorf ze noemt, of aan het beroep verbonden waarden, we zien dat ze niet van de een op de andere dag ontstaan. Ze zijn het product van een voortdurend proces van herbevestiging en verbetering. Altijd werd al een evenwicht gezocht tussen het belang van de cliënt (partijdigheid) en het belang van de rechtsorde (geen zaken aanbrengen zonder feitelijke grondslag).21 Het is dus zinvol te onderzoeken wat de geschiedenis van de advocateneed ons over deze en mogelijk ook andere waarden kan vertellen en of deze waarden inspireerden tot meer dan alleen het in acht nemen van beroepsregels.