Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.2.1.1.1
6.2.1.1.1 De stichting als (mede-)erfgenaam
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232212:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ 2043 BGB luidt: ‘(1) Soweit die Erbteile wegen der zu erwartenden Geburt eines Miterben noch unbestimmt sind, ist die Auseinandersetzung bis zur Hebung der Unbestimmtheit ausgeschlossen. (2) Das Gleiche gilt, soweit die Erbteile deshalb noch unbestimmt sind, weil die Entscheidung über einen Antrag auf Annahme als Kind, über die Aufhebung des Annahmeverhältnisses oder über die Anerkennung einer vom Erblasser errichteten Stiftung als rechtsfähig noch aussteht.’ (curs. TR).
Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 82.
MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 6. In gelijke zin Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, § 83 Rn 9.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, § 83 Rn 9.
Zie over het Teilungsplan ook B. Schols 2007, p. 418.
In dat geval is niet onzeker of de stichting vermogen zal verkrijgen, maar alleen nog of dat voldoende is om tot Anerkennung te komen.
Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 6 Rn 82.
Als twee of meer personen tot een nalatenschap zijn gerechtigd, ontstaat in Duitsland, net als in Nederland, van rechtswege een gemeenschap tussen de erfgenamen (§ 2032 BGB, Erbengemeinschaft). Als de bij dode opgerichte stichting mede-erfgenaam is, kan dat leiden tot een vicieuze cirkel. Enerzijds verhindert de wet de verdeling van de nalatenschap tot dat de Anerkennung van de stichting heeft plaatsgevonden (§ 2043 Abs. 2 BGB).1 Anderzijds vindt Anerkennung eerst plaats als de betreffende autoriteiten overtuigd zijn van de (financiële) levensvatbaarheid van de stichting. In Duitsland is men van mening dat dit pas goed kan worden beoordeeld na de verdeling van de nalatenschap. Pas na de verdeling kan de waarde van het erfdeel precies worden bepaald, voor die tijd wordt dat niet mogelijk geacht.2 In Duitsland wordt gestreden over de vraag hoe aan deze ‘Teufelskreis’ te ontsnappen. Hierbij zijn twee meningen te onderscheiden. De eerste is dat de verdeling ondanks § 2043 Abs. 2 BGB kan plaatsvinden voordat de Anerkennung een feit is. Hiervoor zou, volgens de ene mening, overeenkomstig § 1912 BGB een Nachlasspfleger kunnen worden benoemd, die dit mogelijk maakt. De andere mening is dat de Anerkennung al voor de verdeling zou moeten plaatsvinden. Volgens Reuter heeft de eerste visie de voorkeur. Deze visie gaat uit van het primaat van de Anerkennung die pas kan plaatsvinden na de verdeling.3 Een oplossing zou de erflater zelf kunnen bewerkstelligen door een Teilungsanordnung in zijn uiterste wil op te nemen.4 Hierbij bewerkstelligt de benoemde Testamentsvollstrecker de verdeling en stelt hij een Teilungsplan op, zodat de procedure van de Anerkennung kan worden doorlopen.5 Het primaat bij de Anerkennung past naar mijn mening bij de centrale rol van het vermogen van de stichting. Bij de Anerkennung draait nagenoeg alles om de vraag of de stichting op de lange termijn financieel levensvatbaar is (zie 2.3.2.5). Dit uitgangspunt geldt ook voor de bij dode opgerichte stichting. Als de erfrechtelijke verkrijging onvoldoende is om de financiële levensvatbaarheid op de lange termijn te garanderen, kan Annerkennung niet plaatsvinden. Vandaar dat ik van mening ben dat de belangrijkste vraag is of uit de nalatenschap voldoende middelen voor de stichting beschikbaar worden gesteld.
Als de stichting enig erfgenaam is, geldt veel van het vorenstaande niet.6 Als de nalatenschap groot genoeg is, volgt Anerkennung. Tot het moment waarop Anerkennung een feit is, kan een Nachlasspfleger worden benoemd.7