Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.5.1:10.5.1 Betrokkenheid van burgerbegrotingen bij het allocatieniveau van de raad
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.5.1
10.5.1 Betrokkenheid van burgerbegrotingen bij het allocatieniveau van de raad
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248505:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste manier om betrokkenheid van burgerbegrotingen te organiseren in het begrotingsproces, is door hen te laten adviseren vóór de vaststelling van de conceptbegroting. De mogelijkheid hiertoe is in feite al vastgelegd in het wettelijk kader. Nadat het college aan de raad de conceptbegroting en de overige in artikel 190 lid 1 Gemeentewet genoemde stukken heeft aangeboden, worden deze op grond van artikel 190 lid 2 Gemeentewet voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en verkrijgbaarstelling wordt ook openbaar kennisgegeven. De raad mag op grond van artikel 190 lid 3 Gemeentewet pas minimaal twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting beraadslagen. In die twee weken zou een burgerbegroting de tijd hebben om een of meerdere bijeenkomsten te organiseren over de inhoud van de conceptbegroting en aanbevelingen tot aanpassing daarvan te doen aan de raad. Het advies zou ook eerder in het begrotingsproces verstrekt kunnen worden aan het college wanneer dit orgaan bezig is met het opstellen van de conceptbegroting. Voor burgerbegrotingen is het dan wel nodig dat er een voldoende concreet document ligt waar men mee aan de slag kan. Bij deze manier van werken, moet men rekening houden met twee beperkingen. Allereerst is de potentiële invloed van burgerbegrotingen beperkt tot het niveau waarop de raad de begroting vaststelt, aangezien zij in deze opzet aan de slag gaan met de conceptbegroting. Zoals eerder uit de analyse van de allocatiefunctie bleek, is dat een niveau waarop middelen aan vrij algemene doelstellingen worden toegekend. In de regel strekt de toebedeling van middelen door de raad zich niet verder uit dan het niveau van de taakvelden en worden de concrete activiteiten en uitgaven pas door het college vormgegeven nadat de begroting is vastgesteld. Burgerbegrotingen die betrokken willen zijn bij de allocatie van middelen op een lager niveau dan waarop de raad de begroting vaststelt, hebben bij deze manier van werken dus het nakijken. Daarnaast zijn burgerbegrotingen in deze benadering aan dezelfde procedurele bepalingen gebonden als waaraan de raad en het college zich moeten houden.1 De belangrijkste daarvan is het vereiste van periodiciteit en het daaraan gekoppelde artikel 191 lid 2 Gemeentewet. Volgens dit artikel moet de vastgestelde begroting in ieder geval vóór 15 november voorafgaand aan het nieuwe begrotingsjaar worden toegestuurd aan gedeputeerde staten. Aangezien de begrotingsbehandeling pas echt goed van start kan gaan wanneer de resultaten van het voorgaande begrotingsjaar aan de hand van de jaarstukken besproken zijn, wat meestal vlak voor het zomerreces is, hebben burgerbegrotingen weinig tijd om op- of aanmerkingen bij de conceptbegroting te plaatsen. Het gebrek aan tijd is niet bevorderlijk voor een goed begrip van de begrotingssystematiek en goede onderbouwing van de eigen voorstellen.
De tweede manier om betrokkenheid van burgerbegrotingen te organiseren in het begrotingsproces, is door hen te laten adviseren ná de vaststelling van de begroting. De raad heeft op grond van artikel 192 Gemeentewet de bevoegdheid de begroting te wijzigen tot het einde van het desbetreffende begrotingsjaar. Dit zou de raad kunnen doen naar aanleiding van een advies van een burgerbegroting. Het voordeel van deze werkwijze is dat burgerbegrotingen meer tijd hebben om hun advies voor te bereiden dan bij de eerste werkwijze. Het nadeel is dat de werkwijze dieper ingrijpt in het begrotingsproces. In het geval dat de raad het advies overneemt, moet namelijk niet alleen de begroting zelf aangepast worden, maar ook de daarop gebaseerde uitvoeringsinformatie en de meerjarenraming van de drie op het begrotingsjaar volgende jaren.2 Ook ligt het in de lijn der verwachting dat lopende processen bij een wijziging verstoord worden, waardoor het moeilijker wordt de begroting doelmatig en doeltreffend uit te voeren. Daarnaast leiden grootschalige wijzigingen van de begroting lopende het begrotingsjaar tot onzekerheid, wat botst met het karakter van de begroting als instrument van planning en controle voor de gemeentelijke huishouding.3 Al met al moet deze werkwijze daarom als weinig aantrekkelijk worden beschouwd.