De kwalificatie van het onder 1 en 7 bewezenverklaarde luidt: “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.” De kwalificatie van het onder 2, 3, 5, 6, 8 en 9 bewezenverklaarde luidt: “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep.” De kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde luidt: “een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland” en “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.” Kennelijk is per abuis in de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten telkens na het zinsdeel “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen” het woord “verschaffen” weggevallen. Mijns inziens zou de Hoge Raad daarin aanleiding kunnen vinden het arrest in zoverre verbeterd te lezen.
HR, 17-03-2026, nr. 23/04842
ECLI:NL:HR:2026:422
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2026
- Zaaknummer
23/04842
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:422, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:4074
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:170
ECLI:NL:PHR:2026:170, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:422
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0098
Uitspraak 17‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit bewezenverklaarde feiten en uit andere strafbare feiten na veroordeling t.z.v. mensensmokkel van vluchtelingen door in uitoefening van beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland, art. 36e.2 Sr. 1. In eerste aanleg is niet vastgesteld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan. 2. Motivering schatting w.v.v. Kon hof oordelen dat “voldoende aanwijzingen” bestaan dat betrokkene naast bewezenverklaarde feiten “andere strafbare feiten” a.b.i. art. 36e.2 Sr heeft begaan? Ad 1. In strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak is betrokkene veroordeeld voor mensensmokkel van vluchtelingen door in uitoefening van beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. In deze ontnemingszaak heeft OM vordering gedaan tot ontneming van voordeel dat zou zijn verkregen door middel van feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld en door middel van andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr. In e.a. heeft Rb geoordeeld dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan vordering ten grondslag gelegde “andere strafbare feiten” heeft Rb overwogen dat zij “niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus (ook) van w.v.v.”. In hoger beroep heeft hof geoordeeld dat betrokkene door middel van bewezenverklaarde feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt klacht niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs overwegingen kan worden afgeleid dat hof met “andere strafbare feiten” oog heeft gehad op mensensmokkel van vreemdelingen met wie betrokkene eveneens contracten heeft getekend, maar die niet worden genoemd in bewezenverklaring. Uit overwegingen blijkt verder dat hof in art. 36e.2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” heeft aangenomen op de grond dat modus operandi van asielaanvragen van die vreemdelingen overeenkomt met modus operandi van asielaanvragen van vreemdelingen die wel worden genoemd in bewezenverklaarde strafbare feiten en met wie betrokkene eveneens contracten had getekend. Hof heeft bestaan van “voldoende aanwijzingen” dus niet (enkel) aangenomen o.g.v. omstandigheid dat vreemdelingen geldbedragen hebben betaald aan betrokkene, zodat klacht berust op verkeerde lezing van ’s hofs uitspraak en feitelijke grondslag mist. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04841 (strafzaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04842 P
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2023, nummer 20-001457-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft begaan.
2.2
In de strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, mensensmokkel van vluchtelingen door in de uitoefening van een beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie een vordering gedaan tot ontneming van voordeel dat zou zijn verkregen door middel van de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld en door middel van andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Over de aan de vordering ten grondslag gelegde ‘andere strafbare feiten’ heeft de rechtbank overwogen dat zij “niet kan vaststellen dat sprake is van strafbare feiten in die gevallen en dus (ook) van wederrechtelijk verkregen voordeel”. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene door middel van de bewezenverklaarde feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2.3
De klacht leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.7.
2.4
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/04841, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Conclusie 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. W.v.v. uit mensensmokkel van 15 vluchtelingen. Falende klachten over i) oordeel hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat betr. ook andere dan de bewezen verklaarde feiten heeft begaan, ii) oordelen hof dat niet ondenkbaar is dat niet van alle contante betalingen kwitanties zijn opgesteld en dat geen aanleiding is om aan te nemen dat betr. zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden, en iii) afwijzing door hof van verzoek tot aanhouding van de zaak en completering van stukken. A-G gaat in op toepasselijkheid van Jaddoe-jurisprudentie op ontnemingsprocedure. Concl. strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Samenhang met 23/04841
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04842 P
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 december 2023 (parketnummer 20-001457-20) de betrokkene – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 215.059,00 aan de Staat. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 3 jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04841. Dat is de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 12 december 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel faalt.
2. De strafzaak (23/04841)
2.1
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de betrokkene voor – kort gezegd – de mensensmokkel van 15 vluchtelingen1.veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof de betrokkene voor de duur van 10 jaren het recht ontzet om het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingrechtelijke domein uit te oefenen. Ten slotte heeft het hof de teruggave gelast aan de betrokkene en de rechthebbende van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
3. Het middel
3.1
In het middel wordt met de eerste en de tweede deelklacht opgekomen tegen (de motivering van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Met de derde deelklacht wordt opgekomen tegen de afwijzing door het hof van het verzoek tot voeging van stukken.
3.2
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Wettelijke grondslag
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
Schatting van de hoogte van het verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 7 december 2023 (parketnummer 20-001456-20) veroordeeld ter zake van – kort gezegd – mensensmokkel door aan een 15-tal vreemdelingen asielverhalen te verkopen.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van de te zijnen laste onder de feiten 1 tot en met 9 bewezen verklaarde feiten, alsmede uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat hij in alle gevallen, dus ten aanzien van de bewezen verklaarde vreemdelingen alsmede de overige vreemdelingen waar de betrokkene een contract mee heeft afgesloten, betaald kreeg uit een mix van contante betalingen en girale betalingen.
Wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van feiten zoals bewezenverklaard bij arrest van heden
Uit de bewezenverklaringen van de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde feiten in de strafzaak blijkt het navolgende.
De betrokkene heeft langere tijd een juridisch advieskantoor gehad waarbij hij tegen betaling (deels) fictieve verhalen aan vreemdelingen heeft verkocht waardoor zij een asielstatus konden verkrijgen. Daartoe heeft de betrokkene met de vreemdelingen contracten afgesloten en heeft hij zoals overwogen in het strafarrest vreemdelingen geïnstrueerd, fictieve verhalen laten instuderen en geoefend of laten oefenen over de door de vreemdeling te geven antwoorden. Het hof zal per bewezenverklaard feit bepalen of de betrokkene uit deze bewezen verklaarde feiten voordeel heeft genoten.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (feit 1) .
Op 2 oktober 2017 heeft [betrokkene 1] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 7.000,- [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. Uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 2 oktober 2017 en 6 oktober 2017 volgt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in ieder geval tweemaal een bedrag aan de betrokkene hebben betaald van € 4.000,- en € 2.000,-.
De betrokkene heeft verklaard dat hij met de [familie betrokkene 1] een contract had afgesloten voor € 7.000,- en dat ze een deel van de kosten contant hebben betaald.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat niet verondersteld kan worden dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald. Girale betalingen laten altijd een spoor na, maar contante betalingen niet. Het is niet ondenkbaar dat van niet alle contante betalingen door de betrokkene trouw kwitanties zijn opgesteld. Evenmin is er aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 7.000,-.
[betrokkene 3] (feit 2)
Op 18 oktober 2017 heeft [betrokkene 3] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- [betrokkene 3] zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [getuige] , moeder van [betrokkene 3] , heeft verklaard dat zij aan de betrokkene een bedrag van € 4.000,- heeft betaald voor zijn hulp. Dat dit bedrag betaald is volgt naar het hof genoegzaam uit het dossier. Zo volgt uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 18 oktober 2017 en 31 oktober 2017 dat [betrokkene 3] in ieder geval tweemaal een bedrag aan de betrokkene heeft betaald van € 800,- en € 2.000,-. Tevens heeft [betrokkene 4] uit naam van [betrokkene 3] op 20 oktober 2017 een bedrag van € 1.000,- en op 23 oktober 2017 een bedrag van € 200,- op de rekening van de betrokkene gestort. [betrokkene 4] heeft voorts ook verklaard dat hij dit heeft overgemaakt voor de zoon van [getuige] .
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen, hetgeen is te herleiden uit de aangetroffen kwitanties alsmede de bankafschriften.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 4.000,-.
[betrokkene 5] (feit 3)
Op 2 oktober 2017 heeft [betrokkene 5] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- [betrokkene 5] zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. Uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 2 oktober 2017 volgt dat [betrokkene 5] in ieder geval een bedrag aan de betrokkene heeft betaald van € 1.500,-. Verder blijkt uit de rekeningafschriften van de betrokkene dat op naam van ‘ [betrokkene 5] ’ en ‘ [betrokkene 6] ’ door [betrokkene 7] , [betrokkene 8] op 6 oktober 2017 een bedrag van € 2.000,-, op 13 oktober 2017 een bedrag van € 500,- en op 30 oktober 2017 een bedrag van € 200,- op de zijn (betrokkenes) rekening zijn gestort.
Getuige [betrokkene 8] heeft daarover verklaard dat hij deze bedragen op de rekening van de betrokkene heeft overgemaakt voor zijn nicht [betrokkene 5] .
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de betrokkene meer dan het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen, en wel € 4.200,-. In het voordeel van betrokkene gaat het hof uit van het bedrag zoals in het contract is afgesproken.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 4.000,-.
[betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] (feil 4)
Op 1 november 2017 hebben [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 9.000,- de familie zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. Uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 1 november 2017 volgt dat de [familie betrokkene 12] in ieder geval een bedrag van € 8.000,- aan de betrokkene heeft betaald.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat niet de volledige inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 9.000,-.
[betrokkene 13] (feit 5)
Uit het dossier volgt dat [betrokkene 13] met de betrokkene een contract heeft gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- [betrokkene 13] zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. Nu het slechts een digitaal bestand is volgt daaruit niet dat [betrokkene 13] deze heeft getekend. Uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 1 maart 2017 volgt dat de [betrokkene 13] in ieder geval een bedrag aan de betrokkene heeft betaald van € 2.500,-. Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat [betrokkene 13] wel degelijk het contract heeft getekend nu ze contant de eerste betalingstermijn heeft voldaan.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 4.000,-.
[betrokkene 14] (feit 6)
Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij geen contract heeft afgesloten met [betrokkene 14] . maar dat hij met haar een uurtarief van € 100.- per uur heeft afgesproken. Uit het rekeningafschrift van de bank van de betrokkene volgt dat [betrokkene 15] voor [betrokkene 14] op 27 december 2017 een bedrag van € 200,- heeft overgeschreven.
Nu er geen contract aanwezig is voor [betrokkene 14] gaat het hof uit van het aan de betrokkene overgemaakte geldbedrag. Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 200,-.
[betrokkene 16] , [betrokkene 17] en [betrokkene 18] (feit 7)
Op 24 juli 2017 heeft [betrokkene 16] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 9.000,- [betrokkene 16] , [betrokkene 17] en [betrokkene 18] zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. Uit de in het kantoor van de betrokkene aangetroffen kwitanties van 24 juli 2017 volgt dat de [betrokkene 16] in ieder geval een bedrag van € 6.000,- heeft betaald aan de betrokkene.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 9.000,-.
[betrokkene 19] (feit 8)
Op 10 oktober 2017 heeft [betrokkene 19] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- [betrokkene 19] zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. Op 14 september en 22 oktober 2015 is door [betrokkene 124] een bedrag van € 300,- overgemaakt onder de noemer ‘ [betrokkene 19] ’ en ‘ [betrokkene 19] '. Op 26 oktober 2015 is door [A] een bedrag van € 200,- overgemaakt op naam van ‘ [betrokkene 20] ’.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 3.500,-.
[betrokkene 21] (feit 9)
Op 5 juli 2015 heeft [betrokkene 21] met de betrokkene een contract gesloten waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 2.000,- [betrokkene 21] zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 21] contant heeft betaald.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de betrokkene het volledige bedrag uit het contract heeft ontvangen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit dit contract middels kwitanties zijn teruggevonden, maakt niet dat dan niet het gehele contract ten uitvoer is gelegd en betaald. Temeer niet nu de verdachte zelf heeft verklaard dat [betrokkene 21] contant heeft betaald.
Het hof gaat er dan ook van uit dat het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene in deze zaak geschat kan worden op € 2.000,-.
Tussenconclusie wederrechtelijk verkregen voordeel uit bewezen verklaarde feiten
Gelet op het vorenstaande schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de reeds bewezen verklaarde feiten op een bedrag van € 42.700,-.
Wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten
Tijdens de doorzoeking van het bedrijf van de betrokkene, genaamd [B] , werden er 98 contracten met (financiële) afspraken aangetroffen tussen verschillende personen en de betrokkene. Van de personen genoemd in de contracten is het IND-dossier opgevraagd. Van 15 van de personen is niet duidelijk geworden waar en of zij daadwerkelijk asiel hebben aangevraagd waardoor zij niet in de berekening van het hof zullen worden meegenomen.
Voorts zijn er van 7 van de in [de] contracten genoemde personen geen dossiers ontvangen van de IND waardoor het hof ook deze niet zal meenemen in de berekening.
Het hof is van oordeel dat de betrokkene ten aanzien van alle hieronder genoemde personen zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld. Van alle hieronder genoemde vreemdelingen is in het dossier te herleiden dat zij met de betrokkene een contract hebben afgesloten en dat zij een asielaanvraag hebben ingediend bij de IND. Van een aantal van de vreemdelingen is daarbij een girale betaling terug te vinden op de rekening van de betrokkene. Nu de betrokkene in hoger beroep heeft verklaard dat ook in deze zaken er een betalingsmix was van girale en contante betalingen, is het hof van oordeel dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan kan worden van de bedragen zoals genoemd [in] de contracten. Daar komt bij dat het hof is gebleken dat de teruggevonden administratie van de betrokkene niet altijd correspondeert met de door de betrokkene afgelegde verklaringen.
Het hof is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich op eenzelfde wijze heeft bevoordeeld als bij de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten gelet op de modus operandi van de asielaanvragen. Zo is het merendeel van de vreemdelingen met een visum binnengekomen en is er sprake van een christendom case of een lesbische/homoseksuele case waarbij er in alle gevallen tijdens hun verblijf in Nederland ‘ineens’ iets gebeurde waardoor ze niet meer terug naar Iran konden/wilden/durfden te gaan. Tevens wordt er in de asielverhalen veelvuldig gesproken over de onrust in Iran bij de verkiezingen in 2009, een ziek familielid waardoor de vreemdeling zich tot Jezus wendt waarna de vreemdeling een droom krijgt en het familielid plotseling weer beter is alsmede dat als favoriet verhaal uit de Bijbel steeds het verhaal van de ‘verloren zoon’ of de ‘steniging van Maria Magdalena’ wordt genoemd. Daar komt bij dat in een groot deel van de zaken al vóór de bij de IND doorgegeven aankomstdatum in Nederland een contract met de betrokkene is afgesloten dan wel dat het contract kort na de aankomstdatum in Nederland is afgesloten.
[betrokkene 22]
Tussen [betrokkene 22] en de betrokkene is op 16 januari 2018 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 22] heeft als aankomstdatum in Nederland 4 maart 2018 opgegeven. Voorts heeft ze bij de IND verklaard dat zij zich heeft bekeerd tot het christendom en dat zij toen zij in Nederland was een sms kreeg van haar nicht waarin stond dat zij niet moest terugkomen en moest proberen te vluchten.
[betrokkene 23]
Tussen [betrokkene 23] en de betrokkene is op 27 december 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 23] heeft als aankomstdatum in Nederland 24 december 2017 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij zich heeft bekeerd tot het christendom en dat hij toen hij in Nederland was door zijn voorganger werd gebeld met de mededeling dat twee kerkbezoekers waren gearresteerd. De voorganger heeft hem bevolen om zich schuil te houden. Verder heeft hij verklaard dat zijn zoon ziek werd en dat de artsen de hoop hadden opgegeven. Op dat moment heeft hij zich gericht tot Jezus waarna hij over Jezus heeft gedroomd en de volgende ochtend was zijn zoon ineens genezen. [betrokkene 23] heeft verklaard dat hij niet terug naar Iran kan omdat de Iraanse autoriteiten naar hem op zoek zijn.
[betrokkene 24]
Tussen [betrokkene 24] en de betrokkene is op 1 december 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 24] heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu niet meer gelovig is, zij is lesbisch. Ze is naar Nederland gekomen met een studentenvisum.
[betrokkene 25]
Tussen [betrokkene 25] en de betrokkene is op 10 november 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 25] heeft als datum van aankomst in Nederland 5 november 2017 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar sinds 2014 atheïst is. [betrokkene 25] is als toerist naar Nederland gekomen. Tussen 22 en 28 november 2017 kwam hij erachter dat zijn vriend in Iran was opgepakt. Op 11 december 2017 zijn leden van de nationale veiligheidsdienst zijn huis binnengevallen. De autoriteiten hebben zijn spullen meegenomen en zijn vader is opgepakt en meegenomen voor verhoor.
[betrokkene 26]
Tussen [betrokkene 26] en de betrokkene is op 1 november 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 26] heeft als aankomstdatum in Nederland 27 oktober 2017 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar nu geen geloof meer heeft. [betrokkene 26] is homoseksueel. Toen hij in Nederland was is hij zijn vriend in Iran kwijtgeraakt. In Nederland heeft hij geleerd om tegen zijn familie te zeggen wie hij is en hoe hij is. Daarna heeft hij besloten om niet meer terug te keren naar Iran omdat hij vreest voor zijn familie en de Iraanse autoriteiten.
[betrokkene 27] en [betrokkene 28]
Tussen [betrokkene 27] , [betrokkene 28] en de betrokkene is op 27 oktober 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 6.000,- [betrokkene 27] en [betrokkene 28] zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 28] heeft als aankomstdatum in Nederland 26 oktober 2017 opgegeven. Zij heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu geen geloof meer heeft. Ze was niet van plan om in Nederland te blijven maar vanwege de gebeurtenissen die zijn voorgevallen in Iran kon ze niet meer terug naar Iran. [betrokkene 28] kreeg 3 dagen na aankomst in Nederland bericht dat een aantal mensen, christenen, was opgepakt. Een kleine twee weken daarna kreeg ze te horen dat er een inval was geweest in haar huis en dat spullen waren meegenomen. [betrokkene 27] heeft bij de IND verklaard dat hij is geboren als moslim en sinds 21 mei 2016 christen is. In de periode dat hij in Nederland was heeft er een aantal gebeurtenissen plaatsgevonden waardoor hij zich gedwongen voelde om zich te melden. Op 29 oktober 2017 werd hij gebeld met de mededeling dat de voorganger van de huiskerk was gearresteerd en op 7 november 2017 werd hij gebeld met de mededeling dat de inlichtingendienst zijn huis had doorzocht. Op 21 november 2017 werd hij gebeld door zijn vader met het bericht dat zijn vader door de inlichtingendienst was gebeld met de mededeling dat hij naar het bureau moest komen.
[betrokkene 29]
Tussen [betrokkene 29] en de betrokkene is op 5 oktober 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 29] heeft als aankomstdatum in Nederland 5 oktober 2017 opgegeven. Zij heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu geen geloof meer heeft. [betrokkene 29] heeft asiel aangevraagd omdat haar zwager op haar laptop achter haar geloofsovertuiging is gekomen en haar leven nu in gevaar is. De protestdemonstratie in 2009 heeft haar laten twijfelen aan haar geloof.
[betrokkene 30]
Tussen [betrokkene 30] en de betrokkene is op 27 september 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 30] heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar nu niet religieus is. Tijdens het verblijf van [betrokkene 30] in Nederland heeft hij begrepen dat de autoriteiten op de hoogte waren gekomen van zijn activiteiten en dat ze daarom zijn vader op het matje hebben geroepen. Een maand nadat hij naar Nederland kwam is zijn neef gearresteerd. Verder is de woning door de autoriteiten doorzocht en zijn er spullen in beslaggenomen. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 30] op 28 september 2017 een bedrag van € 2.000,- en op 25 oktober 2017 eveneens een bedrag van € 2.000,- op de rekening is gestort. Derhalve is het volledige contract giraal betaald.
[betrokkene 31]
Tussen [betrokkene 31] en de betrokkene is op 23 augustus 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 31] heeft als aankomstdatum in Nederland 21 augustus 2017 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar sinds 2015 bekeerd is tot het christendom. Zo heeft hij in mei/juni 2015 een droom gehad en na deze droom geloofde hij in Jezus. Toen hij in Nederland was, heeft hij het een en ander meegemaakt waardoor hij was genoodzaakt om asiel aan te vragen. Twee of drie dagen nadat hij in Nederland was gekomen, hoorde hij dat de voorganger van zijn huiskerk in Iran was opgepakt. Op 7 september 2017 vertelde zijn vrouw dat de veiligheidsdienst een inval heeft gedaan in de woning waarbij ze spullen hebben meegenomen.
[betrokkene 32]
Tussen [betrokkene 32] en de betrokkene is op 22 augustus 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 32] heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu niet religieus is. [betrokkene 32] is met een studentenvisum naar Nederland gekomen. Door een boek dat ze aan haar nicht heeft gegeven, zijn voor haar de problemen ontstaan waarna ze niet meer kon terugkeren.
[betrokkene 33]
Tussen [betrokkene 33] en de betrokkene is op 16 augustus 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 33] heeft als aankomstdatum in Nederland 13 augustus 2017 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar sinds 2013 is bekeerd tot het christendom. In 2013 heeft ze een droom gehad waarbij ze Jezus helemaal heeft gevoeld, toen is ze ook in haar hart tot het geloof gekomen. Ze is met een visum naar Nederland gekomen. Op 23 augustus 2017 nam de voorganger van de kerk contact met haar op. Hij vertelde dat drie leden van de kerk zijn gearresteerd en dat ze met niemand contact op mocht nemen. Door de arrestatie van deze mensen is de inlichtingendienst achter haar bekering en haar activiteiten gekomen. Op 6 september 2017 hebben de autoriteiten een inval gedaan bij haar thuis waarbij diverse spullen zijn meegenomen. Voorts is haar man meegenomen voor verhoor.
[betrokkene 34] , [betrokkene 35] en [betrokkene 36]
Tussen [betrokkene 34] , [betrokkene 35] , [betrokkene 36] en de betrokkene is op 7 augustus 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 6.000,- de familie zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 34] heeft bij de IND verklaard dat ze niet naar Nederland is gereisd om hier asiel aan te vragen. Door het probleem dat ze kreeg vanwege het niet gelovig zijn en de activiteiten die ze daarvoor deed, wordt ze gezien als afvallige. Na de grote demonstratie in 2009 heeft [betrokkene 34] zich verdiept in de islam. Op 18 september 2017 belde haar echtgenoot op en vertelde hij dat er agenten van de inlichtingendienst een inval hadden gedaan waarbij ze het huis hadden doorzocht en spullen hadden meegenomen. Haar man was ook meegenomen voor verhoor. Haar man heeft haar verzocht om niet meer terug te komen. [betrokkene 35] heeft verklaard dat hij geen religie heeft. Toen ze in Nederland waren kregen ze te horen dat ze niet meer terug konden keren. Ook [betrokkene 36] heeft verklaard overeenkomstig zijn moeder en broer. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 35] op 2 augustus 2017 een bedrag van € 100,- op de rekening is gestort.43 Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 37]
Tussen [betrokkene 37] en de betrokkene is op 4 augustus 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 37] heeft als aankomstdatum in Nederland 23 augustus 2017 aangegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar nu niet religieus is. Hij is illegaal met een vrachtwagen vanuit Griekenland Nederland in gereisd. In Nederland kreeg hij te horen dat er een politie-inval is geweest bij zijn reisagent en dat zijn paspoort was verscheurd en verbrand. In een nader verhoor heeft [betrokkene 37] verklaard dat hij homoseksueel is.
[betrokkene 38] en [betrokkene 39]
Tussen [betrokkene 38] , [betrokkene 39] en de betrokkene is op 28 juli 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 38] heeft bij de IND verklaard dat hij zich in 2015 afkeerde van de islam. Hij is niet naar Nederland gereisd om hier te blijven. Op 10 augustus 2017 werd hij gebeld door zijn zoon met de mededeling dat er vier mensen, agenten van de inlichtingendienst, bij hem thuis zijn geweest. Voorts is de huiskerk van de vrouw van [betrokkene 38] bekend geworden en zijn er acht leden van de huiskerk gearresteerd. Tijdens de verhoren van deze leden is ook de naam van zijn vrouw genoemd. Zijn vrouw is op 6 september 2015 gedoopt. Een maand daarvoor had zij een droom gehad. In het gehoor bij de IND noemt [betrokkene 38] het verhaal van de twee broers, het verhaal van de herder wiens schapen verloren waren. [betrokkene 39] heeft verklaard dat ze is bekeerd tot het christendom. Voor het overige heeft ze verklaard overeenkomstig haar man. Ook hierbij heeft ze het verhaal verteld van de vader die twee zonen heeft, het verhaal van de verloren zoon.
[betrokkene 40]
Tussen [betrokkene 40] en de betrokkene is op 7 juli 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 40] heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu niet religieus is. Tijdens het verblijf van [betrokkene 40] in Nederland is zij erachter gekomen dat de autoriteiten wisten van haar activiteiten in Iran. Op 18 juli liet haar moeder weten dat er een inval geweest is in haar huis en ze daar spullen hebben meegenomen. Verder is haar vader meegenomen naar de inlichtingendienst. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 41] op 10 juli 2017 een bedrag van € 2.500,- onder de noemer ‘ [betrokkene 40] ’ en op 15 augustus 2017 onder de noemer ‘ [betrokkene 40] ’ een bedrag van € 1.500,- op de rekening is gestort. Derhalve is het volledige contract giraal betaald.
[betrokkene 42]
Tussen [betrokkene 42] en de betrokkene is op 13 juli 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 42] heeft als aankomstdatum in Nederland 6 juli 2017 opgegeven. Zij heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar dat ze sinds 2009/2010 geen geloof meer heeft. De gebeurtenissen in 2009 in verband met de presidentsverkiezingen waren doorslaggevend voor haar afkeer van de islam. Toen ze in Nederland was, is ze erachter gekomen dat de Iraanse autoriteiten achter het bestaan van haar groep zijn gekomen en dat ze haar wilden arresteren en verhoren.
[betrokkene 43]
Tussen [betrokkene 43] en de betrokkene is op 12 juli 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus naar aanleiding van een hernieuwde aanvraag.
[betrokkene 44]
Tussen [betrokkene 44] en de betrokkene is op 12 juni 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 44] heeft bij de IND verklaard dat ze sinds haar 18e geen geloof meer heeft. Ze is met een visum rechtstreeks vanuit Iran naar Nederland gevlogen. Ze is lesbisch en dat is de hoofdreden dat ze haar land heeft verlaten. In Nederland is ze uit de kast gekomen waarna haar vader haar heeft gebeld en heeft gezegd dat hij haar zou afmaken als ze terugkwam.
[betrokkene 45] en [betrokkene 46]
Tussen [betrokkene 45] , [betrokkene 46] en de betrokkene is op 31 mei 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 7.000,- hen zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 45] heeft als aankomstdatum in Nederland 25 mei 2017 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij protestants is. Toen hij in Nederland was vonden er gebeurtenissen plaats in Iran waardoor hij zeker wist dat hij niet terug kon gaan. De eerste keer dat hij hoorde dat een terugkeer gevaarlijk was, was op 3 juni 2017. Die dag had hij een telefoongesprek met zijn moeder en zij vertelde dat overal het gerucht ging dat hij afvallig was, zijn schoonzoon had hem verraden. Op 15 juni heeft zijn broer contact opgenomen en hij vertelde dat vier agenten een inval hebben gedaan in zijn bedrijf en daar goederen hebben meegenomen. Zijn favoriete verhaal uit het Nieuwe Testament is het verhaal over de verloren zoon. [betrokkene 46] heeft bij de IND verklaard dat zij als moslim is geboren maar dat zij in 2013 afstand heeft genomen van de islam. Op het moment van de aanvraag is ze zich nog aan het verdiepen in het christendom. Haar man heeft in 2016 een droom gehad waarna hij van harte is bekeerd. Doordat haar man problemen kreeg met haar schoonzoon was het niet meer mogelijk om naar Iran terug te keren. Op 15 juli 2017 is er een inval geweest.
[betrokkene 47]
Tussen [betrokkene 47] en de betrokkene is op 30 mei 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 47] heeft bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar nu protestants is. Op 16 april 2017 heeft ze Jezus in haar droom gehad en op 25 juni 2017 is ze gedoopt. Haar favoriete Bijbelverhaal is het verhaal van de verloren zoon.
[betrokkene 48]
Tussen [betrokkene 48] en de betrokkene is op 31 mei 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 2.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus na een hernieuwde aanvraag. [betrokkene 48] heeft in 2010 bij de IND verklaard dat zij geboren is als moslim, maar sinds kort is bekeerd tot het christendom. In het gehoor van 27 maart 2019 heeft zij verklaard dat ze in 2011 tot het christendom is bekeerd. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 49] op 11 augustus 2017 een bedrag van € 500,- op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 50]
Tussen [betrokkene 50] en de betrokkene is op 8 mei 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 50] heeft als aankomstdatum in Nederland 5 mei 2017 opgegeven. Zij heeft bij de IND verklaard dat zij is geboren als moslim maar sinds 2011 geen geloof meer heeft. Vanaf 2009 heeft ze afstand genomen van de islam. [betrokkene 50] is naar Nederland gekomen voor een A2 taalcursus maar toen zij in Nederland was kwam er bewijs voor haar anti-islamitische activiteiten, waardoor zij niet meer terug kon keren naar Iran. De inlichtingendienst is naar haar huis gegaan en is ook op het werk langsgekomen.
[betrokkene 51] en [betrokkene 52]
Tussen [betrokkene 51] , [betrokkene 52] en de betrokkene is op 7 april 2017 een contract getekend, waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 51] heeft bij de IND verklaard dat hij is geboren als moslim, maar in 2015 is bekeerd tot het christendom. Ze zijn als toerist naar Nederland gekomen, maar in die periode is er contact met hen opgenomen dat de huiskerk was verraden en dat medegelovigen waren opgepakt. Twee dagen voor 25 mei 2017 hoorden ze voorts dat er een inval was geweest bij hen thuis en dat een dag ervoor agenten bij zijn vaders huis zijn geweest. In 2015 werd de dochter van [betrokkene 51] opgenomen op de urgentieafdeling en werd zij niet meer beter. Zijn vrouw heeft toen een droom gehad. Ze heeft Jezus in haar droom gezien. De volgende dag bleek het goed te gaan met de dochter. Het favoriete Bijbelverhaal van [betrokkene 51] is het verhaal over de verloren zoon. [betrokkene 52] heeft bij de IND verklaard dat ze is geboren als moslim, maar in 2015 is bekeerd tot het christendom. Twee dagen voor het vertrek wisten ze zeker dat hun leven in Iran gevaar liep. Op 26 april 2017 hoorden ze het nieuws dat twee vrienden waren opgepakt en twee dagen voordat ze uit Nederland zouden vertrekken kregen ze het nieuws dat ze verraden waren en dat er een inval was geweest in het huis. Ze heeft een droom meegemaakt waarna haar dochter is genezen.
[betrokkene 53] , [betrokkene 54] en [betrokkene 55]
Tussen [betrokkene 53] , [betrokkene 54] , [betrokkene 55] en de betrokkene is op 4 april 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 53] heeft bij de IND verklaard dat ze is geboren als moslim, maar in 2012 is bekeerd tot het christendom. In 2012 heeft ze een droom gehad waarna haar geloof qua gevoelens helemaal compleet was. Haar favoriete Bijbelverhaal is het verhaal van de vrouw die overspel had gepleegd en die gestenigd moest worden. Ze was op vakantie in Nederland, maar vanwege problemen met betrekking tot haar bekering kan ze niet terugkeren naar Iran. Toen ze in Nederland was is een en ander gebeurd. Bij haar thuis hebben de autoriteiten spullen meegenomen. Op 12 april 2017 belde de voorganger van de kerk en vertelde hij dat een man van hun huiskerk spoorloos was en later kregen ze te horen dat deze man was opgepakt. Op 3 juni 2017 belde haar schoonmoeder met de mededeling dat agenten een inval in haar huis hadden gedaan en dat er spullen waren meegenomen. [betrokkene 54] heeft bij de IND verklaard dat hij is geboren als. moslim, maar dat hij in 2012 is bekeerd tot het christendom. Hij heeft overeenkomstig het verhaal van [betrokkene 53] verklaard.
[betrokkene 56]
Tussen [betrokkene 56] en de betrokkene is op 17 februari 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 56] heeft bij de IND verklaard dat ze geen geloof heeft. Ze is Nederland in gereisd met een visum. Sinds ze in Nederland is, zijn er drie dingen gebeurd. Ten eerste is het huis van [betrokkene 57] , de vriend van haar man, beschoten, daarnaast is er een aanklacht tegen haar ingediend wegens een buitenechtelijke relatie. Tot slot is er ook de dagvaarding. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 58] op 21 februari 2017 een bedrag van € 3.000,- onder de noemer ‘voor de zaak [betrokkene 59] ’ op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 60]
Tussen [betrokkene 60] en de betrokkene is op 30 oktober 2017 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 60] heeft bij de IND verklaard [dat] ze is geboren als moslim maar nu geen religie heeft. Ze wist niet dat ze in Nederland zou blijven en niet meer zou terugkeren naar Iran. Een maand na de datum van haar echtscheiding kwam ze naar Nederland voor de bruiloft van haar zus, maar vanwege problemen met de familie heeft ze besloten om niet terug te gaan. Ze vraagt asiel aan vanwege haar seksuele geaardheid nu haar familie hiervan op de hoogte is geraakt. In Nederland is ze naar een club voor lesbiennes gegaan. Hierbij heeft ze verklaard dat haar is geadviseerd om te vertellen dat ze daar is geweest. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door mr. Rezamand CJ onder de noemers ‘ [betrokkene 60] ’ en ‘ [betrokkene 60] ’ op 1 november 2017 een bedrag van € 1.000,- en op 15 januari 2018 een bedrag van € 2.000,- op de rekening is gestort. Derhalve is het gehele contract giraal betaald.
[betrokkene 61] en [betrokkene 62]
Tussen [betrokkene 61] , [betrokkene 62] en de betrokkene is op 9 december 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 61] heeft als aankomstdatum in Nederland 8 december 2016 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij christen is en met een visum Nederland is in gereisd. Ze waren niet van plan om asiel aan te vragen. In 2009 was hij een van de personen die in opstand kwam. Toen hij in Nederland aankwam zijn er dingen in Iran gebeurd waardoor hij niet terug kon gaan naar zijn eigen land. Toen hij in Nederland was, is het feit dat hij bekeerd was bekend geworden bij een oom van hem. Drie dagen daarna hebben agenten van de islamitische regering bij hem thuis een inval gedaan. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 63] op 12 december 2016 onder de noemer ‘Dit is het restantbedrag van het contract tussen [betrokkene 64] en [betrokkene 65] en [betrokkene 66] ’ een bedrag van € 1.000,- op de rekening is gestort. De noemer van de overschrijving impliceert dat het gehele contract is voldaan en dat een deel van het contract giraal is betaald.
[betrokkene 67]
Tussen [betrokkene 67] en de betrokkene is op 15 november 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 67] heeft bij de IND verklaard dat hij niet religieus is. De belangrijkste reden voor zijn asielaanvraag heeft te maken met zijn persoonlijke geloof en zijn persoonlijke leefwijze als homoseksueel. In Iran is hij al meerdere keren opgepakt vanwege zijn geaardheid. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 67] op 15 november 2016 een bedrag van € 2.000,-, op 7 december 2016 een bedrag van € 1.000,- en op 16 december 2016 een bedrag van € 500,- op de rekening is gestort. Derhalve is het grootste deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 68]
Tussen [betrokkene 68] en de betrokkene is op 6 oktober 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 2.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus, [betrokkene 68] heeft bij de 1ND verklaard dat hij is geboren als moslim maar nu is bekeerd tot het christendom. Hij kon geen Nederlands visum krijgen, daarom heeft hij een Grieks visum aangevraagd. Hij is in Nederland gedoopt. Toen hij naar Nederland kwam was hij niet van plan om hier te blijven. Hij kwam erachter dat hij problemen had gekregen in Iran. Hij kreeg van zijn moeder te horen dat ‘ze’ aan de deur waren geweest voor hem.72 Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 69] op 6 oktober 2016 onder de noemer 'contract nummer 5204003 8 [betrokkene 68] ’ een bedrag van € 1.500,- en op 5 oktober 2017 onder de noemer deelbetaling contract [betrokkene 68] met [betrokkene 70] ' een bedrag van € 500,- op de rekening is gestort.73 Derhalve is het contract bijna volledig giraal betaald.- [betrokkene 71] Tussen [betrokkene 71] en de betrokkene is op 28 oktober 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- [betrokkene 71] zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 71] heeft als aankomstdatum in Nederland 23 oktober 2016 opgegeven. In 2009 begon hij te twijfelen aan de islam. In maart 2016 heeft hij gedroomd waarna hij gedoopt wilde worden. In zijn droom heeft hij Jezus gezien. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij is geboren als moslim, maar nu is bekeerd tot het christendom. Toen hij in Nederland was, bleek hem dat de autoriteiten van zijn land erachter waren gekomen dat hij is bekeerd. Op 16 november 2016 is de inlichtingendienst bij hem thuis geweest en hebben ze spullen in beslag genomen en zijn vrouw meegenomen voor verhoor.
[betrokkene 72]
Tussen [betrokkene 72] en de betrokkene is op 18 oktober 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 72] heeft als aankomstdatum in Nederland 13 oktober 2016 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard [dat] ze geen religie heeft. Toen ze uit Iran vertrok was het niet haar bedoeling om hier te blijven, maar door veranderende omstandigheden moet ze nu blijven. Toen ze in Nederland was, bleek haar dat de autoriteiten achter haar anti-islamitische activiteiten zijn gekomen. Op 26 november 2016 is haar man meegenomen en hebben de autoriteiten haar huis doorzocht en hebben ze spullen meegenomen.
[betrokkene 73] en [betrokkene 74]
Tussen [betrokkene 73] , [betrokkene 74] en de betrokkene is op 11 oktober 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 73] heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar in 2016 is bekeerd tot het christendom. Hij heeft een droom gehad waarin Jezus verscheen. In Nederland bleek hem dat het Iraanse regime achter zijn activiteiten en de activiteiten van zijn vrouw is gekomen. In 2009 tijdens de presidentsverkiezingen heeft hij afstand gedaan van de islam. Medio mei 2016 zijn hij en zijn vrouw gedoopt. Zijn zus belde hem met de mededeling dat drie mannen van de Ettelaat (de veiligheidsdienst) waren langsgekomen en een huiszoeking hadden gedaan en daarbij hebben ze een aantal spullen meegenomen. [betrokkene 74] heeft bij de IND verklaard dat ze is geboren als moslim en sinds 2016 is bekeerd tot het christendom. Ze is als toerist naar Nederland gekomen, maar in Nederland ontstond er een probleem waardoor ze niet meer terug konden keren naar Iran. Ze kregen op 13 oktober 2016 bericht waardoor ze hebben besloten om niet terug te keren naar Iran. Ze hoorden namelijk dat de veiligheidsdienst naar hen op zoek was met de bedoeling om hen te arresteren. Het verhaal uit de Bijbel dat haar aansprak was het verhaal over de overspelige vrouw die gestenigd moest worden.
[betrokkene 75]
Tussen [betrokkene 75] en de betrokkene is op 13 juli 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 75] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is. Ze was niet van plan om in Nederland te blijven en asiel aan te vragen. Op een gegeven moment is de schoonfamilie achter haar bekering gekomen en daarom heeft de overheid in de tweede helft van juli 2016 haar moeder voor ondervraging meegenomen. Ze is in Nederland tot haar geloof gekomen.
[betrokkene 76]
Tussen [betrokkene 76] en de betrokkene is op 6 juli 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 2.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 76] heeft bij de IND verklaard dat hij illegaal naar Nederland is gekomen. Hij is in 2010 christen geworden. In het gehoor van de opvolgende aanvraag op 16 september 2016 verklaart [betrokkene 76] over een droom die hij heeft gehad.
[betrokkene 77] en [betrokkene 78]
Tussen [betrokkene 77] , [betrokkene 78] en de betrokkene is op 28 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 77] heeft als aankomstdatum in Nederland 27 maart 2016 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij christen is. Sinds 2009 had hij zijn twijfels over de islam. In 2012 werd de dochter van zijn zus ziek en toen hebben hij en zijn vrouw Jezus gevraagd het kind te helpen, daarna kregen ze te horen dat het kind was geholpen. Ze hebben iemand anders gevraagd om een Schengenvisum te regelen. Een maand na hun vertrek heeft de Ettelaat contact opgenomen met de zus van zijn vrouw. Zij werd ondervraagd over [betrokkene 77] en zijn vrouw. [betrokkene 78] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is. Toen ze ongeveer een maand in Nederland waren, werd haar tweelingzus opgeroepen of meegenomen naar de inlichtingendienst voor een aantal vragen. Vanaf dat moment heeft ze begrepen dat de overheid achter hun geloof is gekomen. In het gehoor heeft [betrokkene 78] het over het verhaal van de verloren zoon.
[betrokkene 79] en [betrokkene 80]
Tussen [betrokkene 79] , [betrokkene 80] en de betrokkene is op 25 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 8.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 79] heeft bij de IND verklaard dat hij momenteel geen geloof heeft. Ze zijn van Turkije naar Griekenland gereisd en vandaar naar Nederland. In 2015 is er een inval gedaan door de Ettelaat in het huis van zijn zus en daar hebben ze allerlei spullen meegenomen. Zijn vader is meegenomen en ondervraagd. [betrokkene 79] heeft in 2009 meegedaan aan de demonstraties. [betrokkene 80] heeft bij de IND verklaard dat hij twijfelt aan de islam en nog aan het uitzoeken is welke godsdienst bij hem past. Ze zijn via Turkije, Griekenland, Macedonië, Servië, Kroatië, Slovenië, Oostenrijk en Duitsland naar Nederland gereisd. Toen hij in Nederland aankwam was hij nog geen christen. Wegens activiteiten van zijn echtgenote is er een inval gedaan bij hem thuis en zijn er spullen meegenomen. [betrokkene 80] is op 27 maart 2016 gedoopt. Hij heeft een droom gehad waarin hij werd aangesproken door een man met een kruis in zijn hand. Toen hij wakker werd heeft hij geconcludeerd dat hij echt in Jezus gelooft. Zijn favoriete verhaal is het verhaal over de overspelige vrouw, Maria Magdalena, die gestenigd moest worden.
[betrokkene 81]
Tussen [betrokkene 81] en de betrokkene is op 22 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 81] heeft als aankomstdatum in Nederland 13 augustus 2016 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat ze niet gelovig is. Ze is met behulp van een Duits visum ingereisd. In een later gehoor verklaart [betrokkene 81] dat ze christen is en dat ze in Nederland is bekeerd. Een week voor haar vertrek moest ze noodgedwongen onderduiken. Haar vader en zus zijn meegenomen voor verhoor, dat was twee dagen na de inval.
[betrokkene 82]
Tussen [betrokkene 82] en de betrokkene is op 11 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 82] heeft als aankomstdatum in Nederland 29 april 2016 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat zij christen is geworden. Ze heeft een droom gehad over Jezus die zei dat haar moeder zou genezen en drie dagen later was haar moeder genezen. In Iran kwam ze erachter dat de broer van haar man de inlichtingendienst had gebeld. De volgende dag is ze op zoek gegaan naar iemand die haar illegaal het land uit kon smokkelen.
[betrokkene 83]
Tussen [betrokkene 83] en de betrokkene is op 11 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 83] heeft als aankomstdatum in Nederland 5 mei 2016 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat zij christen is geworden. Op 13 april 2016 is er een inval bij haar thuis geweest, ze hebben haar niet kunnen vinden omdat zij naar het noorden van Iran was gereisd, maar ze hebben wel haar moeder meegenomen. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 84] onder de noemer ‘ [betrokkene 83] ’ op 16 maart 2016 een bedrag van € 3.400,- en op 14 juli 2017 een bedrag van € 500,- op de rekening is gestort. Derhalve is een groot deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 85] en [betrokkene 86]
Tussen [betrokkene 85] , [betrokkene 86] en de betrokkene is op 2 maart 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 85] heeft als aankomstdatum in Nederland 28 februari 2016 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij als gewone burger aanwezig is geweest bij de demonstraties in 2009. Hij is in 2015 gedoopt. Zijn vrouw heeft een droom gehad waarin ze door Jezus zijn gekozen. Tijdens zijn verblijf in Nederland is hem gebleken dat de autoriteiten achter de bekering zijn gekomen. Ze waren van plan om hem op te pakken, te mishandelen en te martelen. Op 15 maart 2016 werden zijn familie en die van zijn vrouw door de Ettelaat opgeroepen en ondervraagd. Het verhaal wat [betrokkene 85] belangrijk vindt is het verhaal van de man die twee zonen had, de verloren zoon. [betrokkene 86] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is en heeft verder overeenkomstig haar man verklaard.
[betrokkene 87] en [betrokkene 88]
Tussen [betrokkene 87] , [betrokkene 88] en de betrokkene is op 18 februari 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 87] heeft als aankomstdatum in Nederland 23 februari 2016 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij illegaal naar Nederland is gereisd. Zijn problemen begonnen sinds de presidentverkiezingen van 2009. Dit zorgde ervoor dat hij twijfels kreeg over de islam. Op 15 november 2015 kreeg hij een telefoontje dat zijn vrienden waren opgepakt en dat hij voorzichtig moest zijn. Twee dagen later hoorde hij dat er een inval bij hem thuis is geweest en om die reden heeft hij Iran verlaten. In het tweede gehoor heeft [betrokkene 87] verklaard dat hij christen is. [betrokkene 88] heeft bij de IND verklaard dat ze geen religie heeft. Ze heeft Iran verlaten omdat haar man achtervolgd werd door de autoriteiten. Sinds 2009 is haar kijk op de islam totaal veranderd. Verder heeft zij overeenkomstig haar man verklaard.
[betrokkene 89] en [betrokkene 90]
Tussen [betrokkene 89] , [betrokkene 90] en de betrokkene is op 6 januari 2016 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 89] heeft als aankomstdatum in Nederland 2 januari 2016 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij christen is. Hij heeft deelgenomen aan de algemene protestactie van 2009. Dit was het punt waarop hij twijfelde aan de islam. Hij en zijn vrouw hebben op 12 juni 2014 een droom gehad waarna ze allebei geloofden in Jezus. Zijn favoriete Bijbelverhaal is het verhaal van de verloren zoon. Toen hij eenmaal in Nederland was, heeft hij begrepen dat de overheid erachter is gekomen dat hij van religie is veranderd. Ze waren in Nederland toen ze gebeld werden met de mededeling dat de agenten van de inlichtingendienst een inval hebben gedaan en daar spullen hebben meegenomen, dit was op 20 januari 2016. [betrokkene 90] heeft verklaard dat ze christen is en dat ze tijdens de reis naar Nederland erachter kwamen dat de Iraanse autoriteiten erachter zijn gekomen dat ze bekeerd zijn. Sinds 2009 heeft ze haar rug gekeerd naar de islam. Haar droom en de genezing van haar moeder deden haar besluiten om in Jezus te geloven. Haar favoriete Bijbelverhalen zijn het verhaal over de steniging van Maria Magdalena en het verhaal over de verloren zoon. Haar zus nam op 20 januari 2016 contact op met de mededeling dat er een inval was geweest.
[betrokkene 91] en [betrokkene 92]
Tussen [betrokkene 91] en [betrokkene 92] en de betrokkene is op 14 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 91] heeft bij de IND.verklaard dat hij christen is. Ze zijn niet gevlucht maar er heeft zich een probleem voorgedaan waardoor ze niet terug konden. Ze hoorden dat de autoriteiten een inval hebben gedaan in de huiskerk. Twee weken na aankomst in Nederland werd er een oproep van de politie bij zijn winkel in Iran bezorgd waarop stond dat ze zich moesten melden. Een week later kwam een oproep van de rechtbank. Een wonder heeft hem doen geloven in God. Op een zekere nacht heeft hij gedroomd en daarna is hij tot de conclusie gekomen dat hij gedoopt wilde worden. [betrokkene 92] heeft bij de IND verklaard dat ze in Iran is bekeerd tot het christendom. Zeven dagen nadat ze in Nederland was, heeft ze gehoord dat er een brief van politie was afgegeven. Haar schoonvader heeft haar geadviseerd om niet terug te komen.
[betrokkene 93]
Tussen [betrokkene 93] en de betrokkene is een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 93] heeft bij de IND verklaard dat hij geboren is als moslim, maar bekeerd is tot het christendom. Toen de huiskerk was verraden, was hij genoodzaakt het land te verlaten.
[betrokkene 94]
Tussen [betrokkene 94] en de betrokkene is op 29 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 94] heeft bij de IND verklaard dat hij christen is. Hij heeft verklaard dat hij een droom heeft gehad waarin Jezus zei dat zijn moeder zou genezen. Hierna bleek zijn moeder genezen te zijn. De inlichtingendienst heeft een inval gedaan in de woning waar een aantal spullen is meegenomen.
[betrokkene 95] en [betrokkene 96]
Tussen [betrokkene 95] , [betrokkene 96] en de betrokkene is op 11 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 7.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 35] heeft bij de IND verklaard dat hij christen is en dat ze via veel andere landen naar Nederland zijn gereisd. Op 24 april 2016 zijn hij en zijn vrouw gedoopt. In 2009 begonnen bij hem de twijfels te ontstaan omtrent de islam. Tijdens het gehoor benoemt [betrokkene 35] het verhaal van de verloren zoon. Zijn vrouw is door een wonder genezen. [betrokkene 96] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is. Ze heeft in 2009 deelgenomen aan de demonstraties en toen kreeg ze een ander beeld van de islam. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 97] onder de noemer ‘ [betrokkene 95] ’ op 18 november 2015 een bedrag van € 3.000,- op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 98]
Tussen [betrokkene 98] en de betrokkene is op 22 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 98] heeft bij de IND verklaard dat hij in 2014 is gedoopt. De autoriteiten zijn achter zijn activiteiten gekomen, waardoor hij het land heeft moeten verlaten. Hij heeft een droom gehad over Jezus die zei dat zijn moeder gered zou worden. Daarna had de dokter goed nieuws over zijn moeder. Het verhaal van de verloren zoon spreekt hem het meeste aan.
[betrokkene 99]
Tussen [betrokkene 99] en de betrokkene is op 22 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 99] heeft als aankomstdatum in Nederland 21 december 2015 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij christen is en te voet de grens is overgestoken. Hij is in februari 2015 gedoopt. In Iran is er op 11 november 2015 een inval gedaan waarbij zijn paspoort is meegenomen. In Iran loopt hij het gevaar om te worden aangehouden. In 2009 heeft hij deelgenomen aan de demonstraties waarna hij twijfels kreeg over de islam. Hij heeft een droom gekregen waarin een lichtgevend/stralend persoon naar hem toekwam. Op die avond heeft hij besloten om een praktiserende christen te zijn. In het gehoor noemt [betrokkene 99] ook het verhaal over de rijke man met zijn twee zonen, de verloren zoon.
[betrokkene 100] en [betrokkene 101]
Tussen [betrokkene 100] , [betrokkene 101] en de betrokkene is op 2 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 100] heeft als datum van aankomst in Nederland 8 januari 2016 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat zij met een vrachtwagen naar Nederland is gekomen en dat zij christen is geworden. Op 10 november 2015 kreeg ze een telefoontje dat er een inval was geweest in de huiskerk waarbij iemand was aangehouden. Daarna is er op 11 november 2015 een inval in haar huis geweest. Ze heeft deelgenomen aan de demonstraties en in 2015 heeft ze een wonder gezien. [betrokkene 101] heeft bij de IND verklaard dat hij en zijn moeder illegaal naar Nederland zijn gereisd nadat ze door de voorganger waren gewaarschuwd. Op 4 april 2015 werd hij gelovig nadat een lid van de huiskerk na een gebed van de voorganger ineens was genezen. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 102] op 2 november 2016 onder de noemer ‘afrekening Iran [betrokkene 26] ’ een bedrag van € 1.000,- op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 103]
Tussen [betrokkene 103] en de betrokkene is op 20 november 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 103] heeft bij de IND verklaard dat hij op 12 juni 2016 in Nederland is gedoopt. Toen hij in Nederland was, is hij te weten gekomen dat zijn hoofdkantoor is verraden en dat men zijn spullen heeft meegenomen. In Nederland heeft hij gebeden voor de genezing van zijn vader en vijf of zes dagen later is zijn vader uit het ziekenhuis ontslagen.
[betrokkene 104]
Tussen [betrokkene 104] en de betrokkene is op 19 november 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 104] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is. In 2009 is voor haar duidelijk geworden dat het hoogtepunt van geweld de Iraanse islamitische republiek is. Tijdens een kerkdienst is ze geraakt door Jezus en heeft ze contact gekregen met God. Op dat moment voelde ze zich een christen. Op 8 november kreeg ze te horen dat er voor haar problemen waren ontstaan in Iran. Ze had doorgekregen dat ze in gevaar was. Via haar moeder heeft ze te horen gekregen dat indien ze terug zou keren naar Iran ze vervolgd zou gaan worden. Twee dagen na dit telefoontje zijn er veiligheidsagenten bij haar aan de deur gekomen en 10 dagen later op 20 november 2015 zijn ze teruggekomen. Uit het overzicht van de bankrekening van de, betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 104] op 3 december 2015 onder de noemer ‘for consulting invoicement’ een bedrag van € 200,- en op 6 april 2016 een bedrag van € 200,- op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 105]
Tussen [betrokkene 105] en de betrokkene is op 18 december 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 105] heeft bij de IND verklaard dat ze niet de intentie [had] om asiel aan te vragen, maar toen bleek dat ze gevaar liep. Ze is bekeerd tot het christendom. Een week na aankomst in Nederland heeft haar moeder gebeld en verteld dat de agenten van de inlichtingendienst het huis zijn binnengevallen en haar moeder hebben ondervraagd.
[betrokkene 106]
Tussen [betrokkene 106] en de betrokkene is op 3 november 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 106] heeft als aankomstdatum in Nederland 24 november 2015 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij christen is. In 2009 heeft hij deelgenomen aan de demonstraties in verband met de verkiezingen. Naar aanleiding van wat hij zag is hij gaan twijfelen aan de islam. Zijn moeder had een klier in haar borst wat kanker bleek te zijn. Tijdens de Bijbelstudie heeft hij de aanwezigen gevraagd om te bidden voor zijn moeder. Diezelfde avond droomde hij over Jezus die zei dat hij zich niet ongerust moest maken over zijn moeder. Een aantal dagen later zei de arts dat zijn moeder geen kanker had. De directe reden om het land te verlaten was dat de autoriteiten achter zijn bekering waren gekomen doordat een tante zijn naam heeft moeten noemen. Het favoriete Bijbelverhaal van [betrokkene 106] is het verhaal van de verloren zoon.
[betrokkene 107]
Tussen [betrokkene 107] en de betrokkene is op 5 oktober 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 107] heeft bij de IND verklaard dat ze christen is. Ze is met een vrachtwagen Nederland binnengekomen. Ze is gevlucht uit Iran omdat ze van geloof is veranderd. Ze dacht dat het herstel van haar vader te maken had met de gebeden die de voorganger had gedaan. Op 31 maart 2016 is haar familie op de hoogte geraakt van haar bekering. Op 2 april 2016 waren overheidsagenten bij haar thuis om haar mee te nemen. In haar afwezigheid werd het huis doorzocht en is haar paspoort meegenomen.
[betrokkene 108]
Tussen [betrokkene 108] en de betrokkene is op 22 september 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 108] heeft bij de IND verklaard dat ze naar Nederland is gereisd met een visum. Vanaf 1 november 2015 is ze officieel christen en is ze gedoopt. Ze werd echt gelovig na een droom die ze heeft gehad. Het verhaal over de verloren zoon vind ze het mooiste en leerzaamste verhaal.
[betrokkene 109]
Tussen [betrokkene 109] en de betrokkene is op 9 juni 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 109] heeft als aankomstdatum 29 september 2015 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat ze is geboren als moslim maar sinds 5 jaar is bekeerd tot het christendom. Toen haar zus een knobbeltje in de borst had heeft ze Jezus om een wonder gevraagd. Ze heeft daarna een droom of visioen gehad waarbij ze een stem hoorde die zei dat ze was gered en verlost. Daarna kreeg ze te horen dat haar zus in orde was. Dat is het moment waarop ze bekeerd is. Ze is met een vrachtwagen naar Nederland gekomen. Ze hoorde op 11 augustus 2015 van haar zus dat er een inval in haar huis was. Bij de inval zijn er diverse goederen in beslag genomen.
[betrokkene 110]
Tussen [betrokkene 110] en de betrokkene is op 3 september 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 110] heeft als aankomstdatum in Nederland 24 oktober 2015 opgegeven. Hij heeft bij de IND verklaard dat hij is geboren als moslim maar sinds 2 jaar christen is. Vanaf de demonstraties in 2009 heeft hij zijn twijfels over de islam. Hij ziet zichzelf als christen vanaf 26 december 2013. Dat is nadat zijn moeder is genezen. Hij heeft de voorganger gevraagd om voor haar te bidden en twee weken later kreeg [betrokkene 110] een bijzondere droom waarin gezegd werd dat zijn moeder beter zou worden. Een week daarna bleek de tumor in de borst niet kwaadaardig te zijn. Zijn favoriete verhaal is het verhaal over de verloren zoon. Hij is met een vrachtwagen naar Nederland gekomen. Op 23 september 2015 is er een inval geweest in zijn woning waarbij zijn paspoort is meegenomen.
[betrokkene 111]
Tussen [betrokkene 111] en de betrokkene is op 17 augustus 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus middels een hernieuwde aanvraag. [betrokkene 111] heeft bij haar eerste gehoor in 2013 bij de IND verklaard dat een reisagent tegen betaling haar reis en visum heeft geregeld. Ze heeft een e-mail ontvangen over de ontdekking van haar huiskerk door de politie. Bij de hernieuwde aanvraag heeft ze verklaard dat zij het land heeft verlaten omdat ze is bekeerd tot het christendom. Enkele dagen voor haar vertrek heeft zij een e-mail gekregen waarin stond dat de inlichtingendienst de namen had van de leden van haar huiskerk. Twee weken na haar vertrek zijn de autoriteiten naar haar huis gegaan. Haar onderzoek naar de islam is begonnen na de presidentverkiezingen in 2009. In 2013 is haar zus ziek geworden, ze had een kankertumor in haar borst. Op een gegeven moment droomde ze over Jezus en vroeg ze hem haar zus te helpen. De dag erna bleek er met haar zus niets aan de hand te zijn. Door de genezing van haar zus is ze bekeerd tot het christendom. Haar favoriete verhaal uit de Bijbel is de steniging van Maria Magdalena.
- [betrokkene 112]
Tussen [betrokkene 112] en de betrokkene is op 23 juni 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 112] heeft bij de IND verklaard dat ze sinds 2014 christen is. Toen ze naar Nederland vertrok wist ze nog niet dat ze hier zou blijven. De autoriteiten zijn op de hoogte geraakt en zijn op zoek naar haar vanwege haar bekering. Gedurende het verblijf in Nederland hoorde ze dat haar vader bij de inlichtingendienst moest verschijnen voor het beantwoorden van enkele vragen. Ze wordt gezien als ketter en wordt gezocht door de autoriteiten. In juni 2014 werd vastgesteld dat ze baarmoederhalskanker had. Toen ze amper genezen was ontdekte ze een knobbeltje in haar borst. Toen had ze een droom. Ze voelde dat Christus haar bezocht. Daarna voelde ze zich beter en gezond. Haar favoriete verhaal uit de Bijbel is het verhaal over de verloren zoon. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 112] onder de noemer ‘ [betrokkene 112] ’ op 25 juni 2015 een bedrag van € 1.000,-, op 29 juli 2015 een bedrag van € 1.000,- en op 8 september 2015 een bedrag van € 500,- op de rekening is gestort. Derhalve is het grootste deel van het contract giraal betaald
[betrokkene 113] en [betrokkene 114]
Tussen [betrokkene 113] en [betrokkene 114] en de betrokkene is op 14 mei 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene hen tegen betaling van € 6.000,- zou helpen bij het verkrijgen van hun asielstatus. [betrokkene 114] heeft als aankomstdatum in Nederland 23 november 2015 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat ze christen is en voor Oostenrijk een visum heeft gekregen. De inlichtingendienst heeft een inval gedaan waarbij haar paspoort is meegenomen. Doordat de autoriteiten erachter zijn gekomen dat ze christen is, was ze genoodzaakt om te vluchten. Ze is met een vrachtwagen naar Nederland gekomen. Op 1 november 2015 heeft de Iraanse inlichtingendienst een inval gedaan bij haar huis en is haar paspoort meegenomen. De moeder van [betrokkene 114] had op een gegeven moment een tumor in haar borst. [betrokkene 113] had over Jezus gedroomd en Jezus had haar gezegd dat haar moeder zou genezen. De volgende dag bleek er geen tumor op de foto’s meer te zien te zijn. [betrokkene 113] heeft bij de IND verklaard dat ze met een vrachtwagen naar Nederland is gekomen. Haar paspoort is ingenomen door de Iraanse veiligheidsdienst. Toen de autoriteiten erachter zijn gekomen dat ze christen is, heeft ze het land moeten verlaten. Verder heeft ze overeenkomstig [betrokkene 114] verklaard.
[betrokkene 115]
Tussen [betrokkene 115] en de betrokkene is op 11 mei 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 115] heeft bij zijn tweede gehoor bij de IND verklaard dat hij homoseksueel is en vanwege zijn geaardheid problemen had met de autoriteiten. Tijdens zijn verblijf in Nederland zijn de autoriteiten erachter gekomen dat hij een relatie had met een man.
[betrokkene 116]
Tussen [betrokkene 116] en de betrokkene is op 22 mei 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- [betrokkene 116] zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. Uit het inreisstempel van [betrokkene 116] volgt dat hij op 22 juli 2015 Nederland is ingereisd. [betrokkene 116] heeft bij de IND verklaard dat hij atheïst is. Toen hij in juni/juli 2015 terugkwam in Nederland hoorde hij dat een van de nieuwe leden van de groep was gearresteerd. Tijdens de arrestatie werden zijn teksten gevonden. De autoriteiten hebben een inval in zijn huis gedaan waarbij er een aantal spullen is meegenomen. Op 3 of 4 september 2015 heeft hij gehoord wat er aan de hand was en dat zijn vader was gearresteerd. Hij heeft in 2009 meegelopen met de demonstraties.
[betrokkene 117]
Tussen [betrokkene 117] en de betrokkene is op 14 mei 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 117] heeft als aankomstdatum in Nederland 28 juni 2014 opgegeven. Ze heeft bij de IND verklaard dat ze nadat ze Noorwegen is uitgezet met een vrachtwagen naar Nederland is gekomen. Ze is christen. Na de geboorte van haar dochter ging het niet goed met haar dochter. Ze heeft toen Jezus gevraagd haar dochter te helpen en door een wonder is haar dochter gered. De protesten in 2009 hebben bijgedragen aan haar beslissing om zich af te keren van de islam. Ze heeft veel geleerd van het verhaal over de verloren zoon.
[betrokkene 118]
Tussen [betrokkene 118] en de betrokkene is op 23 april 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 118] heeft bij de IND verklaard dat ze sinds juli 2014 christen is. Via contacten in Iran heeft ze te horen gekregen dat de autoriteiten en de rechtelijke macht naar haar op zoek waren. Er zijn drie agenten aan de deur geweest die naar [betrokkene 118] en haar man vroegen en die haar zwager hebben gearresteerd en goederen in beslag hebben genomen. De gebeurtenissen in 2009 hebben bijgedragen aan haar afkeer van de islam. Tien dagen voor haar doop in 2014 is haar iets overkomen waardoor ze heel erg onder de indruk was. Ze heeft gedroomd over Jezus. Haar favoriete Bijbelverhaal is het verhaal over de vermiste zoon.
[betrokkene 119]
Tussen [betrokkene 119] en de betrokkene is op 3 maart 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 119] heeft bij de IND verklaard dat zij middels een vrachtwagen naar Nederland is gereisd en op 14 april 2015 is Nederland is binnengekomen. Sinds december 2013/januari 2014 is zij christen geworden. Op 22 december 2013 had ze een droom over Jezus die zei dat ze uitgekozen was. Bij de eerstvolgende gelegenheid is ze gedoopt. Bij een inval in haar woning op 19 maart 2015 is haar paspoort ingenomen alsmede een aantal andere goederen.
[betrokkene 120]
Tussen [betrokkene 120] en de betrokkene is op 27 februari 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van haar asielstatus. [betrokkene 120] heeft bij de IND verklaard dat zij in Nederland bekeerd is tot het christendom. De presidentsverkiezingen in 2009 waren het hoogtepunt van haar twijfels over de islam. In Nederland heeft ze een droom gehad over Jezus. Daarna is gesproken over haar doop. Ze is op 25 januari 2015 gedoopt. Op 27 maart 2015 heeft ze via haar ouders te horen gekregen dat de man van haar zus haar berichten in verband met evangelisatie heeft ontdekt. Op 21 mei 2015 heeft ze te horen gekregen dat haar vader was opgeroepen bij het departement voor veiligheids- en de inlichtingendiensten, de afdeling Mashad. Uit het overzicht van de bankrekening van de betrokkene blijkt dat er door [betrokkene 120] onder de noemer ‘first payment’ op 2 maart 2015 een bedrag van € 2.500,- op de rekening is gestort. Derhalve is een deel van het contract giraal betaald.
[betrokkene 121]
Tussen [betrokkene 121] en de betrokkene is op 24 februari 2015 een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 4.000,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. Blijkens het inreisstempel is [betrokkene 121] op 22 februari 2015 Nederland binnengekomen. [betrokkene 121] heeft bij de IND verklaard dat hij met een zakelijk visum Nederland is ingereisd. Hij is als moslim geboren, maar op 25 december 2013 is hij gedoopt. De gebeurtenissen in 2009 hebben ervoor gezorgd dat hij ging twijfelen aan de islam. [betrokkene 121] was verslaafd en vroeg God om hem af te helpen van de drugs. Hij viel in slaap en droomde over Jezus en hierna had hij geen neiging meer naar drugs. Een van de favoriete Bijbelverhalen van [betrokkene 121] is het verhaal over de verdwaalde zoon. Toen hij in Nederland was heeft hij vernomen dat hij problemen had in zijn land. De regering en de autoriteiten zijn erachter gekomen dat hij was bekeerd. Zijn schoonvader is in zijn spullen gaan neuzen en kwam daar christelijke teksten tegen. De volgende dag werd zijn vrouw door de autoriteiten ondervraagd.
[betrokkene 122]
Tussen [betrokkene 122] en de betrokkene is een contract getekend waaruit volgt dat de betrokkene tegen betaling van € 3.500,- zou helpen bij het verkrijgen van zijn asielstatus. [betrokkene 122] heeft bij de IND verklaard dat hij christen is en dat hij met een visum naar Nederland is gekomen. Doordat hij een vriend is gaan evangeliseren is hij in de problemen gekomen. Door die vriend zijn de autoriteiten achter zijn activiteiten gekomen en heeft hij het land moeten verlaten. Tot aan 2009 geloofde hij nog in de islam. Hij is op 4 januari 2014 gedoopt. Bij zijn vrouw was een knobbeltje in haar borst gevonden dat werd gediagnosticeerd als kwaadaardig. Op 25 december 2013 heeft hij Jezus gevraagd om te helpen. Hierna heeft hij gedroomd over een man die wit gekleed was. Na de droom kwam de uitslag dat zijn vrouw geen kanker had. In het gehoor noemt hij als bekendste verhaal over vergiffenis het verhaal van de steniging van Maria Magdalena.
Tussenconclusie wederrechtelijk verkregen voordeel uit bewezen verklaarde feiten [AG: ik begrijp: uit andere dan de bewezen verklaarde feiten]
Gelet op het vorenstaande schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hierboven genoemde contracten op een bedrag van € 303.500,-.
Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel
Het voorgaande leidt er per saldo toe dat het hof het bedrag dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel genoten schat op:
Wederrechtelijk verkregen voordeel bewezen verklaarde feiten € 42.700,-
Wederrechtelijk verkregen voordeel andere feiten € 303.500,-
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 346.200,-
Schatting van de kosten
In het rapport worden op grond van de door de betrokkene ingediende aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 de totale kosten van het bedrijf van de betrokkene berekend op een bedrag van € 131.149,-. Deze kosten zijn ter terechtzitting in hoger beroep niet in twijfel getrokken. Het hof zal deze kosten dan ook als uitgangspunt nemen, zij het dat de kosten over deze vier jaren niet volledig in mindering gebracht kunnen worden nu dit de kosten waren voor de gehele praktijk van de betrokkene en niet slechts kosten in verband met de werkzaamheden die tot het wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid. Het hof gaat uit van een totale omzet in de genoemde periode van € 346.200,-. Dit houdt in dat de door de betrokkene opgegeven kosten van € 131.149,- neerkomt op 37,88% ((€ 131.149/€ 346.200) x 100) van de totale omzet. Het hof komt dit percentage niet onredelijk of onaannemelijk voor en zal dit percentage in de berekening gebruiken.
Gelet op het vorenstaande komt het hof op totaal aan gemaakte kosten van € 131.140,56 (3 7,88% van € 346.200,-)
Vaststelling geschade wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het vorenstaande volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op:
Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel € 346.200,-
De totale kosten € 131.140,56
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 215.059,44
Het hof zal dit bedrag afronden op € 215.059,-”
3.3
In de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ook andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten heeft begaan onbegrijpelijk is “nu uit het door vreemdelingen aan [de] betrokkene betalen van bedragen nog niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft begaan”.
3.4
Uit de onder randnr 3.2 weergegeven overwegingen van het hof volgt dat het hof toepassing heeft gegeven aan art. 36e lid 2 Sr. Art. 36e lid 1 en 2 Sr luiden als volgt:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.”
3.5
Op grond van art. 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel betrekking hebben op het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
3.6
Het oordeel van de rechter dat “voldoende aanwijzingen” bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in art. 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betreffende feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat die feiten door hem zijn begaan.2.Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene de betreffende feiten heeft begaan.3.Het oordeel of “voldoende aanwijzingen” bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan, is feitelijk van aard en is het domein van de feitenrechter.4.In cassatie kan dit oordeel derhalve slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
3.7
Over de eerste deelklacht kan ik kort zijn. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Uit de onder randnr. 3.2 weergegeven overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof met “andere strafbare feiten” het oog heeft gehad op mensensmokkel van (een deel van) de vreemdelingen met wie de betrokkene eveneens contracten heeft getekend maar die niet worden genoemd in de bewezenverklaring. Uit die overwegingen blijkt verder dat het hof de in art. 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” heeft aangenomen op de grond dat de modus operandi van de asielaanvragen van die vreemdelingen overeenkomt met de modus operandi van de asielaanvragen van de vreemdelingen die wel worden genoemd in de bewezen verklaarde strafbare feiten en met wie de betrokkene eveneens contracten had getekend. Het hof heeft het bestaan van de “voldoende aanwijzingen” dus niet (enkel) aangenomen op grond van de omstandigheid dat de vreemdelingen geldbedragen hebben betaald aan de betrokkene. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
3.8
De eerste deelklacht faalt.
3.9
In de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat de oordelen van het hof dat het niet ondenkbaar is dat niet van alle contante betalingen door de betrokkene trouw kwitanties zijn opgesteld en dat er evenmin aanleiding is om aan te nemen dat de betrokkene zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. De maatstaf dat iets “niet ondenkbaar” is, is volgens de stellers van het middel onvoldoende. De omstandigheid dat het wederrechtelijk verkregen voordeel mede gebaseerd is op aangetroffen kwitanties betekent voorts dat de oordelen van het hof dat het niet ondenkbaar is dat niet van alle contante betalingen door de betrokkene trouw kwitanties zijn opgesteld en dat er evenmin aanleiding is om aan te nemen dat de betrokkene zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden onbegrijpelijk zijn, aldus nog steeds de stellers van het middel.
3.10
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2023 houdt het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat door de KMAR na de zitting in eerste aanleg een aanvullende rapportage is opgemaakt en dat deze bij de behandeling zal worden betrokken.
Op de vraag van de voorzitter of het klopt dat in alle zaken, te weten de zaken zoals genoemd op de tenlastelegging en de zaken uit de ontnemingszaak, betaald werd via contante en girale betalingen, antwoordt de betrokkene instemmend.
De voorzitter deelt mede:
In de ontnemingszaak gaat het naast de in de strafzaak genoemde vreemdelingen, ook om 90 andere vreemdelingzaken. Het hof heeft gezien dat niet in alle zaken een IND-dossier in het ontnemingsdossier is gevoegd. Dit geldt voor de vreemdelingzaken met de nummers 15, 26, 27, 29, 32, 53, 68, 70, 71, 76, 78, 79, 81, 85, 89 en 90. In de rest van de zaken is er wel een IND-dossier toegevoegd waaruit de asielverhalen van de vreemdelingen blijkt. Uiteenlopend zijn er aangetoonde betalingen dan wel aangetroffen contracten met daarop diverse bedragen. Hierbij komt het bedrag € 4.000,- vaak voor.
(…)
De voorzitter houdt het vonnis van de rechtbank voor en deelt mede dat door de rechtbank kosten zijn berekend. Hier heeft de KMAR ook rekening mee gehouden. In totaal was de opbrengst volgens de KMAR € 304.000,- en bedroegen de kosten over vierjaar €131.149,
(…)
De betrokkene verklaart als volgt.
De berekeningen zijn gemaakt op basis van het bedrag dat in de contracten stond. Ik wil alleen zeggen dat bij veel van de contracten niet het volledige bedrag is betaald.”
3.11
De overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte en de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 november 2023 daarop gegeven aanvulling (AG: door mij cursief weergegeven) houden het volgende in:
“Ontneming
Verklaring cliënt PV juni 2020:
[betrokkene 123] heeft bijvoorbeeld nooit € 2.000,- betaald. Enkel € 300,-. In een andere zaak heb ik ook maar € 500,- gekregen. De rest op basis van het contract. De bron is de kwitantie en de overmaking op mijn bankrekening. Dat is enkel te bewijzen. Dat in 73 andere gevallen op dezelfde wijze zou zijn gewerkt ben ik het niet mee eens. Er zijn bovendien veel contracten getekend die nooit zijn uitgevoerd. In 99 procent van de gevallen zijn de daadwerkelijke bedragen nooit betaald. Ik kan hier later wel op reageren. Ik heb alles op papier.
Vonnis rechtbank:
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgegaan van de bedragen die zijn vastgelegd in de contracten, dan wel op andere wijze zijn overeengekomen, omdat – zoals blijkt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – lang niet altijd daadwerkelijk uiteindelijk het overeengekomen bedrag is betaald.
Derhalve dienen de daadwerkelijk betaalde bedragen – zoals die blijken uit de kwitanties, dan wel de bankafschriften van (het bedrijf van) de veroordeelde – leidend te zijn. Dit strekt eveneens tot de conclusie dat de rechtbank de 98 contracten met (financiële) afspraken die in het kantoor van de veroordeelde zijn aangetroffen en die niet zien op de ten laste gelegde feiten – op de reeds hiervoor genoemde gronden – achterwege zal laten in de berekening van her wederrechtelijk verkregen voordeel.
Primair: (…)
Subsidiair: dient enkel uit te worden gegaan van de kwitanties die zien op de feiten waarvoor cliënt wordt veroordeeld.
Randnummer 35
Het is een feit van algemene bekendheid dat asielzoekers zich rot betalen om naar Nederland te komen. Dat geld zijn ze al kwijt. Het reizen is duur en is vaak over land. Cliënt geeft aan dat 99% van de klanten niet heeft betaald. De rechtbank acht dit aannemelijk en ik ben het ermee eens. Het is ook heel geloofwaardig dat de mensen geen cent meer hebben wanneer ze in Nederland aankomen. Het is dan ook logisch dat er niet is geïncasseerd. Er zijn heel veel contracten getekend in de overtuiging dat het legaal was. Ik verzoek uw hof om de berekeningen naar het land der fabelen te verwijzen en niet mee te gaan in de redenering van de KMAR. Als u wilt ontnemen dan moet u een kasopstelling maken. Kijk eens naar het beslag. Er is bij cliënt geen geld aangetroffen. Er is niet eens iets noemenswaardigs aangetroffen waaruit blijkt dat daar het geld is gebleven. Als u zich focust op het beslag dan komt u tot de overtuiging dat het een kletsberekening is.”
3.12
Door en namens de betrokkene is met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangevoerd dat niet kan worden uitgegaan van de in de contracten overeengekomen bedragen, omdat de betrokkene in 99% van de gevallen die bedragen niet volledig betaald heeft gekregen. Volgens de betrokkene moet bij de berekening worden uitgegaan van de bedragen zoals die blijken uit de aangetroffen kwitanties en de overboekingen naar de bankrekening (van het bedrijf) van de betrokkene.
3.13
Het hof heeft – in weerwil van wat door en namens de betrokkene is aangevoerd – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel toch onder meer gebaseerd op de in de contracten overeengekomen bedragen. In dat verband heeft het hof overwogen dat de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in alle gevallen betaald kreeg uit een mix van contante en girale betalingen. Dat slechts een deel van de inkomsten uit (een deel van) de contracten middels kwitanties is teruggevonden, maakt volgens het hof niet dat verondersteld kan worden dat de contracten niet geheel ten uitvoer zijn gelegd en zijn betaald. Daartoe heeft het hof overwogen dat girale betalingen altijd een spoor nalaten, maar contante betalingen niet. Volgens het hof is het niet ondenkbaar dat niet van alle contante betalingen door de betrokkene trouw kwitanties zijn opgesteld en is er evenmin aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden.
3.14
De oordelen van het hof dat het niet ondenkbaar is dat niet van alle contante betalingen door de betrokkene trouw kwitanties zijn opgesteld en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de betrokkene zijn cliënten niet aan hun contractsverplichtingen zou hebben gehouden, zijn feitelijk van aard en kunnen in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk vind ik die oordelen niet. Met betrekking tot het eerstgenoemde oordeel neem ik in aanmerking dat het hof – weliswaar onder het kopje “wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten” – heeft vastgesteld dat de administratie van de betrokkene niet altijd correspondeert met de door de betrokkene afgelegde verklaringen. Met betrekking tot het tweede oordeel neem ik in aanmerking dat het, gelet op een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast in ontnemingszaken5., aan de betrokkene was om zijn stelling dat hij in 99% van de gevallen niet volledig betaald heeft gekregen aannemelijk te maken. De betrokkene heeft die stelling echter (nagenoeg) niet onderbouwd, terwijl hij naar eigen zeggen alles op papier heeft.
3.15
Ten slotte zie ik niet in waarom de omstandigheid dat het wederrechtelijk verkregen voordeel mede gebaseerd is op de aangetroffen kwitanties zou maken dat de zojuist (onder randnr. 3.14) besproken feitelijke oordelen van het hof onbegrijpelijk zijn. Het aantreffen van kwitanties van een deel van de door de vreemdelingen aan de betrokkene gedane betalingen betekent namelijk nog niet dat er geen andere betalingen zijn geweest. Mede op grond van die kwitanties kan worden vastgesteld, zoals het hof heeft gedaan, dat door een deel van de in de contracten genoemde vreemdelingen aan de betrokkene is betaald. Het hof heeft echter de vraag hoeveel er uiteindelijk in totaal is betaald, zoals hiervoor besproken, niet onbegrijpelijk afgeleid uit andere feiten en omstandigheden.
3.16
De tweede deelklacht faalt.
3.17
In de derde deelklacht wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de zaak en completering van de stukken. Aangevoerd wordt dat de vaststelling van het hof dat de ontbrekende stukken in bijna alle gevallen een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-C, een kopie en vertaling van de shenasnameh (een Iraans identiteitsboekje), een kopie en vertaling van de kart-e melli (een Iraans identiteitsbewijs) en/of huwelijksaktes betreffen, onbegrijpelijk is aangezien niet is in te zien op welke wijze het hof dat heeft kunnen vaststellen. Dat er samenvattingen door een opsporingsinstantie zijn opgesteld, betekent niet dat de betrokkene in staat is gesteld adequaat verweer te voeren. Dit klemt te meer nu in eerste aanleg het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald op € 17.011,- en het hof ongeveer het twaalfvoudige heeft vastgesteld. In een dergelijk geval gebiedt art. 6 EVRM, althans de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat de verdediging – in ieder geval – de beschikking krijgt over de door haar geconstateerde ontbrekende stukken die op een eenvoudige wijze door het Openbaar Ministerie aan het dossier kunnen worden toegevoegd, aldus de stellers van het middel.
3.18
Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2023 heeft de raadsman het verzoek gedaan tot het bij het onderzoeksdossier integraal voegen van de IND-dossiers van de in de bewezenverklaring en in het ontnemingsdossier genoemde vreemdelingen, dan wel de raadsman inzage te geven in die IND-dossiers. Het proces-verbaal van deze zitting houdt hierover het volgende in:
“De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. In aanvulling op hetgeen in de pleitnota is vermeld brengt de raadsman het volgende naar voren:
Randnummer 22
Cliënt geeft bij feit 8 aan dat de stukken omtrent de mishandeling niet in het dossier zitten. U heeft niet het gehele dossier. Er is slechts een selectie toegevoegd. Ik verzoek uw hof om bij tussenarrest alle IND-dossiers integraal te laten toevoegen, dan wel om mij inzage te geven. Cliënt heeft daarvoor een tweetal documenten aangedragen die ontbreken. Ik verzoek uw hof om bij tussenarrest de boel te heropenen. (…) Als u zo doorgaat dan moet u alle integrale IND-dossiers hebben en dus ook van alle genoemde vreemdelingen in het ontnemingsdossier. Daar hebben al die mensen recht op. Door uw arrest kunnen al deze mensen Nederland uitgegooid worden.”
3.19
Het hof heeft het in de derde deelklacht bedoelde verzoek als volgt samengevat en afgewezen:
“Verzoek aanvulling dossier
De raadsman heeft bepleit dat het dossier incompleet is en dat alle dossiers van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (hierna: IND), ook van de vreemdelingen over wie in het kantoor van de betrokkene een ondertekend contract is aangetroffen, integraal aan het dossier moeten worden toegevoegd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Ten aanzien van de vreemdelingen die genoemd zijn in de bewezenverklaringen van de feiten waarvoor de betrokkene bij arrest van dit hof van 7 december 2023 is veroordeeld, oordeelt het hof als volgt.
Uit de bijzondere opsporingsbevoegdheden-bevelen die in het dossier zijn gevoegd blijkt dat voor alle vreemdelingen uit de bewezen verklaarde feiten de IND-dossiers integraal zijn opgevraagd. Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet alle stukken die door de vreemdeling zijn overgelegd bij de IND in het dossier terecht zijn gekomen. Uit het dossier volgt dat de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMAR) de integrale dossiers van de IND heeft gekregen en dat deze integraal in het onderzoeksdossier zijn gevoegd, maar dat niet alles in het uiteindelijke dossier is gevoegd.
Het hof heeft gekeken naar de in de gehoren genoemde overgelegde stukken. De ontbrekende stukken betreffen in bijna alle gevallen een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-c, een kopie en vertaling van de Shenasnameh (een Iraans identiteitsboekje), een kopie en vertaling van de karte-melli (een Iraans identiteitsbewijs) en/of huwelijksaktes. Het hof acht het voor de beoordeling van de ontnemingsvordering niet noodzakelijk dat deze stukken alsnog aan het dossier worden toegevoegd nu deze stukken geen informatie kunnen bevatten die van belang is voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van de overige IND-dossiers, betrekking hebbende op de vreemdelingen met wie de betrokkene een contract heeft afgesloten, oordeelt het hof als volgt.
Uit het dossier volgt dat bij de doorzoeking op het kantoor van de betrokkene meerdere contracten in beslag zijn genomen. In het eerste rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is een lijst van 90 contracten, niet zijnde de vreemdelingen waarvoor de betrokkene is veroordeeld, opgesomd. De KMAR heeft na de zitting in eerste aanleg een nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt en heeft daartoe de IND-dossiers opgevraagd van alle in de contracten genoemde vreemdelingen. Van de IND heeft de KMAR in totaal 68 dossiers ontvangen. In het nader rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de samenvattingen weergegeven van de verhalen van de vreemdelingen zoals zij daarover hebben verklaard bij de IND ten tijde van hun asielaanvraag. Uit het dossier is nergens af te leiden dat niet de volledige IND-dossiers zijn verkregen. Gelet op de IND-dossiers van de in de bewezenverklaring genoemde vreemdelingen stelt het hof vast dat de door de vreemdelingen overgelegde stukken vaak zien op een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-c, een kopie en vertaling van de Shenasnameh, een kopie en vertaling van de karte-melli en/of huwelijksaktes.
Nu het bij de beoordeling of er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere feiten gaat om aanwijzingen voor andere strafbare feiten acht het hof het niet noodzakelijk om alsnog alle door de vreemdelingen overgelegde stukken aan het dossier toe te voegen nu deze niets kunnen zeggen over de bevoordeling van de betrokkene.
Het hof wijst aldus af het verzoek van de verdediging om het dossier te complementeren.”
3.20
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg kan de rechtbank, indien de noodzakelijkheid daarvan blijkt, de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, bevelen (art. 315 lid 1 Sv). De verdachte en zijn raadsman kunnen om toepassing van deze bevoegdheid verzoeken (art. 328 Sv en art. 331 lid 1 Sv). Ter terechtzitting gedane verzoeken tot het toevoegen van stukken die buiten het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt, zijn verzoeken in de zin van art. 328/331 lid 1 Sv om toepassing te geven aan art. 315 lid 1 Sv. De maatstaf waaraan de rechtbank dergelijke verzoeken moet toetsen, is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.6.Bij de beoordeling van de noodzaak tot toevoeging van geschriften en gegevensdragers moet de rechter in aanmerking nemen dat in het dossier moeten worden gevoegd de stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor de betrokkene belastende zin hetzij in voor hem ontlastende zin.7.Op grond van art. 415 lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv zijn art. 315 lid 1 Sv, art. 328 Sv en art. 331 lid 1 Sv ook van toepassing op het hoger beroep in ontnemingszaken.
3.21
De ontbrekende IND-stukken waarop het verzoek tot toevoeging ziet, zijn niet het resultaat van het tegen de betrokkene gerichte onderzoek. Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot toevoeging dan wel kennisneming van die stukken is derhalve een verzoek dat aan de maatstaf van de noodzakelijkheid van art. 315 lid 1 Sv moet worden getoetst. Blijkens de onder randnr. 3.19 weergegeven overwegingen heeft het hof het verzoek van de verdediging tot aanvulling van het ontnemingsdossier afgewezen. Daartoe heeft het hof overwogen dat het niet noodzakelijk is om alsnog alle door de vreemdelingen aan de IND overgelegde stukken aan het ontnemingsdossier toe te voegen aangezien die stukken niets kunnen zeggen over de bevoordeling van de betrokkene. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.
3.22
Vervolgens kan in cassatie uitsluitend worden beoordeeld of het afwijzende oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is in het licht van wat de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd.
3.23
Het hof heeft het verzoek van de raadsman tot het integraal voegen van alle IND-dossiers afgewezen, omdat de noodzaak daarvan niet is gebleken. In het licht hiervan heeft het hof zich uitgelaten over de vraag of deze stukken redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daarbij heeft het hof met betrekking tot de IND-dossiers die zien op de in de bewezenverklaring genoemde vreemdelingen overwogen dat niet alle door de vreemdelingen bij de IND overgelegde stukken in het dossier zijn terechtgekomen. Volgens het hof betreffen de ontbrekende stukken in bijna alle gevallen een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-C, een kopie en vertaling van de shenasnameh (een Iraans identiteitsboekje), een kopie en vertaling van de kart-e melli (een Iraans identiteitsbewijs) en/of huwelijksaktes. Het hof heeft deze feitelijke vaststelling gedaan door te kijken naar de in de gehoren van de vreemdelingen genoemde overgelegde stukken en (kennelijk) die stukken te vergelijken met de in het onderzoeksdossier gevoegde stukken. Het hof heeft het voor de beoordeling van de ontnemingsvordering niet noodzakelijk geacht dat deze ontbrekende stukken alsnog aan het dossier worden toegevoegd aangezien die stukken geen informatie kunnen bevatten die van belang zijn voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.24
Het hof heeft met betrekking tot de overige IND-dossiers overwogen dat in het eerste rapport wederrechtelijk verkregen voordeel een lijst van 90 contracten is opgenomen die zien op niet in de bewezenverklaring genoemde vreemdelingen. De Koninklijke Marechaussee heeft ten behoeve van het opstellen van een nader rapport wederrechtelijk verkregen voordeel de IND-dossiers van alle in deze contracten genoemde vreemdelingen opgevraagd. In totaal zijn 68 dossiers ontvangen. In het nadere rapport zijn samenvattingen weergegeven van de verhalen van de vreemdelingen zoals zij daarover bij de IND hebben verklaard ten tijde van hun asielaanvraag. Volgens het hof is uit het onderzoeksdossier niet af te leiden dat niet de volledige IND-dossiers zijn verkregen. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat, gelet op de IND-dossiers van de in de bewezenverklaring genoemde vreemdelingen, de door de in het ontnemingsdossier genoemde vreemdelingen overgelegde stukken vaak zien op een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-C, een kopie en vertaling van de shenasnameh, een kopie en vertaling van de kart-e melli en/of huwelijksaktes.
3.25
Gelet op hetgeen ik onder de randnrs. 3.23-3.24 heb besproken, faalt de klacht dat niet is in te zien hoe het hof heeft kunnen vaststellen dat de ontbrekende stukken in bijna alle gevallen een kopie van het paspoort, een kopie van de militaire afzwaaikaart, een kopie van het rijbewijs, een kopie van de geboorteboekjes, ondertekende nationaliteitsverklaringen, ondertekende antecedentenverklaringen, een ingevuld model M117-C, een kopie en vertaling van de shenasnameh (een Iraans identiteitsboekje), een kopie en vertaling van de kart-e melli (een Iraans identiteitsbewijs) en/of huwelijksaktes betreffen. Dat feitelijk oordeel van het hof is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk.
3.26
Het oordeel van het hof dat de toewijzing van het verzoek om alle IND-dossiers bij het onderzoeksdossier te voegen niet noodzakelijk is, komt mij – ook in het licht van wat door de raadsman is aangevoerd – niet onbegrijpelijk voor, terwijl het hof niet was gehouden tot een nadere motivering. Op grond van dit een en ander heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk evenmin aanleiding gezien de verdediging inzage te geven in de verzochte stukken.
3.27
De derde deelklacht faalt.
4. De afdoeningswijze in cassatie gelet op de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe
4.1
In het onderhavige geval is één van de deelklachten in cassatie gericht tegen het oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ook andere strafbare feiten heeft begaan dan de bewezen verklaarde feiten. Een dergelijke vaststelling is in eerste aanleg achterwege gebleven. De vraag kan rijzen of de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe gevolgen moet hebben voor de afdoeningswijze in cassatie van ontnemingszaken. A-G Van Kempen bespreekt deze vraag in zijn conclusie vóór HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1679.8.Daarin schrijft hij het volgende (met weglating van voetnoten):
“5. Wijze van afdoening gelet op de zienswijze in de zaak Jaddoe
5.1
Aandacht verdient nog dat in deze zaak de klachten in cassatie zijn gericht tegen de vaststelling door het hof “dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan”, terwijl de rechtbank in eerste aanleg een dergelijke vaststelling niet heeft gedaan. Dit roept de vraag op of deze zaak met toepassing van art. 81 lid 1 RO kan worden afgedaan, gelet op de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité van 2 september 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018 (Jaddoe /Nederland) en het hierop volgende arrest HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. Keijzer.
5.2
Enerzijds blijkt uit de zienswijze niet dat deze ook geldt voor de ontnemingsprocedure. Dit betekent dat terughoudendheid is geboden met implementatie van die zienswijze in de onderhavige zaak. Dat is nog in het bijzonder het geval nu een procedure ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van andere aard is dan een strafprocedure, onder meer omdat de ontnemingsprocedure in elk geval formeel niet in een veroordeling voor een strafbaar feit kan resulteren. Voorts telt dat ook voormeld arrest van de Hoge Raad zich niet uitstrekt over de ontnemingsprocedure. Tot slot noopt hetgeen is aangevoerd in (de toelichting op) het middel evenmin tot een afdoening met een motivering die meer inhoudelijk is toegesneden op de concrete zaak.
5.3
Daar staat tegenover dat op de ontnemingsprocedure art. 6 lid 1 en 2 EVRM en art. 14 IVBPR van toepassing zijn en dat het hof in deze zaak bovendien een oordeel heeft gegeven dat ertoe strekt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Het hof heeft immers vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene een soortgelijk feit heeft begaan.
5.4
De vraag is wat dit betekent voor de toepasselijkheid van art. 14 lid 5 IVBPR. Deze bepaling luidt: “Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.” Hieruit kan worden afgeleid dat wanneer in de ontnemingsprocedure voordeel wordt ontnomen op de grond dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere – al dan niet soortgelijke – strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan (art. 36e lid 2 Sr), de betrokkene op grond van art. 14 lid 5 IVBPR het recht heeft de schuldigverklaring opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege. Daartoe is ten eerste van belang dat moet worden aangenomen dat het bij een “soortgelijk feit” in de zin van art. 36e lid 2 Sr gaat om een “strafbaar feit” (in de Engelstalige versie: “crime”) waarop art. 14 lid 5 IVBPR betrekking heeft. Daarnaast telt dat de vaststelling dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan, moeilijk anders valt op te vatten dan als een vaststelling van daderschap en in die zin een – zij het beperkte – “schuldigverklaring” (in de Engelstalige versie: “conviction”). Daartoe weegt mee dat die schuldigverklaring in een strafrechtelijk context plaatsvindt – om welke reden daarop ook art. 6 lid 1 en 2 EVRM en art. 14 IVBPR van toepassing zijn – en deze bovendien tot oplegging van een sanctie kan leiden.
5.5
Gezien het voorgaande ligt het voor de hand de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe ook toe te passen op de ontnemingsprocedure voor zover de rechter in hoger beroep daarin – anders dan in eerste aanleg – tot het oordeel is gekomen dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Dit zou aansluiten bij de kaders waarbinnen de Hoge Raad de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie en de Keskin-jurisprudentie op de ontnemingsprocedure van toepassing acht.
5.6
Aldus geef ik de Hoge Raad in overweging om het cassatieberoep in ontnemingsprocedures niet af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO in zaken waarin in hoger beroep voordeel is ontnomen op de grond dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere – al dan niet soortgelijke – strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan (art. 36e lid 2 Sr), terwijl in eerste aanleg niet is geoordeeld dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een ander – al dan niet soortgelijk – feit.”
4.2
Ik deel het standpunt van Van Kempen dat afdoening van cassatieberoepen in ontnemingsprocedures met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging niet in de rede ligt in zaken waarin in hoger beroep voordeel is ontnomen (mede) op de grond dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan (art. 36e lid 2 Sr), terwijl in eerste aanleg een dergelijke vaststelling niet is gedaan en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een ander strafbaar feit als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr.
5. Slotsom
5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 december 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Gelet op de compensatie die hiervoor in de strafzaak kan worden geboden, kan in de ontnemingszaak worden volstaan met de enkele constatering van de overschrijding.
5.3
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2026
HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.4.2-2.4.4; HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rov. 2.5.1; HR 11 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:4, rov. 2.5.2; HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:12, rov. 2.3.1; HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1514, rov. 2.4.1.
HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rov. 2.5.3; HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:12, rov. 2.3.2; HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1514, rov. 2.4.2.
HR 11 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:4, rov. 2.6.3.
HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182, NJ 2003/96, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.4 en HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.4.2.
HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2956, NJ 2007/568, rov. 3.2.2-3.3; HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218, NJ 2021/235, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.4; HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, NJ 2022/295, m.nt. A.J. Machielse, rov. 4.4.3; HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1410, rov. 2.3.1.
Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820, NJ 1996/687, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 5.9 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538, rov. 2.4.
De Hoge Raad heeft zich in dit arrest niet uitgelaten over de toepasselijkheid van de Jaddoe -jurisprudentie op de ontnemingsprocedure voor zover de rechter in hoger beroep daarin – anders dan in eerste aanleg – tot het oordeel is gekomen dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan. Zie over deze kwestie ook de conclusie van A-G Keulen, randnr. 20, vóór HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:229.