Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.3.2.2
III.3.2.2 Herstelbemiddeling in de praktijk
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS305547:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een redelijk actuele beschrijving van de Nederlandse praktijk Blad en Lauwaert 2010.
Zie Haverkate 2015, p. 232.
Zie Freeke 2016 en De Haas 2016.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p. 15. Opgemerkt wordt dat ‘adequate rechtsbijstand constitutief is voor de rechten van het slachtoffer’.
Zie § 3.1.2.
Zie Freeke 2016 en De Haas 2016.
Zie Verberk 2011, p. 28-29. Zie ook p. 31, waar de betekenis van de rol van de advocatuur wordt benadrukt. Een van de pluspunten die door de advocaten zelf wordt genoemd is dat er andere informatie naar boven komt dan binnen een regulier opsporingsonderzoek. Dat wijst op de eerder gememoreerde noodzaak tot verbetering van de informatie-uitwisseling en -verwerving door het Openbaar Ministerie ten behoeve van de afdoeningbeslissing. Zie ook Duker 2003, 191-192.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 34 550 VI, nr. 36 respectievelijk Raad voor de rechtspraak, Mediation in strafzaken stopt, https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/-Orga-ni-satie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Mediation-in-strafzaken-stopt.aspx. Later heeft de minister aangegeven alsnog ruimte binnen de justitiebegroting te zien om de pilots ‘mediation naast strafrecht’ te prolongeren.
Zie Verberk 2011 en Cleven, Lens en Pemberton 2015. De evaluatie van Verberk ziet op de pilot Mediation naast strafrecht bij de rechtbank Amsterdam; die van Cleven, Lens en Pemberton op de vijf pilots (waaronder de voortgezette Amsterdamse pilot) die hebben gelopen van 2014 tot 2015.
In de buitengerechtelijke fase van herstelbemiddeling kan nog niet worden gesproken van een dader, zij het dat de verdachte wel verantwoordelijkheid moet nemen voor de feiten. We hanteren daarom hier de term verdachte.
We baseren ons hier vooral op de evaluaties van Verberk (2011) en Cleven, Lens en Pemberton (2015). Deze conclusies vertonen echter grote overeenkomsten met die uit ander onderzoek, welk onderzoek veelal betrekking heeft op praktijken in andere Europese landen. Zie ook Tak 2011.
De bevindingen ten deze voor Nederland gevonden door Cleven, Lens en Pemberton (2015) komen overeen met die uit onderzoek elders. Zie o.a. Pelikan 2010, par. 4.1.
Cleven e.a. geven een percentage van 40% van de slachtoffers/daders (Cleven, Lens en Pemberton 2015); Verberk geeft aan dat in de gevallen waarin een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen ruim 70% van de betrokkenen tevreden is met de uitkomst van de herstelbemiddeling (Verberk 2011).
Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 21-22. Een afdoening via een voorwaardelijk sepot, met daarin opgenomen herstelbemiddeling, zou neerkomen op € 2300: € 1500 voor de bemiddeling en € 800 voor het voorwaardelijk sepot.
Verberk 2011, p. 17; ook Cleven e.a. maken er melding van dat de vrijwilligheid (meestal bij verdachten) onder druk staat (Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 7).
Zie Lauwaert 2009, p. 23. Deze (rechts)onzekerheid stuit op bezwaren bij hen die de nadruk leggen op rechtszekerheid en daaraan verbonden proportionaliteit; zie Von Hirsch, Ashworth en Shearing 2002 en Ashworth 2002.
Zie Lauwaert 2009, p. 181-182. Lauwaert maakt onderscheid tussen de interne proportionaliteit (hoe verhoudt de uitkomst van de herstelbemiddeling zich tot de ernst van het delict) en de externe proportionaliteit (hoe verhoudt de keuze voor een herstelgerichte interventie zich tot de ernst van het delict). Zij spreekt in dit verband van een ‘lijn van contextueel recht doen, in plaats van consistent recht doen’. Zie voorts ten aanzien van de kwaliteit van de bemiddelaar Walgrave 2016.
Overigens wijst Tak er op dat de greep van het Openbaar Ministerie op het voorwaardelijk sepot in geval van herstelbemiddeling minder is; het is immers niet het Openbaar Ministerie dat de voorwaarden vaststelt, maar het slachtoffer en de verdachte onderling (Tak 2011, p. 110).
Zie Leferink 2015. Zie voorts Tak 2011, p. 139, aanbeveling 9. Gesteld wordt dat aan niet-nakoming van voorwaarden een strafrechtelijk vervolg dient te worden verbonden.
Zie Verberk 2011, p. 25.
Dan wordt namelijk een langere termijn genomen voor de afdoeningsbeslissing, oplopend tot dertig dagen. In dit verband kan worden gewezen op de zogenoemde ‘werkplaats-zaken’ of ‘leeratelier-zaken’. Het betreft zaken die door de gezamenlijke reclasseringsorganisaties (3RO) vanaf de ZSM-tafel worden geselecteerd om te worden afgedaan via interventie van (onder andere) de reclassering (Menger en Krechtig 2016). Zie voorts Brouwer, die wijst op de veranderende betekenis van het opportuniteitsbeginsel in het licht van de geïntegreerde aanpak (Brouwer 2010, p. 210).
Indien dit laatste achterwege blijft kan de verdachte op grond van artikel 262 lid 5 Sv de rechtbank verzoeken een beschikking tot buitenvervolgingstelling te geven. Zie over deze correcties op het vervolgingsmonopolie Simmelink 2004.
Zie Verberk 2011, p. 25.
Dit aandachtspunt komt terug in de bespreking van mogelijke nieuwe procesmodaliteiten (§ 7).
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 15.
Vanuit het Openbaar Ministerie wordt de potentiële betekenis van herstelbemiddeling in toenemende mate onderkend.1 Juist de versheid van de zaak biedt ruimte voor bemiddeling,2 wat ook vanuit de advocatuur wordt beaamd.3 In dat licht kan wederom het belang van hoor en wederhoor binnen de ZSM-werkwijze worden genoemd vanwege de potentiële informatie die van de zijde van de strafrechtadvocatuur kan worden ingebracht. Eenzelfde argument geldt overigens voor het slachtoffer, ook die moet in de gelegenheid worden gesteld te informeren en geïnformeerd te worden, onder andere ten aanzien van diens opstelling jegens de mogelijkheid van herstelbemiddeling.4 Wanneer het gaat om de overweging of herstelbemiddeling als (onderdeel van de) afdoeningsbeslissing opportuun is, is het belang van informatieverstrekking en informatieverwerving moeilijk te overschatten. Bij voorkeur voorafgaand aan het nemen van een afdoeningsbeslissing moet reeds duidelijk worden hoe verdachte en slachtoffer tegenover de mogelijkheid van herstelbemiddeling staan, of de verdachte bereid is de feiten te erkennen en wat de kans van slagen is op korte termijn.
Zoals gezegd volgt daaruit dat het van cruciaal belang is voorafgaand aan de afdoeningsbeslissing ruimte te bieden voor hoor en wederhoor om zodoende informatie te verwerven van de verdediging. Omgekeerd brengt dit met zich dat de verdediging tijdig en volledig dient te worden geïnformeerd over de stand van zaken in het voorliggende dossier. Gewezen is al op de kritiek van de zijde van de advocatuur met betrekking tot de gebrekkige informatie-uitwisseling binnen de ZSM-werkwijze.5 De kans dat van de zijde van de verdediging een zinvolle bijdrage kan worden geleverd aan het afwegingsproces ten behoeve van de afdoeningsbeslissing, met daarin besloten de mogelijkheid tot herstelbemiddeling, neemt daardoor af. Herstelrechtelijk georiënteerde advocaten rekenen het echter tot hun taak de verdachte in ieder geval te wijzen op de mogelijkheid van herstelbemiddeling en – indien deze daartoe bereid is – het Openbaar Ministerie ter zake te informeren.6 Maar ook in bredere kring lijkt binnen de advocatuur steun te bestaan voor herstelbemiddeling, met name bij de afdoening van veel voorkomende (jeugd)criminaliteit.7
Steun is er ook vanuit de hoek van de rechterlijke macht, de politiek8 en – als gezegd – het Openbaar Ministerie.9 Ook slachtoffers en verdachten10 zijn in de regel positief, al tonen zij zich op bepaalde punten ook ontevreden.11 De waardering geldt vooral de inspanningen van de strafrechtspleging (inclusief de mediator), de kritiek vooral de opstelling van de verdachte (strategisch gebruik). Voor dat laatste geldt echter dat geconstateerd wordt dat de verwachtingen bij het slachtoffer over eer- en waardeherstel wat te hoog gespannen lijken te zijn.12 Daartegenover wordt vermeld dat verdachten regelmatig menen dat zij ten onrechte als verdachte zijn aangemerkt. Niettemin voelt een substantieel cohort betrokkenen zich ‘beter’ na de herstelbemiddeling.13 Cleven e.a. maken voorts melding van afwikkelingswinst. Hoewel zij voorbehouden maken ten aanzien van de gepresenteerde uitkomsten, zou herstelbemiddeling ook in financieel opzicht gunstig zijn.14 De belangrijkste besparing ligt in het buiten de rechter afdoen van de zaak.
Het is echter niet al goud wat blinkt. Er worden namelijk ook duidelijke knelpunten geconstateerd en die hebben eigenlijk allemaal betrekking op de (mate van) rechtsbescherming. Zo geven verdachten aan dat er druk wordt ervaren om het feit te ‘erkennen’, welk gegeven samenhangt met het onvoldoende kunnen overzien van de rechtsgevolgen van zo’n erkenning en de mate waarin men zich geïnformeerd voelt.15 Er wordt dan ook niet altijd strikt aan vastgehouden, en geregeld is er ook niet zozeer sprake van een daadwerkelijke erkenning, maar veeleer van een door betrokkenen wederzijds geaccepteerde uitleg over het ontstaan van het conflict. Aandachtspunt hier is ook de eis van bewijsbaarheid van het feit, wat ertoe kan leiden dat niet kan worden begonnen met het proces van herstelbemiddeling. En als de zaak wel bewezen kan worden, lijkt de bereidheid van de politie om de zaak aan te melden voor afdoening via herstelbemiddeling af te nemen.
Van andere orde is de vraag of een buitengerechtelijke afdoening met toepassing van herstelrecht geen afbreuk doet aan de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid. De verdachte weet immers niet welk slachtoffer hij treft, en welke ‘straf’ deze van hem vraagt. Hoewel hier zeker een risico ligt, moet dit bezwaar enigszins worden gerelativeerd. Rechtsgelijkheid vormt binnen de op casuïstiek gebaseerde strafrechtelijke afdoening immers een utopie,16 ook al doet het bestaan van richtlijnen soms anders geloven. Bovendien biedt de betrokkenheid van een neutrale, veelal juridisch geschoolde mediator en de advocaat van de verdachte de nodige waarborg voor de proportionaliteit van de na te komen herstelverplichtingen.17 Daarbij is er voor de verdachte heel wat te winnen bij herstelbemiddeling, bijvoorbeeld het voorkomen van justitiële documentatie indien het feit in verband met de herstelbemiddeling wordt geseponeerd.
De meeste zaken waarin wordt bemiddeld, worden dan ook afgedaan met een onvoorwaardelijk sepot. Die modaliteit kan echter aanleiding geven tot een handhavingstekort, want als de verdachte verzuimt de vaststellingovereenkomst na te komen is er geen middel meer om hem daartoe alsnog te verplichten.18 Dat kan secundaire victimisatie tot gevolg hebben; dit bezwaar wordt met name naar voren gebracht vanuit Slachtofferhulp Nederland.19 Daarmee wordt ook de beleidsdoelstelling ondergraven die ten grondslag ligt aan het justitiële beleid ten aanzien van de herstelbemiddeling, namelijk dat herstelbemiddeling ten goede dient te komen aan het slachtoffer. Een onvoorwaardelijk sepot is echter niet de enige modaliteit die in de praktijk wordt gehanteerd. Ook het voorwaardelijk sepot, het ter zitting vorderen van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het gebruik van art. 9a Sr worden toegepast ter afwikkeling van de strafzaak. Officieren van justitie en rechters zijn dan ook in de regel genegen rekening te houden met de uitkomsten van de herstelbemiddeling, conform art. 51h Sv.20
Een nadeel van herstelbemiddeling dat hierboven al werd genoemd ten aanzien van de voorwaarde van een bewijsbare zaak, is dat het afbreuk kan doen aan de snelheid van de afdoening. Herstelbemiddeling is een communicatief traject waartoe bereidheid moet bestaan bij de partijen en dat vervolgens op zorgvuldige wijze moet worden afgehandeld. Hoewel die ruimte tot op zekere hoogte aanwezig is binnen het buitengerechtelijk spoor en de ZSM-werkwijze,21 kan het zo zijn dat de uitkomsten van de herstelbemiddeling niet bekend zijn op het moment dat de afdoeningsbeslissing wordt genomen. Dat hoeft echter niet het einde van het verhaal te betekenen voor de herstelbemiddeling, want er zijn ‘correctiemogelijkheden’. Is namelijk tot dagvaarding besloten, dan zou een positieve uitkomst van de herstelbemiddeling aanleiding kunnen geven tot intrekking daarvan (art. 266 Sv), gevolgd door een kennisgeving niet verdere vervolging.22 Indien de dagvaarding reeds is uitgebracht en het te kort dag is om de dagvaarding nog in te trekken, kan het Openbaar Ministerie ook ter zitting de eigen niet-ontvankelijkheid vorderen.23
Indien vanwege het Openbaar Ministerie geen (rechts)gevolg wordt verbonden aan de geslaagde bemiddeling, althans niet wat betreft de vervolgingsbeslissing, zou de verdachte kunnen overwegen een verzoek tot beëindiging van de zaak te doen aan de rechter (art. 36 Sv). Het slachtoffer wordt daarover als rechtstreeks belanghebbende gehoord. Die bevoegdheid berust echter op een sanctionering van onvoldoende inspanningen van het Openbaar Ministerie om uitsluitsel te geven over de afdoeningsbeslissing, en niet op een mogelijk wenselijke correctie daarop in termen van doelmatigheid, of wellicht beter: opportuniteit, als gevolg van een geslaagde herstelbemiddeling. Bovendien betreft het een gerechtelijke, en geen buitengerechtelijke afdoening.
Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van de rechter om na het uitbrengen van de dagvaarding op grond van art. 262 lid 5 Sv een beschikking tot buitenvervolgingstelling uit te spreken in de context van de bezwaarschriftprocedure tegen de dagvaarding. De aanleiding daartoe zou dan zijn gelegen in de overweging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is omdat ‘een redelijk handelend officier’ gelet op de gunstige uitkomsten van de herstelbemiddeling niet tot vervolging zou zijn overgegaan. Gelet op het vervolgingsmonopolie, het opportuniteitsbeginsel en de marginale aard van de in de bezwaarschriftprocedure aan de orde zijnde toetsing zal de rechter zich hier echter zeer terughoudend opstellen. Het is dan ook de vraag of een gunstige afloop van de herstelbemiddeling tot een zo ingrijpende correctie aanleiding zal geven. Meer voor de hand liggend is in dat geval dat de zaak alsnog ter zitting wordt aangebracht, waarna de zittingsrechter in de straftoemeting rekening zal houden met de geslaagde herstelbemiddeling. Dat heeft echter wel een voor de verdachte bezwaarlijk effect, want de veroordeling leidt tot justitiële documentatie en kan problemen opleveren bij het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag. Dat laatste zou dus pleiten voor een eerdere ‘terugkeeroptie’ betreffende de vervolgingsbeslissing.24
Hier is de waarneming van Cleven e.a. relevant, waar zij de suggestie opwerpen dat er zou moeten worden nagedacht over de vraag of de rechter niet een bevoegdheid moet krijgen om de gedagvaarde zaak na een gunstig verlopen proces van herstelbemiddeling terug te wijzen naar het Openbaar Ministerie om de zaak alsnog buitengerechtelijk af te doen.25 Zij komen tot die gedachte omdat ze constateren dat er voor slachtoffers en verdachten verwarring ontstaat wanneer na een gunstig uit-onderhandeld en geëffectueerd bemiddelingsproces, alsnog een rechtszaak volgt. Hoewel Cleven e.a. het niet in deze bewoordingen formuleren, lijkt deze gang van zaken afbreuk te doen aan de opportuniteit van de afdoeningsbeslissing, althans zoals die door verdachte en slachtoffer wordt ervaren. Dat laat onverlet dat het algemeen belang in voorkomende gevallen tot dagvaarding aanleiding kan geven. Dat behoeft dan wel voldoende uitleg voorafgaande aan het in gang zetten van het proces van herstelbemiddeling.
Ook dan echter geldt dat de rechter van oordeel kan zijn dat de (verdere) vervolging niet opportuun is. Dat oordeel is weliswaar – behoudens uitzonderingsgevallen waarin de rechter meent dat een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op haar plaats is – niet aan de rechter, maar zal wel via de straftoemeting tot uitdrukking kunnen komen. We roepen hier ook het tijdselement in herinnering: herstelbemiddeling is immers een proces dat tijd kost. De op voorhand binnen het abstracte format van het strafvorderlijk discours ingenomen posities, met daarin gelegen verwijten en lezingen over het gebeurde, kunnen door bemiddelde communicatie veranderen en leiden tot overeenstemming over de uitleg van de feiten, het te maken verwijt en de daaruit voortvloeiende verplichting tot herstel.
We sluiten deze paragraaf af met een pragmatische overdenking. Want hoe we het ook wenden of keren, veel van wat we hier hebben betoogd staat of valt met de beschikbaarheid van voldoende middelen. Dat geldt voor de rechtsbijstand, maar ook voor de prestatieafspraken en daaraan verbonden instructies tussen de zittende magistratuur en het Openbaar Ministerie die er onder meer toe leiden dat dagvaardingen niet op korte termijn voor de zitting ‘mogen’ worden ingetrokken vanwege reeds geplande zittingscapaciteit. We volstaan op deze plaats in het betoog met de opmerking dat we ons bewust zijn van het belang van een haalbare financiering, maar we nemen de vrijheid ons daardoor niet van het onzes inziens juiste (buitengerechtelijke) spoor te laten brengen.