Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.2
10.2 De relatie tussen terugwerkende kracht en de eis van voorzienbaarheid
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197284:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5.
EHRM 12 mei 2015, nr, 36862/05 (Gogitidze and Others v. Georgia), par. 99: “the “lawfulness” requirement contained in Article [1] of Protocol No. 1 cannot normally be construed as preventing the legislature from controlling the use of property or otherwise interfering with pecuniary rights via new retrospective provisions regulating continuing factual situations or legal relations anew (…).”
EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95 (M.A. and 34 Others v. Finland).
Een vergelijkbare overweging komt voor in het arrest in de belastingzaak Huitson.
In latere rechtspraak is nog geregeld naar deze overweging verwezen, zodat mag worden aangenomen dat het tot de “vaste rechtspraak” behoort.
Ook Pauwels acht het juist dat er wordt overgegaan tot de proportionaliteitstoetsing Pauwels 2009, p. 418.
Een belangrijk aspect van het recht op ongestoord genot van eigendom is dat iedere inmenging door de staat in particulier eigendom moet zijn gebaseerd op een deugdelijke wettelijke grondslag (het vereiste van lawfulness). Dat houdt onder meer in dat burgers, desnoods met behulp van deskundigen, op basis van wet of jurisprudentie in staat moeten zijn om een accurate inschatting te maken van de fiscale verplichtingen verbonden aan voorgenomen handelingen.1 Dat vooronderstelt dat belastingheffing plaatsvindt op basis van een wettelijke grondslag die al bestond op het moment dat een fiscaal relevant feit zich voordeed. Juist die voorafgaande grondslag ontbreekt als belastingheffing wordt ingevoerd met terugwerkende kracht. Voor de hand ligt daarom de conclusie dat als belastende belastingwetgeving wordt ingevoerd met terugwerkende kracht, er per definitie geen geldige wettelijke grondslag is en daarmee dus een schending van artikel 1 Eerste Protocol.
Uit de rechtspraak van het EHRM komt evenwel een genuanceerder beeld naar voren. Volgens het EHRM staat het vereiste van “lawfulness” namelijk niet principieel in de weg aan terugwerkende kracht2, maar is dat veeleer een omstandigheid die moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of een fair balance bestaat tussen algemeen en particulier belang. In de belastingzaak M.A. and 34 Others v. Finland3 formuleerde het EHRM dit als volgt:4
“Nor does the fact that the legislation applied retroactively in the applicants’ case constitute per se a violation of Article 1 of Protocol No. 1, as retrospective tax legislation is not as such prohibited by that provision. The question to be answered is whether, in the applicants’ specific circumstances, the retrospective application of the law imposed an unreasonable burden on them and thereby failed to strike a fair balance between the various interests involved.”5
Artikel 1 Eerste Protocol omvat dus niet een absoluut verbod op eigendomsaantasting, met name belastingheffing terugwerkende kracht. Zoals ook blijkt uit de hieronder te bespreken rechtspraak van het EHRM, kunnen er goede en zwaarwegende redenen bestaan om belastende nieuwe regels met terugwerkende kracht te doen gelden. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin het voor burgers voorzienbaar is (te verwachten valt) dat de wetgever zal ingrijpen met terugwerkende kracht of zo’n ingreep zelfs aan zichzelf te wijten hebben. Door het te laten aankomen op de beoordeling van de fair balance, kan per geval worden beoordeeld of het belang dat de samenleving heeft bij ingrijpen met terugwerkende kracht dient te prevaleren boven de rechtszekerheid voor de getroffen burgers of bedrijven.6