Vgl. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2295, rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.3.
HR, 11-04-2025, nr. 24/01891
24/01891
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-04-2025
- Zaaknummer
24/01891
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:545, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑04‑2025; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑04‑2025
Uitspraak, Hoge Raad, 11‑04‑2025
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/658
Viditax (FutD) 2025041110
FutD 2025-0766
NTFR 2025/668 met annotatie van mr. D.N.N. Jansen
V-N 2025/18.18 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0853 met annotatie van Roel Kerckhoffs
JB 2025/105
Uitspraak 11‑04‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01891
Datum 11 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 maart 2024, nr. SGR 23/1853 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 september 2023. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank beroep ingesteld betreffende een aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking. Bij uitspraak van 22 september 2023 heeft de Rechtbank dat beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het voor de behandeling van dat beroep verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig is betaald.Bij de in cassatie bestreden uitspraak op verzet heeft de Rechtbank het tegen de uitspraak van 22 september 2023 gedane verzet ongegrond verklaard zonder belanghebbende te hebben gehoord. Volgens de uitspraak op verzet heeft belanghebbende niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
2.2
Het middel houdt onder meer in dat de Rechtbank niet tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende gedane verzet had mogen overgaan zonder haar daarover te horen.
2.3.1
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep mede ziet op de aan belanghebbende opgelegde boete. Dit brengt mee dat de Rechtbank, ook al had belanghebbende niet verzocht om op een zitting te worden gehoord, had moeten onderzoeken of het vereiste van een behoorlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM aanleiding gaf belanghebbende ambtshalve in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord naar aanleiding van haar verzet.1.
2.3.2
Uit de uitspraak op verzet blijkt niet dat de Rechtbank heeft onderkend dat een boete in geding was, zodat reeds hierom niet kan worden aangenomen dat de Rechtbank het hiervoor in 2.3.1 bedoelde onderzoek heeft verricht bij haar kennelijke beslissing om belanghebbende niet uit te nodigen om op een zitting over het verzet te worden gehoord. Evenmin heeft de Rechtbank in de bestreden uitspraak vastgesteld dat belanghebbende uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om over het verzet te worden gehoord. De kennelijke beslissing van de Rechtbank om belanghebbende niet uit te nodigen om op een zitting over het verzet te worden gehoord, berust dus ofwel op een onjuiste rechtsopvatting ofwel behoefde nadere motivering, die ontbreekt. Het middel slaagt in zoverre.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Terugwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- wijst het geding terug naar de Rechtbank Den Haag ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 559 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑04‑2025
Beroepschrift 11‑04‑2025
Beroepsschrift in cassatie
Aan de Hoge Raad der Nederlanden t.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Betreft: cassatieberoep tegen de uitspraak van het gerechtshof Rechtbank Den Haag Bestuursrecht van 4 april 2024 zaaknummer SGR 23 /1853 VPB V336
[X] B.V. gemachtigde enige vennoot [A],
Edelhoogachtbare heer,
Inleiding
Uitgangspunt zijn de feiten zoals gesteld door het hof (rechtbank Den Haag)onder het kopje feiten in de uitspraak. Vervolgens wordt een omschrijving van het geschil gegeven, het standpunt van de belanghebbende, het standpunt van de inspecteur, de beslissing van het hof (Rechtbank Den Haag). Tot slot wordt beschreven tegen welke beslissing het cassatieberoep zich richt.
Nieuwe feiten kunnen in cassatie niet meer naar voren worden gebracht. Ook moeten feitelijke stellingen van de inspecteur worden weersproken.
Formaliteiten
[X] B.V. rechtmatig gemachtigd door enig aandeelhouder [A]
Rechtbank Den Haag Bestuursrecht
Team Belastingrecht Blok 1
VPB zaaknummer SGR 23 /1853 VPB V336
Belastingjaar 2020
Cassatiemiddel
Hieronder wordt aangegeven dat en waarom de uitspraak onjuist is.
Er heeft geen. Hoor- wederhoor plaatsgevonden en er is geen gelegenheid gegeven om alsnog de bedoelde kosten te voldoen. De niet ontvankelijk verklaring is onrechtmatig toegekend zonder dat er gekeken is naar persoonlijke feiten en omstandigheden.
Conclusie
Hierbij wordt aangegeven dat de uitspraak onjuist is met het verzoek deze te vernietigen met veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.
Hoogachtend,
Uitspraak 11‑04‑2025
Mr. K.G. Scholten
Partij(en)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2024 op het verzet van
[X] B.V., te [Z], opposante
tegen de uitspraak van de rechtbank in haar zaak tegen
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Opposante heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 3 februari 2023 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 22 september 2023 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1.
Dé rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet of niet-tijdig is betaald.
2.
In deze verzetzaak is op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht de zaak niet op een zitting heeft behandeld. De rechtbank kan het beroep pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is.
3.
Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er geen aangetekende brief van 9 mei 2023 is ontvangen waarmee kenbaar is gemaakt dat griffierecht moest worden betaald.
4.
De verzetsrechter overweegt dat bij aangetekende brief van 7 april 2023 opposante eraan is herinnerd dat het griffierecht nog niet is betaald. Deze herinnering is op 13 april 2023 bezorgd. Voor ontvangst van de herinnering is getekend door [A] en de handtekening vertoont sterke gelijkenis met de handtekening die onder het beroepschrift is gezet. De stelling van opposante dal zij geen aangetekende brief ten aanzien van het griffierecht zou hebben ontvangen, wordt derhalve niet gevolgd.
5.
Uit wat opposante heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten], rechter, in aanwezigheid van F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2024.
griffier
rechter