Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.7.1
4.7.1 Functionele en persoonlijke onafhankelijkheid
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493438:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
www.rechtspraak.nl, > ‘recht in Nederland’, > ‘Hoe werkt het recht’, > De Nederlandse rechtsstaat’. Datum raadpleging: 30 december 2012.
De rechtspositionele of persoonlijke onafhankelijk van de rechter is geregeld in art. 117 GW: leden van de rechtelijke macht worden voor het leven benoemd en kunnen slechts door een tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen. Dit betekent dat de regering zich niet langs deze weg van een haar onwelgevallige rechter kan ontdoen.
Kortmann 2008, p. 256-363. Bovend'Eert spreekt in dit verband over ‘borging van de beslissingsvrijheid’: Bovend'Eert 2007, p. 30.
Het vereiste van met name de individuele functionele onafhankelijkheid van de rechter wordt in de doctrine, waaronder ook door Snijders, breed gedragen. Het gaat hierbij om een ‘eis van het recht’. Zie Snijders 2001, p. 23-24.
Zie gelijkluidend: Mak 2007, p. 221.
De Groot-van Leeuwen 2007, p. 79.
Mak 2007, p. 222
Ingelse 2010. Een te veel hameren op rechtseenheid brengt het risico van centralisatie met zich, aldus de auteur.
Rueb 2011, p. 11 (onder verwijzing naar Teuben 2004 en Ingelse 2010).
Dijksterhuis 2008b, p. 61.
Terlouw 2008, p. 64.
Deze auteurs benoemen de problematiek vanuit een rechtssociologisch perspectief: in een organisatie waarin rechterlijke onafhankelijkheid als een groot goed wordt gekoesterd, zijn de mogelijkheden om rechtseenheid te bereiken niet onbeperkt. Huls & Schellekens 2008, p. 116-117.
‘Rechters zijn onafhankelijk. Niemand mag ze vertellen wat voor uitspraken ze moeten doen. Niemand mag ze ter verantwoording roepen of zomaar ontslaan. Rechters moeten zich natuurlijk wel houden aan de wet.’
Dit is een bondige weergave van de positie van de rechter in het kader van uitleg over De Nederlandse rechtsstaat, die is te lezen op rechtspraak.nl.1
De functionele onafhankelijkheid (in de literatuur ook wel zakelijke onafhankelijkheid genoemd) van de rechter is in het Nederlandse staatsrecht niet met zoveel woorden vastgelegd. Kortmann vermeldt dat deze, vanuit rechtstatelijk perspectief gezien belangrijkste vorm van onafhankelijkheid, (ten opzichte van de rechtspositionele, persoonlijke onafhankelijkheid: MM)2 voortkomt uit de Trias-conceptie en de afwezigheid van een wettelijk geregelde bevelsrelatie tussen de rechterlijke ambten enerzijds en de andere overheidsambten anderzijds.3 De Wet RO bevat enige bepalingen die beogen de functionele onafhankelijkheid te waarborgen. Zo dienen het gerechtsbestuur, de Raad voor de rechtspraak en de Minister van Justitie bij het geven van aanwijzingen niet te treden in de – kort gezegd – behandeling, inhoudelijk beoordeling en beslissing in concrete zaken (artikel 23 en artikel 24 lid 2 RO en artikel 93 lid 4 jo. 109 en artikel 96 RO). Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat bestuurlijke en beheersambten binnen de rechterlijke organisatie zich bemoeien met de rechtspraak in eigenlijke zin. Ook artikel 6 EVRM kent vereisten die worden gesteld aan de nationale rechterlijke functie. Rechtspraak dient onafhankelijk en onpartijdig te zijn door een ambt dat bij wet is ingesteld.4Artikel 14 IVBPR kent een soortgelijk voorschrift.
De functionele onafhankelijkheid betekent overigens ook weer niet dat rechters geheel vrij zijn in beslissingen in een individuele zaak. De rechter zal zich moeten laten leiden door de wet en het principe dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld (rechtseenheid). Een gevolg hiervan is dat, indien een vaste lijn van vaste jurisprudentie bestaat, de rechter deze lijn dient te volgen behoudens bijzondere omstandigheden die tot een andersluidend oordeel leiden, dat wordt gemotiveerd.5
De Groot-van Leeuwen noemt het hanteren van gemeenschappelijk geformuleerde beleidslijnen als gevaar voor het onafhankelijk oordeel van de rechter, met als risico het verlies van vertrouwen in de rechtspraak.6 Mak acht de bestaande constructies ter vergroting van de rechtseenheid in algemene zin problematisch vanuit het klassiekrechtsstatelijk perspectief van de functionele onafhankelijkheid. Alhoewel de individuele rechter in concrete gevallen de vrijheid heeft om af te wijken van afspraken in het kader van de bevordering van de rechtseenheid brengen zij een beperking van de autonomie van de rechter mee.7
Ingelse stelt dat in een discussie over de persoon van de rechter, in het kader van de onafhankelijkheid, de nadruk op autonomie van de rechter zou moeten liggen, waarvoor professionele ruimte vereist is. Naarmate het bestuur deze ruimte inperkt, ofwel centralisatie en bureaucratisering meer ingrijpen in de berechting van individuele zaken, wordt de beoordeling minder persoonlijk en minder onafhankelijk, en komt het gezag van de rechtspraak in gevaar. Het gaat, aldus deze auteur, niet aan dat de Raad voor de rechtspraak, gerechtsbestuur of (landelijk) sectoroverleg (zoals het LOVCK: MM) de rechter tracht te sturen daar waar de wetgever ervoor heeft gekozen de rechter op enig onderwerp vrij te laten. Opdringen of voorschrijven door leidinggevenden kan in de ogen van Ingelse ‘hoe dan ook niet’.8 Ook Rueb9 vermeldt dat het verschijnsel rechtersregeling vragen doet rijzen inzake de onafhankelijkheid van de rechter in de verhouding tussen rechter en wetgever.
In geheel andere zin legt ook Dijksterhuis een verband tussen (on)afhankelijkheid en de bevordering van rechtseenheidsvoorzieningen. Deze auteur meent dat, als gevolg van de omstandigheid dat een moderne rechter in de huidige moderne rechterlijke organisatie in een landelijk netwerk opereert, wederzijdse afhankelijkheid belangrijker is dan individuele onafhankelijkheid van de rechter: rechters zijn wederzijds van elkaar afhankelijk om landelijke uniformiteit te bevorderen.10 Met deze stelling is Terlouw het overigens ‘hartgrondig oneens’: volgens deze auteur dient de rechter zich teweer te stellen tegen wederzijdse afhankelijkheid omdat een van zijn belangrijkste eigenschappen nu juist hoort te zijn dat hij in onafhankelijkheid tot zijn oordeel komt.11
Tussen de rechterlijke onafhankelijkheid en het streven naar rechtseenheid blijkt, zeker in de visie van de doctrine, dus een zeker spanningsveld te bestaan: Huls & Schellekens vatten de problematiek helder samen als ‘het dilemma van variëteit of eenheid’.12