Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.2.3.4
3.2.3.4 Werking van art. 6 EVRM,• recht op toegang
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS508464:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook SNUDERS, preadvies, no. 2.23.
Zie (omtrent deze horizontale werking) L.F.M. VERHEY, De horizontale werking van het EVRM in A.W. HERINGA c.s. (red.), 40 jaar Europees Verdrag voor de rechten van de mens, Leiden 1990, blz. 19 e.v., VERHEY (diss.), blz. 126-128, E.A. ALKEMA, Hand. NJ V, 1995-1, blz. 115 e.v. (i.h.b. blz. 119-122) en Smrrs, no. 1.2.2.
Zie 1-11( 29 juni 1990 (Trakzel/Gem. Amsterdam), NJ 1991, 337, m.nt. EAA: '(...). Art. 6 eerste lid legt een verplichting op de verdragsstaten. Deze verplichting geldt wel tegenover elk van degenen wier burgerlijke rechten en verplichtingen inzet zijn van een burgerlijk geding (...) maar laat hun onderlinge rechtsverhouding onberoerd. (...).'; vgl. ook ALKEMA (diss.), blz. 78, VERHEY (diss.), blz. 126-128 en SMITS, no. 1.2.2.
Niet in alle gevallen waarin het een schending van het recht op toegang betreft, moeten alle nationale rechtsmiddelen ingevolge art. 26 EVRM worden uitgeput vooraleer men zich tot het Europese Hof kan wenden; in EHRM 9 oktober 1979 (Airey/Jerland), NJ 1980, 376, m.nt. EAA wordt het beroep op art. 26 EVRM terzijde gesteld op de grond dat de desbetreffende partij wegens gebrek aan gefinancierde rechtsbijstand het recht op toegang tot de rechter was ontzegd; bij arbitrage ligt dit mijns inziens anders en zal men voor de vraag of het recht op toegang is geschonden in beginsel wel eerst de nationale rechtsmiddelen moeten uitputten (zie ook ECRM 4 maart 1987 (R/Zwitserland), D & R, volume 51, blz. 101).
Wij hebben gezien dat met de totstandkoming van een overeenkomst tot arbitrage volgens de regels van het toepasselijk verbintenissen- en procesrecht, partijen nog niet eo ipso voldoen aan de voorwaarden die gelden voor afstand van "het recht op toegang" van art. 6 EVRM.1 Art. 6 EVRM kent — anders dan bij art. 17 Grondwet — ingevolge de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens wel degelijk eigen voorwaarden waaraan afstand van het recht op toegang tot de rechter moet voldoen (zie 3.2.2.1 en 3.2.3.3).
Ofschoon art. 6 EVRM ingevolge art. 93 en 94 Grondwet interne en rechtstreekse werking heeft, werkt art. 6 EVRM, in elk geval vanuit het perspectief van het Hof in Straatsburg, niet rechtstreeks in horizontale verhoudingen.2 Art. 6 EVRM is slechts gericht tot de verdragsstaten en hun organen (bijvoorbeeld rechters).
Met het vorenstaande is overigens niet uitgesloten dat verdragsrechten op nationaal niveau (bijvoorbeeld via de rechtspraak van de nationale rechter) horizontale werking wordt toegekend. In Nederland is bij de Grondwetsherziening van 1983 aanvaard dat derdenwerking van grondrechten in beginsel niet is uitgesloten; per grondrecht moet worden bezien of, en in welke mate, het derdenwerking toekomt (zie ook 3.2.2.2).3 Aangenomen wordt dat art. 6 EVRM ook op nationaal niveau niet rechtstreeks in horizontale verhoudingen werkt.4 Wij zullen zien dat art. 6 EVRM, als het om arbitrage gaat, in sterke mate indirect horizontale werking toekomt.
Een scheidsgerecht, een collectief van privé-personen dat geen orgaan van de Staat vormt, is daarom niet rechtstreeks aan art. 6 EVRM gebonden. Zulks betekent dat uiteindelijk bij het Europese Hof in Straatsburg niet erover kan worden geklaagd dat het scheidsgerecht in strijd met art. 6 EVRM heeft gehandeld.5
Wel kan jegens de gewone rechter, als orgaan van de Staat, op het recht op toegang ex art. 6 EVRM een beroep worden gedaan.6 Dit beroep op art. 6 EVRM is bijvoorbeeld mogelijk als een partij zich bij de gewone rechter beroept op het bestaan of ontbreken van een arbitrageovereenkomst, bijvoorbeeld als een geschil ondanks de overeenkomst tot arbitrage aan de gewone rechter wordt voorgelegd of als vernietiging van een arbitraal vonnis wordt gevorderd dan wel verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht (zie 11.5-6). De gewone rechter zal bij de vraag of partijen met hun overeenkomst tot arbitrage rechtsgeldig afstand van het recht op toegang hebben gedaan, dit recht zelf moeten waarborgen en daarbij volledig aan art. 6 EVRM moeten toetsen, ongeacht enige beslissing van het scheidsgerecht dienaangaande (zie 11.4.1). Als de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, kan wel bij het Europese Hof erover worden geklaagd dat de gewone rechter art. 6 EVRM heeft geschonden (art. 44 EVRM).7
Het vorenstaande brengt met zich dat art. 6 EVRM in arbitrage wel indirect horizontale werking toekomt, in die zin dat een partij, met een beroep op het recht op toegang ex art. 6 EVRM jegens het scheidsgerecht, de toepassing van art. 6 EVRM ook in arbitrage kan afdwingen. Omdat de gewone rechter uiteindelijk mag beslissen of partijen met hun overeenkomst tot arbitrage rechtsgeldig van het recht op toegang afstand hebben gedaan, zal het scheidsgerecht, wil het zijn vonnis niet aan vernietiging blootstellen, anticiperen op de toepassing van art. 6 EVRM bij de gewone rechter.