Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/5.3
5.3 De opzet van de Sociale Raad
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248587:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Geamendeerd raadsbesluit 2015-028 (Notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas), vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015.
Notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015, p. 1.
Notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015, p. 4.
Zie voor de gegevens in deze alinea: notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015.
Zie voor de gegevens in deze alinea: notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015.
Zie voor de gegevens in deze alinea: notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015.
Notitie uitwerking en uitvoering Sociale Raad Peel en Maas, vastgesteld in de raadsvergadering van 14 april 2015.
De gemeenteraad van Peel en Maas stelde op 14 april 2015 de notitie ‘Uitwerking en Uitvoering Sociale Raad Peel en Maas’ vast, waarin de ideeën van Van Reybrouck duidelijk te herkennen zijn.1 Volgens de notitie moest de Sociale Raad meer doen dan samenspraak met burgers organiseren of agendering van voorstellen mogelijk te maken. Middels de Sociale Raad moesten burgers daadwerkelijk bij besluitvorming betrokken worden, een ontwikkeling die onvermijdelijk werd genoemd.2 Wat precies met ‘daadwerkelijk bij de besluitvorming betrekken’ bedoeld werd, blijkt niet expliciet uit de notitie. Er werden in ieder geval geen bevoegdheden gedelegeerd aan de burgerraad.
De Sociale Raad zou bestaan uit 50 gelote deelnemers die elk voor één bijeenkomst deel mochten nemen aan de besluitvorming. Iedere bijeenkomst kende daardoor een compleet nieuwe samenstelling, wat ervoor moest zorgen dat de Sociale Raad een ‘roulerende dwarsdoorsnede van de inwoners van Peel en Maas’ zou zijn. Deelnemers werden geloot onder kiesgerechtigden uit de Gemeentelijke Basisadministratie, waarbij rekening gehouden werd met vertegenwoordiging uit alle kernen. Geheel willekeurig vond de loting dus niet plaats. Dit betekent dat de Sociale Raad in feite ook een vorm van vertegenwoordiging kende. Deelnemers werden niet geacht bepaalde belangen te vertegenwoordigen zoals dat het geval is bij raadsleden, maar hun selectie geschiedde wel deels op basis van hun achtergrond. Impliciet werden zij geacht deze achtergrond te vertegenwoordigen, zonder dat zij expliciet met een bepaald mandaat werden afgevaardigd.
Het was de bedoeling om de Sociale Raad twee keer per jaar op vaste data een bijeenkomst te laten organiseren; één in oktober en één in april of mei. Deze data waren uitgekozen met het oog op de agenda van de gemeenteraad. De bijeenkomst in oktober zou voorafgaan aan het vaststellen van de begroting door de raad en de bijeenkomst in april of mei aan het vaststellen van de voorjaarsnota. Met de keuze voor deze data hoopte men de oordelen van de Sociale Raad makkelijker in het gemeentelijke beleid te incorporeren. De vraagstukken waarover de Sociale Raad een oordeel mocht vellen, werden aangereikt door de gemeenteraad. In de notitie was daarover opgenomen dat ze betrekking moesten hebben op het sociale domein en dat ze in ieder geval konden zien op ‘kwaliteit van dienstverlening, toegankelijkheid van voorzieningen, vraagstukken van maatwerk en/of collectiviteit [en] gelijkheid versus ongelijkheid’.3 Het oordeel zelf moest door de Sociale Raad geformuleerd worden in de vorm van uitvoerbare aanbevelingen aan de raad en moest de grootste gemene deler reflecteren van de mening van de deelnemers. Het werd aan de deelnemers van de burgerraad overgelaten om te bepalen hoe die grootste gemene deler zou worden vastgesteld. Tegelijkertijd maakte de notitie op verschillende plaatsen melding van een stemming die aan het einde van de bijeenkomst moet plaatsvinden over de ingediende voorstellen.4
Om te zorgen dat deelnemers daadwerkelijk zouden delibereren met elkaar en een onderbouwde mening over het voorgelegde vraagstuk konden geven, was voldoende kennis en een goede informatievoorziening van groot belang. Elke bijeenkomst werd daarom voorafgegaan door twee informatiebijeenkomsten. Tijdens de eerste, ook voor niet-ingelote burgers toegankelijke, bijeenkomst werd uitleg gegeven over loting en de werkwijze van de Sociale Raad. Tijdens de tweede, besloten, bijeenkomst kregen ingelote burgers inhoudelijke toelichting op het voorliggende vraagstuk. In de notitie werd daarnaast bepaald dat de deelnemers van de Sociale Raad de beschikking zouden krijgen over alle overige benodigde informatie om tot een onderbouwd oordeel te kunnen komen. Het is onduidelijk of dit ook betekende dat deelnemers bijvoorbeeld toegang konden krijgen tot niet-openbare informatie die bij de overheid berust.5
De bijeenkomsten zelf kenden de volgende opzet. De duur werd zoals gezegd vastgesteld op een ochtend en een middag. De dag werd afgetrapt met een inleiding door één of meerdere experts. Vervolgens moesten de deelnemers in kleine groepen werken aan voorstellen onder leiding van gespreksleiders. Het was daarbij de bedoeling dat er sprake zou zijn van een dialoog waarin argumenten worden uitgewisseld en waarin er respectvol naar elkaar geluisterd zou worden. Daarna werd in de middag tijdens een plenaire sessie het oordeel geformuleerd over alle ingediende voorstellen. De dag werd ten slotte afgesloten met een terugblik en reflectiemoment. Burgers die niet waren ingeloot zouden de gang van zaken online via een streamingdienst kunnen volgen. Het ging daarbij echter vooral om sfeerimpressies van de bijeenkomst aangezien er geen gerichte opnamen van de gesprekken aan de tafels van de verschillende groepjes werden gemaakt. Na afloop van de bijeenkomst werd het oordeel van de Sociale Raad samen met een verslag van de bijeenkomst aangeboden aan de gemeenteraad, die het binnen vijf weken na ontvangst in de raadsvergadering moest behandelen. De reactie van de raad op het oordeel moest volgens de notitie gemotiveerd zijn. Ten aanzien van de vraag of de Sociale Raad zijn oordeel moet onderbouwen, is de notitie tegenstrijdig.6
Noemenswaardig is ten slotte dat in de notitie een aantal keren impliciet en expliciet de verhouding tussen de gemeenteraad en de Sociale Raad aan bod komt. De gemeenteraad heeft per raadsbesluit het experiment in het leven geroepen, maar in de notitie wordt benadrukt dat de Sociale Raad een onafhankelijk instrument is dat volledig los staat van de raad, het college, en de daaraan verbonden functionarissen en ambtelijke organisatie. Op dit punt is de notitie wederom tegenstrijdig aangezien ook aangegeven wordt dat het ambtelijk apparaat de Sociale Raad van de benodigde informatie voorziet. De volledige onafhankelijkheid lijkt daarmee meer een wens of een intentie te zijn geweest dan werkelijkheid. Met betrekking tot enige verantwoording werd in ieder geval een dubbele standaard gehanteerd. In de startnotitie wordt namelijk expliciet vermeld dat wanneer de fracties van de gemeenteraad met de rapportage aan de slag gaan, deelnemers van de Sociale Raad niet het gevoel moeten krijgen zich te moeten verantwoorden in de gemeenteraad. Vanuit het idee dat de Sociale Raad naast de gemeenteraad komt te staan is dat te verklaren, maar het betekende tegelijkertijd dat de Sociale Raad geen verantwoording zou afleggen aan de raad over de gemaakte keuzes.7
De gemeenteraad ging het experiment met de Sociale Raad in beginsel voor drie jaar aan. In eerste instantie was het de bedoeling dat de raad op 14 april 2015 zonder voorbehouden met het bovenstaande zou instemmen en dat er financiering voor de eerste twee bijeenkomsten zou worden toegezegd. Tijdens de vergadering werd echter unaniem een amendement aangenomen waarin was bepaald dat er binnen drie maanden na de vergadering criteria door de raadswerkgroep moesten worden geformuleerd om monitoring van het experiment mogelijk te maken. Daarnaast bepaalde het amendement dat na de eerste twee bijeenkomsten een evaluatiemoment zou komen. Na evaluatie van deze bijeenkomsten zou de raad besluiten over de financiering van het vervolgtraject.