Parketnummer 20-002403-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2024:3069.
HR, 03-02-2026, nr. 24/02196
ECLI:NL:HR:2026:168
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
24/02196
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:168, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:3069
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1278
ECLI:NL:PHR:2025:1278, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:168
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0035
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg door overbuurman een klap in zijn gezicht te geven, waardoor deze kaakfractuur oploopt (art. 300.2 Sr). Bewijsklacht zwaar lichamelijk letsel. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat mishandeling “een kaakfractuur ten gevolge heeft gehad”? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Bewezenverklaring steunt o.m. op schriftelijk bescheid, bevattende medische informatie betreffende slachtoffer. In dit bescheid, opgemaakt door arts naar aanleiding van onderzoek 1 dag na mishandeling, wordt melding gemaakt van (kennelijk eerder uitgevoerde) “uitgebreide onderkaakreconstructie met schouderbot”. Verder wordt vermeld dat geen blijvend letsel is geconstateerd. Uit overige gebruikte bewijsmiddelen kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in vorm van kaakfractuur. Daarmee is bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02196
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 mei 2024, nummer 20-002403-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat van de [benadeelde] heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de mishandeling door de verdachte “een kaakfractuur ten gevolge heeft gehad”, niet uit de gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Slagende klacht dat 'zwaar lichamelijk letsel' niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02196
Zitting 25 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 24 mei 20241.het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2023, waarbij de verdachte wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, bevestigd met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en heeft in zoverre opnieuw recht gedaan.
1.2
Namens de verdachte heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft M.C. Bolkenbaas, advocaat in ’s-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de bewezenverklaarde mishandeling zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur ten gevolge heeft gehad.
2.2
Ten laste van de verdachte is door de politierechter bewezenverklaard dat hij:
“op 4 mei 2022 te [plaats] . [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur ten gevolge heeft gehad.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende (opgesomde) bewijsmiddelen:
“- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p.3-4);
- een medische informatie betreffende [slachtoffer] (p.6):
- een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p.7-8):
- een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [verdachte] (p.15-17).”
2.4
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.2.
2.5
De bewezenverklaring steunt onder meer op een schriftelijk bescheid, bevattende medische informatie betreffende [slachtoffer] . In dit bescheid, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt en dat is opgemaakt door een arts naar aanleiding van een onderzoek één dag na de mishandeling, wordt melding gemaakt van een (kennelijk eerder uitgevoerde) ‘uitgebreide onderkaakreconstructie met schouderbot’. Verder wordt vermeld dat geen blijvend letsel is geconstateerd. Uit de overige gebruikte bewijsmiddelen kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een kaakfractuur. Daarmee is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
2.6
Het middel slaagt.
3. Het tweede en derde middel
Nu het eerste middel slaagt, hetgeen zal dienen te leiden tot terugwijzing van de zaak naar het hof, behoeven het tweede en derde middel geen bespreking.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel behoeven daarmee geen bespreking.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 6 juli 2023. Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM worden overschreden. Dit kan bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑11‑2025
Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200 m.nt. H.D. Wolswijk, r.o. 2.4 en 2.6.