NJB 2025/485:Verdedigingsvereiste bij noodweer en noodweerexces, art. 41 Sr: een beroep op noodweer kan niet slagen wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen. In casu heeft het hof de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer onderscheiden in een deel dat voorafging aan de vluchtpoging van het slachtoffer en een deel dat daarop volgde. Wat betreft het eerste deel is ’s hofs oordeel dat geen sprake was van verdediging niet zonder meer begrijpelijk. Daartoe telt dat de stekende en zwaaiende bewegingen met een mes door de verdachte in de richting van het slachtoffer, direct volgden op de harde klap van het slachtoffer met een boksbeugel tegen het hoofd van de verdachte en dat deze verder plaatsvonden in een situatie van door hen beiden over en weer gepleegde geweldshandelingen. Wat betreft het tweede deel van de confrontatie kon het hof wel oordelen dat geen sprake was van verdedigingsgedragingen tegen het slachtoffer dat inmiddels had proberen te vluchten.