HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15; HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:727, rov. 2.5; HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:648, rov. 2.3.
HR, 10-03-2026, nr. 25/00328
ECLI:NL:HR:2026:337
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
25/00328
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:337, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1381
ECLI:NL:PHR:2025:1381, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:337
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0080
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en anderen op woningen, perceel bouwgrond, auto, effectenportefeuilles, bankrekeningen en vordering in Luxemburg, Zwitserland en België t.l.v. anderen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Derdenbeslag. Heeft Rb (economische raadkamer) door te overwegen dat zij het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat strafrechter verplichting tot betaling van geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, juiste maatstaf toegepast? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2144 m.b.t. te hanteren maatstaf als ex art. 94a Sv beslag rust op voorwerp en een derde in beklagprocedure ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt. Uit overwegingen Rb blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd bij beoordeling van klaagschrift. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00332 B, 25/00333 B, 25/00334 B en 25/00335 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00328 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028274, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
gevestigd in [plaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van de gelegde beslagen voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“De ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat ten laste van klagers beslag is gelegd. Dat betekent dat zij als belanghebbenden worden aangemerkt.
Een van de vragen die de rechtbank in het kader van de ontvankelijkheidsvraag dient te beantwoorden is of er in onderhavig geval sprake is van een ingestelde vervolging in de zin van artikel 552a Sv. (...)
De rechtbank maakt daarbij onderscheid tussen klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] . enerzijds, en [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] op hierna uiteen te zetten gronden.
(...)
Voor de klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Deze rechtspersonen zijn op dit moment niet als verdachte aangemerkt. In openbare raadkamer heeft klager [medeklager 1] desgevraagd een toelichting gegeven met betrekking tot zijn betrokkenheid bij deze bedrijven. Klager [medeklager 1] heeft verklaard ‘Ultimate Beneficial Owner’ (UBO) te zijn van al deze bedrijven. Hij is 100% aandeelhouder van [klaagster] , waar [medeklager 4] een 100% dochtervennootschap van is. [medeklager 5] is weer een 100% dochtervennootschap van [medeklager 4] . Daarnaast is klager [medeklager 1] (enig) aandeelhouder en bestuurder van [medeklager 6]
De rechtbank constateert dan ook dat klager [medeklager 1] ten aanzien van alle niet verdachte vennootschappen in elk geval vanuit deze verhoudingen en de getrapte structuur onmiddellijk dan wel middellijk een sleutelrol heeft met betrekking tot het dagelijks bestuur van de vennootschappen. Dat onder deze entiteiten in Luxemburg, Malta en België beslagen zijn gelegd hangt ontegenzeglijk samen met het tegen [medeklager 1] ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de stelling van het Openbaar Ministerie in het verweerschrift van 7 april 2024 dat klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] nog aangemerkt kunnen worden als verdachte als er gelet op voornoemd lopend strafrechtelijk financieel onderzoek een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van deze vennootschappen blijkt te zijn.
Nu geen sprake is van een ingestelde vervolging zou de ontvankelijkheid van het beklag van deze klagers beoordeeld moeten worden langs de maatstaf van artikel 552a, vierde lid Sv, derhalve ‘zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2 jaar na inbeslagneming’. De rechtbank stelt vast dat enkel het beklag van [medeklager 5] met betrekking tot het onder Goldman Sachs gelegde beslag tijdig zou zijn, want binnen 2 jaar na beslagdatum 3 januari 2022.
Nu er een grote onderlinge samenhang bestaat tussen de onder alle klagers gelegde beslagen, gelet op de achterliggende eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen, het beklag van [medeklager 5] deels op tijd is, en de mogelijkheid reëel is dat klagers alsnog tot verdachte bestempeld en vervolgd zullen worden zal de rechtbank mede om redenen van proceseconomie aan voorgaand aspect voorbijzien en ook het beklag van [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] beoordelen langs de ten aanzien van klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] aangelegde maatstaf van artikel 552a, derde lid Sv, en hun beklag ontvankelijk achten.
Klagers zijn derhalve allen ontvankelijk in het ingediende beklag.
Inhoudelijke beoordeling
Er is sprake van conservatoir beslag uit hoofde van artikel 94a Sv. Teneinde rechtsgeldig conservatoir beslag te leggen dient te worden voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde, namelijk dat sprake is van enige verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten aanzien van klagers is er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aan de hiervoor genoemde voorwaarde is dus voldaan.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarbij heeft het onderzoek een summier karakter. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is ontstaan bij klagers en is voornemens een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. In de visie van het Openbaar Ministerie is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijner tijd door de strafrechter een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klagers hebben op dit punt geen verweer gevoerd.
Gelet op de op dit moment beschikbare informatie acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag
(...)
Jegens klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. Dit kan eveneens het geval zijn voor de niet verdachte klagers.
(...)
Gelet op al wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. (Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.)
2.4
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel is gegrond.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede tot en met het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag (art. 552a Sv), beslag ex art. 94a Sv. Verzuim de maatstaf toe te passen die geldt voor conservatoir beslag onder een andere dan de verdachte. Geen vereenzelviging verdachte en rechtspersoon. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333, 25/00334 en 25/00335.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00328 B
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/028274) heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het beklag strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333, 25/00334 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
2. De procedure
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 1] (25/00330), [medeklager 2] (25/00335) en [medeklager 3] . (25/00322), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is (met name) in juni 2021 conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een vakantiehuis, een perceel bouwgrond, een tweetal voertuigen, zestien effectenportefeuilles, vijftien bankrekeningen en een vordering op een vennootschap. Op deze voorwerpen is mede beslag gelegd onder de rechtspersonen [klaagster] (de klaagster), [medeklager 4] (25/00333), [medeklager 5] (25/00336) en [medeklager 6] (25/00334). Deze voorwerpen bevinden zich in Luxemburg , Zwitserland en België, alwaar [medeklager 1] en [medeklager 2] sinds 2013 woonachtig zijn.
2.3
Ten aanzien van de klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] is op 24 november 2020 door de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant een machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. Voor de klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek.
2.4
Namens de klaagster is, na zich eerder herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 10 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op meer dan 46 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank ter beoordeling van het klaagschrift van de klager een onjuiste toets heeft aangelegd.
3.2
De beschikking van de rechtbank houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang in:
“De ontvankelijkheid.
(…)
Voor de klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Deze rechtspersonen zijn op dit moment niet als verdachte aangemerkt. In openbare raadkamer heeft klager [medeklager 1] desgevraagd een toelichting gegeven met betrekking tot zijn betrokkenheid tot deze bedrijven. Klager [medeklager 1] heeft verklaard ‘Ultimate Beneficial Owner’ (UBO) te zijn van al deze bedrijven. Hij is 100% aandeelhouder van [klaagster] , waar [medeklager 4] een 100% dochtervennootschap van is. [medeklager 5] is weer een 100% dochtervennootschap van [medeklager 4] Daarnaast is klager [medeklager 1] (enig) aandeelhouder en bestuurder van [medeklager 6]
De rechtbank constateert dan ook dat klager [medeklager 1] ten aanzien van alle niet verdachte vennootschappen in elk geval vanuit deze verhoudingen en de getrapte structuur onmiddellijk dan wel middellijk een sleutelrol heeft met betrekking tot het dagelijks bestuur van de vennootschappen. Dat onder deze entiteiten in Luxemburg , Malta en België beslagen zijn gelegd hangt ontegenzeglijk samen met het tegen [medeklager 1] ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de stelling van het Openbaar Ministerie in het verweerschrift van 7 april 2024 dat klagers [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] nog aangemerkt kunnen worden als verdachte als er gelet op voornoemd lopend strafrechtelijk financieel onderzoek een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van deze vennootschappen blijkt te zijn.
Nu geen sprake is van een ingestelde vervolging zou de ontvankelijkheid van het beklag van deze klagers beoordeeld moeten worden langs de maatstaf van artikel 552a, vierde lid Sv, derhalve ‘zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2 jaar na inbeslagneming’. De rechtbank stelt vast dat enkel het beklag van [medeklager 5] met betrekking tot het onder Goldman Sachs gelegde beslag tijdig zou zijn, want binnen 2 jaar na beslagdatum 3 januari 2022.
Nu er een grote onderlinge samenhang bestaat tussen de onder alle klagers gelegde beslagen, gelet op de achterliggende eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen, het beklag van [medeklager 5] deels op tijd is, en de mogelijkheid reëel is dat klagers alsnog tot verdachte bestempeld en vervolgd zullen worden zal de rechtbank mede om redenen van proceseconomie aan voorgaand aspect voorbijzien en ook het beklag van [klaagster] , [medeklager 4] , [medeklager 5] en [medeklager 6] beoordelen langs de ten aanzien van klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] . aangelegde maatstaf van artikel 552a, derde lid Sv, en hun beklag ontvankelijk achten.
Klagers zijn derhalve allen ontvankelijk in het ingediende beklag.
Inhoudelijke beoordeling
Er is sprake van conservatoir beslag uit hoofde van artikel 94a Sv. Teneinde rechtsgeldig conservatoir beslag te leggen dient te worden voldaan aan de hiervoor geldende voorwaarde, namelijk dat sprake is van enige verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ten aanzien van klagers is er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aan de hiervoor genoemde voorwaarde is dus voldaan.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarbij heeft het onderzoek een summier karakter. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is ontstaan bij klagers en is voornemens een ontnemingsprocedure aanhangig te maken. In de visie van het Openbaar Ministerie is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijner tijd door de strafrechter een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.
Klagers hebben op dit punt geen verweer gevoerd.
Gelet op de op dit moment beschikbare informatie acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
(…)
Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag
(…)
Jegens klagers [medeklager 1] , [medeklager 2] en [medeklager 3] bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. Dit kan eveneens het geval zijn voor de niet verdachte klagers.”
3.3
Hieruit volgt dat de rechtbank, in overeenstemming met het standpunt van het openbaar ministerie, als uitgangspunt heeft genomen dat de klaagster geen verdachte is. De rechtbank overweegt dit enkele keren expliciet, zodat ik de overweging van de rechtbank bij de ‘inhoudelijke beoordeling’ dat ten aanzien van (alle) klagers “er gelet op de inhoud van de door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken sprake is van een verdenking van overtreding van artikel 1 van de Wet op de Economische delicten (WED) juncto artikel 1 onder a en artikel 36 van de Wet op de Kansspelen (WOK), een verdenking van witwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie”, aanmerk als een kennelijke verschrijving.
3.4
In de bestreden beschikking ligt als het oordeel van de rechtbank besloten dat het beslag op de voorwerpen is gelegd op grond van art. 94a Sv. De klaagster is een rechtspersoon die stelt eigenaar te zijn van (enkele) inbeslaggenomen voorwerpen. Hier is dus op het eerste gezicht sprake van een situatie waarin een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht, stelt eigenaar te zijn van het in beslag genomen voorwerp en zich beklaagt over de voortduring daarvan.
3.5
In zo’n geval moet de beklagrechter ten eerste beoordelen of buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt.1.Bij de beantwoording van deze vraag zal de beklagrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar hij zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in deze procedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.2.Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter ten tweede moeten onderzoeken of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Indien buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 Sv, dient het in beslag genomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde.3.
3.6
In de beslissing van de rechtbank komt deze maatstaf niet terug. De rechtbank overweegt namelijk dat zij “dient (…) te beoordelen of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen”. Dit is een onderdeel van de maatstaf die de rechter dient aan te leggen bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in art 94a Sv dat is ingediend door degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek wél is gericht. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dus niet dat zij de in 3.5 gestelde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift van een niet-verdachte.
3.7
Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het de maatstaf voor verdachten diende te gebruiken enkel omdat de klaagster volgens het openbaar ministerie “nog aangemerkt [kan] worden als verdachte als er gelet op voornoemd lopend strafrechtelijk financieel onderzoek een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van deze vennootschappen blijkt te zijn”, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.8
Voor zover de rechtbank de vereenzelviging van de verdachte en de niet-verdachte klagers, die besloten ligt in de aangehaalde overwegingen over de ontvankelijkheid, ook heeft betrokken op de inhoudelijke beoordeling, wijs ik op het volgende. In een tweetal beschikkingen uit 1996 heeft de Hoge Raad de vraag of beslag kan worden gelegd op “vermogensbestanddelen van een rechtspersoon op de enkele grond dat de verdachte met deze rechtspersoon kan worden vereenzelvigd”, ontkennend beantwoord.4.Mede als gevolg van de beperkte verhaalsmogelijkheden die voortvloeiden uit deze rechtspraak, heeft de wetgever besloten de bevoegdheid tot het leggen van “anderbeslag” te creëren van (thans) art. 94a lid 4 en 5 Sv.5.De wetgever heeft daarmee niet gekozen de figuur van de vereenzelviging wettelijk vast te leggen.6.Uit wet en rechtspraak volgt daarmee dat de regeling van art. 94a lid 4 en 5 Sv in beginsel ook moet worden toegepast in een geval als dit, waar eigendom en zeggenschap over de rechtspersoon waaronder beslag is gelegd, al dan niet indirect, volledig of grotendeels bij een verdachte berust. In het geval de rechtbank is uitgegaan van een andere rechtsopvatting is dit ten onrechte.7.
3.9
Het eerste cassatiemiddel klaagt dan ook terecht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De bestreden beschikking kan om die reden niet in stand blijven zodat ik afzie van de bespreking van de overige cassatiemiddelen. Desgewenst ben ik graag bereid over deze middelen aanvullend te concluderen.
4. Afronding
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.13; HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:625, rov. 2.3; HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:648, rov. 2.3.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15; HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:613, rov. 2.4.
HR 9 januari 1996, NJ 1998/591 en HR 9 januari 1996, JOW 1996/127, de zogenoemde BUCRO-beschikkingen.
Wet van 8 mei 2003, Stb. 2003/202 (inwerkingtreding 1 september 2003). Zie voor de uiteenzetting van de aanleiding voor deze wetswijziging Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 17 en 18. Het artikel is overigens sindsdien gewijzigd, waarbij naast de vernummering van de leden met name de voorwaarde voor ‘anderbeslag’ is vervallen dat het voorwerp (middellijk) afkomstig moet zijn van een relevant misdrijf.
Vgl. HR 19 februari 2018, ECLI:NL:HR:2008:BA7671 en zie ook de noot onder dit arrest in NJ 2008/340.
Overigens kan een dergelijke vereenzelviging wel van betekenis zijn bij de beantwoording van de vragen van art. 94a lid 4 Sv of de voorwerpen aan de rechtspersoon zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of verhinderen en of de rechtspersoon dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Vgl. HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1201 en HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1643 (art. 81.1 RO) met de daaraan voorafgaande conclusie van AG Frielink, ECLI:NL:PHR:2025:901. Zie ook de al genoemde memorie van toelichting Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 18.