Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/1.3
1.3 Doel
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461961:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hermans 2003, p. 150 e.v. Zie voor concrete voorstellen op dit punt Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004.
Onder anderen: Josephus Jitta 2004, p. 35; Geerts 2004, p. 247-248; De Mol van Otterloo 2005, p. 180-184.
Onder anderen: Josephus Jitta 2004, p. 12 e.v.; De Mol van Otterloo 2005, t.a.p.
SER-Ontwerpadvies Evenwichtig Ondernemingsbestuur 2007, p. 4-5 en p. 33-34.
Het voorstel van de SER (SER-Ontwerpadvies Evenwichtig Ondernemingsbestuur 2007, t.a.p.) is bijvoorbeeld enkel ingegeven door de constatering dat het feit dat de huidige enquêteprocedure met minder rechtswaarborgen is omgeven dan de gewone civiele procedure, in een aantal gevallen betreffende beursvennootschappen heeft geleid tot onvoorspelbaarheid en onzekerheid voor bestuurders en commissarissen. De raad wijst er voorts dat de (financiële) belangen van de partijen die in de procedure worden betrokken vaak groot zijn en de onderliggende geschillen complex.
5. Het onderzoek heeft tot doel inzichtelijk te maken dat de enquêteprocedure vanwege haar aard, de actieve opstelling en de deskundigheid van de Ondernemingskamer in aanleg een ideale procedure is ter doorbreking van impasses tussen aandeelhouders, maar dat zich zowel op het punt van de termijnen waarop partijen in de eerste fase van de procedure de zaak moeten voorbereiden, als ten aanzien van de bevoegdheden van de Ondernemingskamer in de eerste en tweede fase van de procedure een aantal problemen voordoet. De analyse van de beschikkingen waarin individuele verantwoordelijkheden voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid worden vastgesteld, heeft tot doel te tonen dat de rechtsvragen die de Ondernemingskamer in dit kader beantwoordt deels dezelfde zijn als in de procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW en dat ten gevolge hiervan de (bewijsrechtelijke) positie van bestuurders en commissarissen in die latere procedures onder omstandigheden erg ongunstig kan zijn, de overwegingen van de Hoge Raad in Laurus ten spijt. In het onderzoek zal voorts voor beide categorieën afzonderlijk worden bezien op welke wijze de knelpunten en/of bezwaren kunnen worden weggenomen. Het uitgangspunt hierbij is dat de aard en inrichting van de huidige enquêteprocedure zoveel mogelijk ongemoeid worden gelaten. Aldus wordt tevens beoogd een bijdrage te leveren aan de discussie of de huidige enquêteregeling aanpassing behoeft, een discussie die in de laatste jaren door de ontwikkelingen in de praktijk steeds actueler is geworden.
In de afgelopen jaren zijn in de literatuur diverse suggesties van uiteenlopende aard gedaan tot aanpassing van de enquêteregeling. Zo is voorgesteld in de onderzoeksfase waarborgen – waaronder het recht op hoor en wederhoor – in te bouwen1 en voor enquêtegerechtigden de bevoegdheid te introduceren te volstaan met een verzoek tot het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen, derhalve zonder dat tevens om een onderzoek behoeft te worden gevraagd.2 Het meest in het oog springend is echter de suggestie de structuur van de enquêteprocedure te wijzigen door de invoering van een tweede feitelijke in- Stantie3, een suggestie die ook door de SER is gedaan.4 Een lastig punt en naar mijn smaak tegelijkertijd een belangrijk bezwaar tegen deze suggestie, die vergaande consequenties heeft voor de procedure als geheel, is dat in de onderliggende analyses niet of nauwelijks wordt onderscheiden naar de verschillende typen geschillen die tot dusverre aan de Ondernemingskamer zijn voorgelegd respectievelijk dat het voorstel wordt opgehangen aan één type geschil, zonder dat de gevolgen voor andersoortige casus worden besproken.5 Ik geef een voorbeeld. De bezwaren tegen de mogelijke doorwerking van de overwegingen van de Ondernemingskamer in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW kunnen wellicht voor een deel worden weggenomen door versterking van de positie van bestuurders en commissarissen door middel van de invoering van een tweede feitelijke instantie. Maar vormt een dergelijke herstructurering van de procedure ook een verbetering wat betreft de impassegeschillen? Kunnen de bezwaren tegen mogelijke doorwerking in een aansprakelijkheidsprocedure niet op een minder ingrijpende, maar even afdoende, wijze worden verholpen? Veel zuiverder is mijns inziens de benadering door de Minister van Justitie. Hij heeft, zo blijkt uit zijn brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2007, ingestemd met een empirisch onderzoek ter beantwoording van de vraag of de huidige enquêteprocedure voldoende aanknopingspunten biedt voor de beslechting van geschillen in ondernemingen. Doel van dit onderzoek – dat heeft geresulteerd in het Rapport Cools/Kroeze 2009 – was onder andere in kaart te brengen welk type geschillen in de praktijk aan de Ondernemingskamer wordt voorgelegd, welke (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen en welke zaken hebben geleid tot cassatie.6