Procestaal: Engels.
HvJ EU, 23-03-2023, nr. C-514/21, nr. C‑515/21
ECLI:EU:C:2023:235
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
23-03-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-514/21
C‑515/21
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Minister for Justice and Equality (Levée du sursis)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:235, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑03‑2023
ECLI:EU:C:2022:848, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑10‑2022
Uitspraak 23‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Procedure van overlevering tussen de lidstaten — Voorwaarden voor tenuitvoerlegging — Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — Artikel 4 bis, lid 1 — Bevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf — Begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ — Draagwijdte — Eerste veroordeling met opschorting van de straf — Tweede veroordeling — Afwezigheid van de betrokkene op het proces — Herroeping van de opschorting — Rechten van de verdediging — Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden — Artikel 6 — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 47 en 48 — Schending — Gevolgen
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-514/21 en C-515/21,*
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland) bij beslissingen van 30 juli 2021, ingekomen bij het Hof op 20 augustus 2021, in de procedures inzake de tenuitvoerlegging van twee Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd tegen
LU (C-514/21),
PH (C-515/21),
in tegenwoordigheid van:
Minister for Justice and Equality,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, L. S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: M.-A. Gaudissart, adjunct-griffier,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 juli 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
LU, vertegenwoordigd door P. Carroll, SC, T. Hughes, solicitor, en K. Kelly, BL,
- —
PH, vertegenwoordigd door E. Lawlor, BL, R. Munro, SC, en D. Rudden, solicitor,
- —
de Minister for Justice and Equality en de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. Browne, A. Joyce en C. McMahon als gemachtigden, bijgestaan door R. Kennedy, SC, en J. Williams, BL,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en J. Tomkin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 118, blz. 39), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging, in Ierland, van twee Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd door respectievelijk de Hongaarse rechterlijke autoriteiten tegen LU en de Poolse rechterlijke autoriteiten tegen PH met het oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in de uitvaardigende lidstaten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2002/584
3
Overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 luidt:
‘Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.’
4
Artikel 1 van dit kaderbesluit bepaalt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.’
5
Artikel 2, lid 1, van dit kaderbesluit luidt als volgt:
‘Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.’
6
In artikel 3 van dit kaderbesluit wordt bepaald:
‘De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‘de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen:
- 1.
het strafbaar feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, valt in de uitvoerende staat onder een amnestie en deze staat was krachtens zijn strafwetgeving bevoegd om dat strafbaar feit te vervolgen;
- 2.
uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;
- 3.
de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, kan krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen.’
7
Artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 bepaalt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
- 1.
in een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen is het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt naar het recht van de uitvoerende lidstaat niet strafbaar; ter zake van retributies en belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende lidstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende lidstaat;
- 2.
de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt in de uitvoerende lidstaat vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt;
- 3.
de uitvoerende rechterlijke autoriteiten van de lidstaat hebben besloten geen vervolging in te stellen wegens het strafbaar feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, of een ingestelde vervolging te staken, dan wel wanneer in een lidstaat tegen de gezochte persoon voor dezelfde feiten een onherroepelijke beslissing is genomen die verdere vervolging onmogelijk maakt;
- 4.
de strafvervolging of de straf is volgens de wet van de uitvoerende lidstaat verjaard en de feiten vallen naar het strafrecht van deze lidstaat onder zijn rechtsmacht;
- 5.
uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, ingeval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;
- 6.
het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;
- 7.
het Europees aanhoudingsbevel betreft een strafbaar feit dat
- a)
naar het recht van de uitvoerende lidstaat geacht wordt geheel of ten dele te zijn gepleegd op het grondgebied van die lidstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats;
- b)
buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende lidstaat geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien eenzelfde feit buiten het grondgebied van de uitvoerende lidstaat zou zijn gepleegd.’
8
Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, dat is ingevoegd bij kaderbesluit 2009/299, bepaalt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
- a)
de betrokkene tijdig
- i)
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
- ii)
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
- b)
de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
- c)
de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
- i)
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
- ii)
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
- d)
de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
- i)
hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
- ii)
dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.’
9
Artikel 5 van dit kaderbesluit bepaalt:
‘De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:
- [1.]
indien het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, kan de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat in het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel — op verzoek of ten minste na 20 jaar — bestaat, dan wel van toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel;
- [2.]
indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn gehoord, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.’
10
Artikel 8 van dit kaderbesluit luidt als volgt:
- ‘1.
In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
- a)
de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;
- b)
de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;
- c)
de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
- d)
de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;
- e)
een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;
- f)
de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;
- g)
indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.
- 2.
Het Europees aanhoudingsbevel wordt vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neergelegde verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Gemeenschappen aanvaardt.’
11
In artikel 15 van dit kaderbesluit is bepaald:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.
- 2.
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8 en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.
- 3.
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.’
Kaderbesluit 2009/299
12
De overwegingen 1 en 15 van kaderbesluit 2009/299 luiden als volgt:
- ‘(1)
Het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens het proces maakt deel uit van het recht op een eerlijk proces dat is voorzien in artikel 6 van het [te Rome op 4 november 1950 ondertekende] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(hierna: ‘EVRM’)], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof heeft tevens verklaard dat het recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen, niet absoluut is, alsook dat de verdachte onder bepaalde voorwaarden uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar op ondubbelzinnige wijze afstand kan doen van dat recht.
[…]
- (15)
De gronden voor niet-erkenning zijn facultatief. De vrijheid waarover de lidstaten beschikken om deze gronden in de nationale wetgeving op te nemen, wordt echter vooral bepaald door het recht op een eerlijk proces, waarbij tegelijkertijd rekening moet worden gehouden met het algemene doel van dit kaderbesluit, te weten het versterken van de procedurele rechten van personen en het faciliteren van de justitiële samenwerking in strafzaken’.
13
Artikel 1, lid 1, van dit kaderbesluit bepaalt:
- ‘1.
Doelstellingen van dit kaderbesluit zijn de procedurele rechten van personen tegen wie een strafprocedure loopt, te versterken, de justitiële samenwerking in strafzaken te faciliteren, in het bijzonder het bevorderen van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten.’
Iers recht
14
Section 37, lid 1, van de European Arrest Warrant Act 2003 (wet van 2003 inzake het Europees aanhoudingsbevel), in de ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen geldende versie (hierna: ‘wet van 2003 inzake het Europees aanhoudingsbevel’), bepaalt:
‘Een persoon wordt niet op grond van deze wet overgeleverd wanneer:
- (a)
zijn overlevering onverenigbaar is met de verplichtingen die de Staat heeft op grond van
- (i)
het [EVRM], of
- (ii)
protocollen bij het [EVRM],
[…]’
15
Section 45 van deze wet luidt:
‘Een persoon wordt niet op grond van deze wet overgeleverd indien hij niet in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de veroordeling of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel […] is uitgevaardigd, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel de informatie is opgenomen die wordt gevraagd in de punten 2, 3 en 4 van punt d), van het model in de bijlage bij [kaderbesluit 2002/584].’
Pools recht
16
Artikel 75, lid 1, van de kodeks karny (wetboek van strafrecht) van 6 juni 1997 (Dz. U. nr. 88, volgnr. 553), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘Indien de veroordeelde tijdens de proeftijd opzettelijk een strafbaar feit pleegt dat vergelijkbaar is met het strafbare feit waarvoor hij rechtsgeldig en onherroepelijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld, geeft de rechter het bevel tot tenuitvoerlegging van die straf.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-514/21
17
Op 10 oktober 2006 heeft de Encsi városi bíróság (rechter in eerste aanleg Encs, Hongarije) LU, na een proces waarbij hij in persoon is verschenen, veroordeeld voor vier in 2005 gepleegde strafbare feiten.
18
Op 19 april 2007 heeft de Borsod Abaúj Zemplén Megvei Bíróság (rechter in tweede aanleg Borsod-Abaúj-Zemplén, Hongarije) — waarbij LU, die naar behoren was opgeroepen om te verschijnen, werd vertegenwoordigd door een raadsman — dat vonnis bevestigd en LU veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar. De tenuitvoerlegging van die straf werd echter opgeschort, met een proeftijd van twee jaar. Aangezien hij een maand in voorlopige hechtenis had doorgebracht, moest hij nog maximaal elf maanden gevangenisstraf uitzitten.
19
Op 16 december 2010 heeft de Encsi városi bíróság LU veroordeeld tot een geldboete wegens niet-betaling van alimentatie in 2008, te weten tijdens de proefperiode die gold voor de voorwaardelijke straf waartoe hij eerder was veroordeeld. LU was wel aanwezig bij de terechtzittingen van 15 november 2010 en 13 december 2010, maar niet toen deze rechter uitspraak deed.
20
In juni 2012 heeft de Miskolci Törvényszék (rechter in tweede aanleg Miskolc, Hongarije) dit vonnis gewijzigd door LU tot vijf maanden gevangenisstraf te veroordelen en hem voor een jaar een verbod op het uitoefenen van publieke functies op te leggen. Deze rechter heeft tevens een bevel gegeven tot tenuitvoerlegging van de straf die hem wegens de in 2005 gepleegde strafbare feiten was opgelegd. Het staat niet vast of deze rechter in tweede aanleg verplicht was de tenuitvoerlegging van deze straf te gelasten, dan wel of hij dienaangaande een beoordelingsbevoegdheid had.
21
LU was gedagvaard om voor de Miskolci Törvényszék te verschijnen. Hoewel LU die dagvaarding niet had ontvangen, werd de betekening naar Hongaars recht als rechtmatig beschouwd. LU was niet aanwezig ter terechtzitting, maar die rechter in tweede aanleg heeft een raadsman aangewezen om hem te vertegenwoordigen. Deze raadsman is op die terechtzitting verschenen en heeft vervolgens namens LU een verzoek tot herziening — dat werd verworpen — en een gratieverzoek ingediend.
22
In september 2012 hebben de Hongaarse autoriteiten een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het verzoek tot overlevering van LU, die zich in Ierland bevindt, met het oog op de tenuitvoerlegging van de straffen waartoe hij is veroordeeld voor zowel de in 2005 gepleegde strafbare feiten als het strafbare feit van niet-betaling van alimentatie. De High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) heeft echter geweigerd dat bevel ten uitvoer te leggen.
23
Op 28 oktober 2015 heeft de Miskolci Törvényszék de Encsi Járásbíróság (rechter in eerste aanleg Encs, Hongarije) op verzoek van LU gelast te onderzoeken of zijn zaak met betrekking tot de in 2005 gepleegde strafbare feiten opnieuw ten gronde moest worden behandeld. Op 24 oktober 2016 heeft de Encsi Járásbíróság het verzoek om een nieuwe behandeling ten gronde afgewezen. LU is niet in persoon voor deze rechter verschenen, maar werd vertegenwoordigd door een door hem gekozen raadsman.
24
De Miskolci Törvényszék, waarbij LU tegen deze beslissing hoger beroep had ingesteld, heeft op 20 maart 2017 een terechtzitting gehouden waarop LU niet is verschenen, maar wel werd vertegenwoordigd door een door hem gekozen raadsman. Op 29 maart 2017 heeft deze rechter in tweede aanleg het verzoek om een nieuwe behandeling ten gronde afgewezen.
25
Na deze beslissing was de gevangenisstraf die LU na zijn veroordeling wegens de in 2005 gepleegde strafbare feiten was opgelegd — en waarvan de Miskolci Törvényszék in juni 2012 de tenuitvoerlegging had gelast — naar Hongaars recht opnieuw uitvoerbaar.
26
Op 27 juli 2017 hebben de Hongaarse autoriteiten een tweede Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd — dat in het hoofdgeding aan de orde is — opdat LU de resterende 11 maanden zou uitzitten van de gevangenisstraf waartoe hij voor de vier in 2005 gepleegde strafbare feiten was veroordeeld.
27
Bij beslissing van 15 december 2020 heeft de High Court op grond van dit bevel de overlevering van LU gelast. De Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland), de verwijzende rechter, waarbij LU hoger beroep heeft ingesteld, wijst er in de eerste plaats op dat LU niet is verschenen op het proces dat heeft geleid tot, ten eerste, zijn veroordeling door de Miskolci Törvényszék wegens niet-betaling van alimentatie en, ten tweede, de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerste vrijheidsstraf, waarvoor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Aangezien LU geen afstand lijkt te hebben gedaan van zijn recht om deze procedure bij te wonen, is deze rechter van oordeel dat die procedure niet overeenkomstig artikel 6 EVRM is gevoerd.
28
Deze rechter is verder geneigd te oordelen dat indien de procedure voor de Miskolci Törvényszék moet worden geacht deel uit te maken van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584, niet is voldaan aan de voorwaarden van dit artikel en evenmin aan de voorwaarden van section 45 van de wet van 2003 inzake het Europees aanhoudingsbevel.
29
In de tweede plaats betoogt de verwijzende rechter echter, ten eerste, dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerste aan LU opgelegde vrijheidsstraf slechts kan worden beschouwd als een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van die straf, in de zin van het arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026), en, ten tweede, dat noch die beslissing noch de veroordeling van LU wegens niet-betaling van alimentatie ertoe strekte of tot gevolg had dat de aard of de maat van de vrijheidsstraf die hem voor de in 2005 gepleegde strafbare feiten was opgelegd werd gewijzigd, zodat geen van beiden binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt.
30
Niettemin is deze rechter van oordeel dat de zaak die in het hoofdgeding aan de orde is in meerdere opzichten verschilt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026).
31
Allereerst lijkt de tweede veroordeling van LU volgens deze rechter in de onderhavige zaak van doorslaggevend belang te zijn geweest doordat het geleid heeft tot de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de eerder aan LU opgelegde vrijheidsstraf. Vervolgens heeft LU in het geval dat hij wordt overgeleverd geen recht om ex post te worden gehoord. Ten slotte zouden de omstandigheden van het hoofdgeding een veel sterker verband met artikel 6 EVRM alsmede met artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest vertonen dan de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026). De vrijheidsstraf die LU werd opgelegd voor de strafbare feiten die hij in 2005 heeft gepleegd, kan namelijk enkel worden uitgevoerd omdat hij wegens niet-betaling van alimentatie bij verstek schuldig is verklaard en veroordeeld, en het lijdt geen twijfel dat artikel 6 EVRM van toepassing is op de procedure die tot een dergelijke veroordeling bij verstek heeft geleid.
32
Voorts merkt deze rechter op dat het, aangezien artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 en section 45 van de wet van 2003 inzake het Europees aanhoudingsbevel zich verzetten tegen de overlevering van LU om hem de straf waartoe hij bij verstek is veroordeeld wegens niet-betaling van alimentatie te laten uitzitten, ongewoon lijkt dat hij aan de Hongaarse autoriteiten kan worden overgeleverd om de straf uit te zitten waartoe hij is veroordeeld wegens de in 2005 gepleegde strafbare feiten, terwijl die straf slechts ten uitvoer kan worden gelegd op grond van voornoemde veroordeling bij verstek.
33
De verwijzingsrechter voegt hieraan dat de beslissing van de Miskolci Törvényszék waarbij de opschorting van de tenuitvoerlegging van de eerste vrijheidsstraf is herroepen als dermate nauw verbonden met de veroordeling wegens niet-betaling van alimentatie zou kunnen worden beschouwd, dat een schending van artikel 6, lid 1, EVRM die de veroordeling aantast, ook deze beslissing moet aantasten.
34
In deze omstandigheden heeft de Court of Appeal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
- a)
Wanneer om overlevering van de gezochte persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die ab initio was opgeschort maar waarvan de tenuitvoerlegging later is gelast naar aanleiding van de veroordeling van de gezochte persoon wegens een nieuw strafbaar feit, en die beslissing tot tenuitvoerlegging is gegeven door de rechter die de gezochte persoon voor dat nieuwe strafbare feit heeft veroordeeld en bestraft, maakt de procedure die tot die latere veroordeling en tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid dan deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584?
- b)
Is het voor het antwoord op vraag 1a) hierboven relevant of de rechter die de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft gegeven, rechtens verplicht was om die beslissing te geven dan wel ten aanzien van een dergelijke beslissing een beoordelingsbevoegdheid had?
- 2)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden bevoegd om na te gaan of de procedure die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid en die in afwezigheid van de gezochte persoon is gevoerd, in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] is gevoerd, en in het bijzonder of de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden?
- 3)
- a)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden, indien zij genoegzaam heeft vastgesteld dat de procedures die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging hebben geleid niet in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] zijn gevoerd, en in het bijzonder dat de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden, bevoegd en/of verplicht om i) overlevering van de gezochte persoon te weigeren om reden dat die overlevering in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het [Handvest], en/of ii) van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als voorwaarde voor overlevering de garantie te eisen dat de gezochte persoon, na overlevering, ten aanzien van de veroordeling die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing?
- b)
Is bij vraag 3a) hierboven het toepasselijke criterium of de overlevering van de gezochte persoon afbreuk zou doen aan de kern van diens grondrechten krachtens artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest en, zo ja, is het feit dat de procedure die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid bij verstek is gevoerd en dat de gezochte persoon in het geval dat hij wordt overgeleverd geen recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit voldoende om te kunnen oordelen dat overlevering de kern van die rechten zou aantasten?’
Zaak C-515/21
35
Op 29 mei 2015 heeft de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia (rechter in eerste aanleg Wrocław-Śródmieście, Polen) PH in zijn aanwezigheid veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar wegens een in 2015 gepleegd strafbaar feit. Deze straf is hem evenwel voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 5 jaar. PH heeft tegen deze veroordeling geen hoger beroep ingesteld.
36
Op 21 februari 2017 is PH door de Sąd Rejonowy w Bydgoszczy (rechter in eerste aanleg Bydgoszcz, Polen) schuldig bevonden aan een tweede strafbaar feit, waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden. PH was niet op de hoogte van de terechtzitting bij deze rechtbank en is niet ter terechtzitting verschenen, noch in persoon, noch via een wettelijke vertegenwoordiger.
37
Op 16 mei 2017 heeft de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia krachtens artikel 75, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht de tenuitvoerlegging gelast van de gevangenisstraf van één jaar waartoe hij PH had veroordeeld, op de grond dat PH tijdens zijn proefperiode een tweede strafbaar feit had gepleegd. Deze rechter had dienaangaande geen enkele beoordelingsbevoegdheid.
38
PH is niet op de hoogte geweest van de procedure die is ingeleid bij de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia en is uitgemond in de beslissing tot herziening van de opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn eerste gevangenisstraf, en hij is noch in persoon, noch via een wettelijke vertegenwoordiger verschenen ter terechtzitting van 16 mei 2017.
39
De termijn waarbinnen PH hoger beroep kon aantekenen tegen zijn veroordeling voor het tweede strafbaar feit is inmiddels verstreken en in geval van overlevering heeft PH geen recht om te worden gehoord, behalve in het kader van een eventueel buitengewoon rechtsmiddel.
40
Op 26 februari 2019 heeft de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen PH, die zich in Ierland bevindt, met het oog op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van één jaar waartoe hij op 29 mei 2015 was veroordeeld.
41
Bij beslissing van 16 november 2020 heeft de High Court op grond van dit bevel de overlevering van PH gelast. PH heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal.
42
De Court of Appeal benadrukt dat het verstekproces dat heeft geleid tot de tweede veroordeling van PH niet in overeenstemming lijkt te zijn met artikel 6 EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aangezien PH geen afstand lijkt te hebben gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn op dit proces.
43
In die omstandigheden heeft de Court of Appeal, om soortgelijke redenen als die welke in de punten 27 tot en met 33 van dit arrest zijn uiteengezet, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Wanneer om overlevering van de gezochte persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die ab initio was opgeschort maar waarvan later de tenuitvoerlegging is gelast naar aanleiding van een volgende veroordeling van de gezochte persoon wegens een nieuw strafbaar feit, maakt de procedure die tot die volgende veroordeling heeft geleid en/of de procedure die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, in een situatie waarin de beslissing tot tenuitvoerlegging op grond van die volgende veroordeling verplicht was, dan deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit [2002/584]?
- 2)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden bevoegd en/of verplicht om na te gaan of de procedure die tot de volgende veroordeling heeft geleid en/of de procedure die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, die beide in afwezigheid van de gezochte persoon zijn gevoerd, in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] is gevoerd, en in het bijzonder of de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden?
- 3)
- a)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden, indien zij genoegzaam heeft vastgesteld dat de procedures die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging hebben geleid niet in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] zijn gevoerd, en in het bijzonder dat de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden, bevoegd en/of verplicht om i) overlevering van de gezochte persoon te weigeren om reden dat die overlevering in strijd zou zijn met artikel 6 [EVRM] en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het [Handvest], en/of ii) van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als voorwaarde voor overlevering de garantie te eisen dat de gezochte persoon, na overlevering, ten aanzien van de veroordeling die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing?
- b)
Is bij vraag 3a) hierboven het toepasselijke criterium of de overlevering van de gezochte persoon afbreuk zou doen aan de kern van diens grondrechten krachtens artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest en, zo ja, is het feit dat de procedures die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging hebben geleid bij verstek zijn gevoerd en dat de gezochte persoon in het geval dat hij wordt overgeleverd geen recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit voldoende om te kunnen oordelen dat overlevering de kern van die rechten zou aantasten?’
44
Bij beslissing van de president van het Hof van 20 september 2021 zijn de zaken C-514/21 en C-515/21 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
45
Met zijn eerste vraag in de gevoegde zaken C-514/21 en C-515/21 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling wordt herroepen en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, de bij verstek genomen beslissing tot herroeping van een dergelijke opschorting of de tweede strafrechtelijke veroordeling, die eveneens bij verstek is gewezen, een ‘beslissing’ vormt in de zin van deze bepaling.
46
In de eerste plaats zij in herinnering gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiënte regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, beoogt de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Europese Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Om die reden volgt uit dit kaderbesluit, met name artikel 1, lid 2, ervan, dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de regel is, en de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
In de tweede plaats komt uit de tekst zelf van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 naar voren dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel te weigeren indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat aan de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde voorwaarden is voldaan (arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 4 bis aldus de mogelijkheid tot weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen beperkt door een nauwkeurige en uniforme opsomming te geven van de voorwaarden waaronder de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet mogen worden geweigerd (zie in die zin arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 beoogt dan ook een hoog beschermingsniveau te waarborgen en de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de betrokkene over te leveren niettegenstaande het feit dat hij niet aanwezig was op het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Meer in het bijzonder blijkt uitdrukkelijk uit artikel 1 van kaderbesluit 2009/299, gelezen in het licht van de overwegingen 1 en 15 ervan, dat dit artikel 4 bis in kaderbesluit 2002/584 is ingevoegd ter bescherming van het recht van de verdachte om in persoon bij het tegen hem gevoerde strafproces te verschijnen en daarnaast de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten te bevorderen.
51
Dit artikel 4 bis moet voorts worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest, die, zoals de toelichtingen bij het Handvest verduidelijken, corresponderen met artikel 6 EVRM. Bijgevolg dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het aan artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd), C-420/20, EU:C:2022:679, punt 55].
52
In de derde plaats komt uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet worden geacht te duiden op de procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, onherroepelijk is veroordeeld (arresten van 10 augustus 2017, Tupikas, C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 74, en 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 64).
53
Daarentegen vormt een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf geen ‘beslissing’ in de zin van dat artikel 4 bis, lid 1, behalve wanneer zij invloed heeft op de schuldigverklaring of ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. Hieruit volgt dat een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens schending door de betrokkene van een aan deze opschorting verbonden objectieve voorwaarde, zoals het begaan van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd, niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, valt, aangezien zij deze straf wat haar aard en maat betreft onverlet laat (zie in die zin arrest van 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punten 77, 81, 82 en 88).
54
Aangezien de autoriteit die over een dergelijke herroeping moet beslissen, de zaak die tot de strafrechtelijke veroordeling heeft geleid niet opnieuw ten gronde moet onderzoeken, is de omstandigheid dat deze autoriteit over een beoordelingsmarge beschikt overigens niet relevant, zolang zij op grond van die beoordelingsmarge geen wijziging kan aanbrengen in de maat of aard van de vrijheidsstraf zoals die zijn vastgesteld bij de beslissing waarbij de gezochte persoon onherroepelijk is veroordeeld (zie in die zin arrest van 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 80).
55
Deze strikte uitlegging van het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is overigens in overeenstemming met de algemene opzet van de bij dit kaderbesluit ingestelde regeling. Zoals in punt 47 van dit arrest is benadrukt, vormt deze bepaling immers een uitzondering op de regel dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren, en moet zij dus strikt worden uitgelegd.
56
Een dergelijke uitlegging kan daarenboven beter de doelstelling verzekeren die door dat kaderbesluit wordt nagestreefd, namelijk, zoals in punt 46 van dit arrest in herinnering is gebracht, het vergemakkelijken en bespoedigen van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten op basis van de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, door te vermijden dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt belast met een algemene taak van toezicht op alle procedurele beslissingen die in de uitvaardigende lidstaat worden genomen (zie in die zin arresten van 10 augustus 2017, Tupikas, C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 87 en 88, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 88).
57
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak vooreerst dat kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de bepalingen van het Handvest, niet aldus kan worden uitgelegd dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van rechterlijke samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak], en vervolgens dat het waarborgen van de rechten van de betrokkene om wiens overlevering wordt verzocht in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de uitvaardigende lidstaat (zie in die zin met name arrest van 23 januari 2018, Piotrowski, C-367/16, EU:C:2018:27, punten 49 en 50).
58
Ook moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 verenigbaar is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Volgens deze rechtspraak vallen, ten eerste, procedures over de tenuitvoerlegging van een straf niet binnen de werkingssfeer van artikel 6 EVRM en kunnen, ten tweede, door een rechter na de uitspraak van een definitieve straf of tijdens de tenuitvoerlegging ervan genomen maatregelen slechts als ‘straffen’ in de zin van dat verdrag worden beschouwd, indien zij kunnen leiden tot een herdefiniëring of een wijziging van de omvang van de aanvankelijk opgelegde straf (zie met name EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg, CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 87; EHRM, 10 november 2015, Çetin tegen Turkije, CE:ECHR:2015:1110DEC003285709, §§ 42–47; EHRM, 12 november 2019, Abedin tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2019:1112DEC005402616, §§ 29–37; EHRM, 22 juni 2021, Ballıktaş Bingöllü, CE:ECHR:2021:0622JUD007673012, § 48, en EHRM, 10 november 2022, Kupinskyy tegen Oekraïne, CE:ECHR:2022:1110JUD000508418, §§ 47–52).
59
In de vierde plaats zij ten eerste opgemerkt dat, anders dan bij kwesties inzake de tenuitvoerlegging of de toepassing van een straf, een rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene wordt veroordeeld binnen de strafrechtelijke dimensie van artikel 6 EVRM valt (zie in die zin arresten van 10 augustus 2017, Zdziaszek, C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85, en 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Ten tweede vormt het recht van de verdachte om bij zijn proces aanwezig te zijn een essentieel onderdeel van de rechten van de verdediging en is het meer in het algemeen van het grootste belang voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk strafproces, dat is verankerd in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest [zie in die zin arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd), C-420/20, EU:C:2022:679, punten 54–56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61
Dienaangaande heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat een veroordeling bij verstek van een persoon waarvan niet vaststaat dat hij afstand had gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen of dat hij voornemens was om zich aan berechting te onttrekken, zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad om, na te zijn gehoord, een nieuwe uitspraak te verkrijgen over de gegrondheid, feitelijk en rechtens, van de tegen hem gerichte beschuldiging, een flagrante rechtsweigering vormt (EHRM, 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië, CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, § 82, en EHRM, 9 juli 2019, Kislov tegen Rusland, CE:ECHR:2019:0709JUD000359810, §§ 106, 107 en 115).
62
In het onderhavige geval moet nog worden opgemerkt dat de tweede strafrechtelijke veroordelingen die aan PH en aan LU zijn opgelegd de bevoegde nationale autoriteit hebben verplicht of toegestaan om de opschorting van de tenuitvoerlegging van de eerste vrijheidsstraffen waartoe die personen reeds waren veroordeeld, te herroepen en voorts dat het door deze herroeping zelf mogelijk is geworden om de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde Europese aanhoudingsbevelen uit te vaardigen, aangezien de eerste aan PH en aan LU opgelegde vrijheidsstraffen als gevolg van deze herroeping uitvoerbaar waren geworden.
63
Bijgevolg vormt een bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en zonder welke veroordeling, zoals in het onderhavige geval, dat bevel niet had kunnen worden uitgevaardigd, een voor de uitvaardiging van dat bevel noodzakelijk element dat een fundamenteel gebrek kan vertonen waardoor het recht van de verdachte om in persoon bij zijn proces te verschijnen, zoals gewaarborgd door artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest, ernstig wordt geschonden.
64
Ten derde heeft de Uniewetgever, zoals in punt 50 van het onderhavige arrest is opgemerkt, beslist om in het kader van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel een specifiek belang toe te kennen aan het recht van de verdachte om in persoon op zijn proces te verschijnen door in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 een facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel op te nemen die specifiek aan de bescherming van dit recht is gewijd. Bovendien moet een dergelijke weigeringsgrond, zoals in punt 51 van het onderhavige arrest is benadrukt, worden uitgelegd in overeenstemming met de uit artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest voortvloeiende vereisten, zoals die zijn genoemd in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest.
65
De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet dan ook, om te beoordelen of er redenen zijn om de overlevering van de gezochte persoon krachtens dit artikel te weigeren, niet alleen rekening kunnen houden met de eventuele verstekprocedure die heeft geleid tot de definitieve veroordeling voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, maar ook met elke andere verstekprocedure die heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling zonder welke een dergelijk bevel niet had kunnen worden uitgevaardigd. Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 zou anders een groot deel van zijn nuttige werking verliezen.
66
Overigens kan, zoals de Europese Commissie heeft benadrukt, het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ naar meer dan één rechterlijke beslissing verwijzen, wanneer dit noodzakelijk blijkt voor de verwezenlijking van de doelstelling van dit artikel 4 bis, lid 1, dat met name beoogt de rechten van verdediging van de betrokkenen te versterken door te verzekeren dat hun grondrecht op een eerlijk strafproces is gewaarborgd (zie naar analogie arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek, C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 94).
67
Hieruit volgt dat een rechterlijke beslissing waarbij de gezochte persoon bij verstek is veroordeeld, moet worden beschouwd als een ‘beslissing’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, wanneer de vaststelling ervan bepalend is geweest voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.
68
Uit een en ander volgt dat artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling wordt herroepen en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, deze bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling een ‘beslissing’ in de zin van die bepaling vormt. Dat is niet het geval bij de beslissing tot herroeping van de tenuitvoerlegging van deze straf.
Tweede en derde vraag
69
Met zijn tweede en derde vraag in de gevoegde zaken C-514/21 en C-515/21, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat of verplicht om de overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat te weigeren of om diens overlevering afhankelijk te stellen van de garantie dat voor deze persoon in die lidstaat de weg openstaat voor een nieuw vonnis of een procedure in hoger beroep, wanneer blijkt dat de verstekprocedure die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, of tot een tweede strafrechtelijke veroordeling van deze persoon, die bepalend was voor de uitvaardiging van dat bevel, artikel 47 of artikel 48, lid 2, van het Handvest heeft geschonden. Hij vraagt zich tevens af of een dergelijke schending aan de wezenlijke inhoud van de door die artikelen gewaarborgde rechten moet raken.
70
In de eerste plaats volgt uit het antwoord op de eerste vraag in de gevoegde zaken C-514/21 en C-515/21 dat een strafrechtelijke veroordeling die bij verstek is gewezen en zonder welke de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd niet zou zijn herroepen, deel uitmaakt van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.
71
Na deze verduidelijking zij ten eerste in herinnering gebracht dat in dit artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), een nauwkeurige en uniforme opsomming wordt gegeven van de voorwaarden waaronder de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet mogen worden geweigerd (arrest van 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Hieruit volgt dat artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet toestaat de overlevering van de betrokkene te weigeren indien het Europees aanhoudingsbevel, wat betreft de rechterlijke beslissing waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd voor de tenuitvoerlegging waarvan dit bevel is uitgevaardigd, een van de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde vermeldingen bevat.
73
In elk van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde gevallen doet de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel namelijk geen afbreuk aan de rechten van de verdediging van de betrokkene en ook niet aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, zoals die zijn neergelegd in artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest (arrest van 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, EU:C:2013:107, punten 44 en 53).
74
Om dezelfde redenen mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 niet weigeren de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren wanneer het Europees aanhoudingsbevel, met betrekking tot de in punt 70 van het onderhavige arrest bedoelde bij verstek opgelegde strafrechtelijke veroordeling, een van de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde vermeldingen bevat.
75
Omgekeerd moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer het Europees aanhoudingsbevel geen van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 genoemde vermeldingen bevat, de overlevering van de gezochte persoon kunnen weigeren, ongeacht de vraag of de wezenlijke inhoud van zijn rechten van de verdediging is geschonden, aangezien een dergelijk vereiste niet voortvloeit uit de bewoordingen van dat artikel 4 bis en evenmin uit de in punt 50 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstelling ervan.
76
Uit de bewoordingen van artikel 4 bis zelf, in het bijzonder uit de vermelding dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel ‘kan […] weigeren’, volgt ook dat deze autoriteit over een zekere marge dient te beschikken om te beoordelen of in zodanig geval een dergelijke tenuitvoerlegging al dan niet moet worden geweigerd. Bijgevolg kan uit artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 niet worden afgeleid dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in een geval als in het vorige punt is beschreven, verplicht is de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren, zonder dat zij de omstandigheden van het concrete geval in aanmerking kan nemen [zie naar analogie arrest van 29 april 2021, X (Europees aanhoudingsbevel — Ne bis in idem), C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punten 43 en 44].
77
Deze uitlegging vindt steun in de algemene opzet van dit kaderbesluit. Zoals in punt 47 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vormt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel namelijk het in dat kaderbesluit neergelegde beginsel, waarbij de gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging uitzonderingen vormen. Het ontnemen van de mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval op grond waarvan zij tot de conclusie zou kunnen komen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de weigering van de overlevering, zou tot gevolg hebben dat wat nu louter als mogelijkheid is opgenomen in dat artikel 4 bis van dat kaderbesluit wordt vervangen door een echte verplichting, waardoor de uitzondering die de weigering van de overlevering is, tot basisregel wordt [zie naar analogie arrest van 29 april 2021, X (Europees aanhoudingsbevel — Ne bis in idem), C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 47].
78
Zoals de advocaat-generaal in punt 115 van haar conclusie in wezen heeft benadrukt, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit vanuit die optiek rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering van de betrokkene geen schending van zijn rechten van de verdediging inhoudt en deze betrokkene vervolgens aan de uitvaardigende lidstaat overleveren. In dit verband kan met name het gedrag van de betrokkene in aanmerking worden genomen, in het bijzonder het feit dat hij heeft getracht om te ontkomen aan de betekening van de tot aan hem gerichte informatie of om elk contact met zijn advocaten te vermijden (arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Ten tweede heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel enkel afhankelijk kan worden gesteld van een van de in artikel 5 van kaderbesluit 2002/584 limitatief opgesomde voorwaarden (arrest van 14 juli 2022, Procureur général près la cour d'appel d'Angers, C-168/21, EU:C:2022:558, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
De verbintenis van de uitvaardigende lidstaat om te erkennen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, recht heeft op een nieuw proces wanneer hij in strijd met zijn rechten van verdediging bij verstek is veroordeeld, behoort niet tot de in dat artikel 5 genoemde voorwaarden. Bijgevolg verzet het Unierecht zich ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, afhankelijk stelt van een dergelijke voorwaarde.
81
Dit neemt niet weg dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, teneinde een doeltreffende samenwerking op strafrechtelijk gebied te waarborgen, ten volle gebruik moet maken van de instrumenten als bedoeld in artikel 15 van kaderbesluit 2002/584 (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Bijgevolg kan deze autoriteit, in voorkomend geval door middel van een verzoek om aanvullende gegevens in de zin van artikel 15, lid 2, van dat kaderbesluit, garanties van de uitvaardigende lidstaat vragen dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zal worden geïnformeerd over het feit dat hij krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat het recht zal hebben op een nieuw proces waarbij hij aanwezig zal kunnen zijn en waarbij de zaak opnieuw ten gronde zal worden behandeld, nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten en de oorspronkelijke beslissing kan worden vernietigd, met dien verstande dat indien de uitvaardigende lidstaat een dergelijke garantie geeft, de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is de betrokkene over te leveren, overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1, onder d), van dat kaderbesluit.
83
In de tweede plaats volgt uit het antwoord op de eerste vraag, dat in punt 68 van het onderhavige arrest is weergegeven, dat de beslissing tot herroeping van de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 valt, zodat de omstandigheid dat deze beslissing bij verstek is gegeven geen rechtvaardiging kan vormen voor de weigering van een uitvoerende rechterlijke autoriteit om de gezochte persoon over te leveren.
84
Bovendien vormt een dergelijke omstandigheid geen van de in de artikelen 3 en 4 van dit kaderbesluit genoemde gronden tot verplichte of facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, zodat deze bepalingen evenmin een grondslag voor een dergelijke weigering kunnen vormen.
85
Zoals de advocaat-generaal in punt 126 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de overlevering van de gezochte persoon echter bij wijze van uitzondering worden geweigerd op grond van artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 72).
86
In dit verband moet niettemin meer in het bijzonder worden verduidelijkt dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts kan weigeren op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, voor zover zij, ten eerste, over gegevens beschikt die erop wijzen dat er wegens structurele of fundamentele gebreken een reëel gevaar van schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces is en zij, ten tweede, concreet en nauwkeurig heeft nagegaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van de gezochte persoon alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een dergelijk gevaar zal lopen in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaat (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 97).
87
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het onderhavige geval is voldaan aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden.
88
Ten slotte mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen gevolg geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat niet voldoet aan de minimumvereisten voor de geldigheid ervan, waaronder de vereisten die in artikel 1, lid 1, en in artikel 8 van kaderbesluit 2002/584 worden gesteld (zie in dit verband arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punten 69 en 70). In het onderhavige geval zijn er, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, geen gegevens die doen vermoeden dat de Europese aanhoudingsbevelen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, niet aan deze minimumeisen voldoen.
89
Aangezien kaderbesluit 2002/584 een uitputtende opsomming van de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel bevat (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C-158/21, EU:C:2023:57, punt 73), verzet dit kaderbesluit zich er bijgevolg tegen dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren om de reden dat de opschorting van de tenuitvoerlegging van die straf is herroepen bij een beslissing die bij verstek is gegeven.
90
Zoals in punt 80 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, staat dit kaderbesluit evenmin toe dat de overlevering van de gezochte persoon afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze persoon de bij verstek gewezen beslissing houdende herroeping van de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de uitvaardigende lidstaat opnieuw door de rechter kan laten onderzoeken.
91
Deze voorwaarde komt immers niet voor in de voorwaarden die zijn opgesomd in artikel 5 van kaderbesluit 2002/584, dat, zoals in punt 79 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, een uitputtende opsomming bevat van de voorwaarden waaraan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan worden onderworpen.
92
Uit een en ander volgt dat
- —
artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat om de overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat te weigeren wanneer blijkt dat de procedure die heeft geleid tot een tweede, voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel bepalende, strafrechtelijke veroordeling van deze persoon bij verstek is gevoerd, tenzij het Europees aanhoudingsbevel wat die procedure betreft een van de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde vermeldingen bevat,
- —
kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren op de grond dat de procedure die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, bij verstek is gevoerd, of de overlevering van die persoon afhankelijk stelt van de garantie dat voor deze persoon in die lidstaat de weg openstaat voor een nieuw vonnis of een procedure in hoger beroep waarbij een dergelijke beslissing tot herroeping of de tweede strafrechtelijke veroordeling die hem bij verstek is opgelegd en die bepalend blijkt voor de uitvaardiging van dat bevel, opnieuw kan worden onderzocht.
Kosten
93
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling wordt herroepen en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, deze bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling een ‘beslissing’ in de zin van die bepaling vormt. Dat is niet het geval bij de beslissing tot herroeping van de tenuitvoerlegging van deze straf.
- 2)
Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299,
moet aldus worden uitgelegd dat
het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat om de overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat te weigeren wanneer blijkt dat de procedure die heeft geleid tot een tweede, voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel bepalende, strafrechtelijke veroordeling van deze persoon bij verstek is gevoerd, tenzij het Europees aanhoudingsbevel wat die procedure betreft een van de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde vermeldingen bevat.
- 3)
Kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gelezen in het licht van artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren op de grond dat de procedure die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting van de vrijheidsstraf voor de tenuitvoerlegging waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, bij verstek is gevoerd, of de overlevering van die persoon afhankelijk stelt van de garantie dat voor deze persoon in die lidstaat de weg openstaat voor een nieuw vonnis of een procedure in hoger beroep waarbij een dergelijke beslissing tot herroeping of de tweede strafrechtelijke veroordeling die hem bij verstek is opgelegd en die bepalend blijkt voor de uitvaardiging van dat bevel, opnieuw kan worden onderzocht.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑03‑2023
Conclusie 27‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten — Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf — Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 — Begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ — Herroeping van een voorwaardelijke veroordeling — Rechten van de verdediging — Artikel 6 EVRM — Artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
T. Ćapeta
Partij(en)
Gevoegde zaken C-514/21 en C-515/211.
LU (C-514/21),
PH (C-515/21)
tegen
Minister for Justice and Equality
[verzoeken van de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Iemand heeft een strafbaar feit gepleegd en is na een eerlijk proces schuldig verklaard. Naar aanleiding van die schuldigverklaring is een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Daarna is diezelfde persoon beschuldigd van een tweede strafbaar feit dat hij tijdens zijn proeftijd voor het eerste strafbare feit heeft gepleegd. Het tweede proces heeft bij verstek plaatsgevonden en heeft ertoe geleid dat de betrokkene schuldig is verklaard en er een gevangenisstraf is opgelegd. Als gevolg daarvan is de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor het eerste strafbare feit herroepen. Aangezien de betrokkene in het buitenland was, is er een Europees aanhoudingsbevel (hierna: ‘EAB’) uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die voor het eerste strafbare feit was opgelegd.
2.
Kan de uitvoerende autoriteit de overlevering krachtens een EAB voor de tenuitvoerlegging van de straf voor het eerste strafbare feit weigeren omdat het tweede proces bij verstek is gevoerd? Om die vraag te beantwoorden dient artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ2. te worden uitgelegd. Meer bepaald dient de vraag te worden beantwoord of de in die bepaling gebruikte uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ ook ziet op dat tweede proces.
3.
Naast de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit wordt het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel naar aanleiding van deze prejudiciële verwijzingen met een grotere opgave geconfronteerd. In deze verwijzingen wordt de vraag opgeworpen of de uitvoerende autoriteit, buiten de in het EAB-kaderbesluit beoogde situaties, overlevering moet kunnen weigeren (of daartoe zelfs verplicht is) indien zij van oordeel is dat de uitvaardigende lidstaat een grondrecht (of althans de kern van dat recht) van de over te leveren persoon zou schenden.
4.
In het EAB-kaderbesluit wordt een uitputtende opsomming gegeven van de situaties waarin de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB moet of mag weigeren.3. Naast die situaties heeft het Hof het EAB-kaderbesluit in die zin uitgelegd dat er nog een mogelijkheid bestaat. Op grond van die rechtspraak kan de uitvoerende autoriteit eveneens overlevering weigeren indien er in de uitvaardigende lidstaat sprake is van structurele of fundamentele gebreken die bepaalde groepen van personen raken of bepaalde detentiecentra betreffen4., of sprake is van structurele of fundamentele rechtsstatelijke gebreken5.. Voordat de uitvoerende autoriteit in het geval van dergelijke structurele problemen beslist om niet tot overlevering over te gaan, dient zij eveneens vast te stellen of de over te leveren persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht in de uitvaardigende lidstaat wordt geschonden.6.
5.
In de onderhavige zaak wordt echter niet gesteld — en hetzelfde geldt voor diverse andere zaken die ten tijde van de lezing van deze conclusie7. voor het Hof aanhangig zijn — dat in de uitvaardigende lidstaat sprake is van structurele gebreken. Dat een nieuwe vraag rijzen: is één enkele mogelijke schending van de grondrechten van een over te leveren persoon voor de uitvoerende autoriteit voldoende om overlevering te kunnen weigeren? Dit werpt ook (opnieuw) de vraag op of de uitvoerende autoriteit überhaupt mag controleren of de grondrechten van de over te leveren persoon door de uitvaardigende lidstaat worden geëerbiedigd. Al deze zaken, de onderhavige verwijzingen daaronder begrepen, brengen problemen aan het licht waarmee uitvoerende rechterlijke autoriteiten worden geconfronteerd bij de aanvaarding van automatische wederzijdse erkenning, het beginsel waarop het EAB-stelsel is gebaseerd.8.
6.
Op de prejudiciële vragen kan een antwoord worden gegeven op een wijze die nuttig is voor de verwijzende rechter zonder dat een algemeen standpunt wordt ingenomen over de aanvullende mogelijkheden om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren. Dit is het geval, zoals zal worden aangetoond, omdat de prejudiciële vragen zijn gerezen in een context waarin een mogelijke schending van een grondrecht het gevolg is van een proces dat bij verstek is gevoerd. Voor een dergelijke situatie heeft de Uniewetgever een gemeenschappelijke visie vastgesteld in welke gevallen bij verstek gegeven rechterlijke beslissingen door alle nationale rechterlijke instanties dienen te worden erkend.9. Niettemin zal ik enkele argumenten aanvoeren waarom aanvullende redenen voor weigering van overlevering tot een minimum moeten worden beperkt.10.
II. Toepasselijke bepalingen
A. EAB-kaderbesluit
7.
Artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit bepaalt:
‘Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.’
8.
Artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit bepaalt de facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB onder de volgende voorwaarden:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
- a)
de betrokkene tijdig:
- i)
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
- ii)
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
- b)
de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
- c)
de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
- i)
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
- ii)
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
- d)
de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
- i)
hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
- ii)
dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
[…]’
B. Kaderbesluit 2009/299
9.
Artikel 4 bis is bij kaderbesluit 2009/299 in het EAB-kaderbesluit opgenomen als een aanvullende facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB. In dat verband zijn de volgende overwegingen van dat kaderbesluit van belang:
- ‘(1)
Het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens het proces maakt deel uit van het recht op een eerlijk proces dat is voorzien in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof heeft tevens verklaard dat het recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen, niet absoluut is, alsook dat de verdachte onder bepaalde voorwaarden uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar op ondubbelzinnige wijze afstand kan doen van dat recht.
[…]
- (6)
De bepalingen van dit kaderbesluit tot wijziging van andere kaderbesluiten leggen vast onder welke voorwaarden de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet behoort te worden geweigerd. Het gaat om alternatieve voorwaarden. Indien aan een van de voorwaarden is voldaan, geeft de uitvaardigende autoriteit door de desbetreffende rubriek van het Europees aanhoudingsbevel of van het relevante certificaat bij de andere kaderbesluiten in te vullen, de garantie dat aan de voorschriften is of zal worden voldaan, hetgeen voldoende zou moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van de beslissing op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
De inhoud die de twee gevoegde zaken in de kern gemeenschappelijk hebben, is samengevat in de inleiding van deze conclusie. Eerst zal ik dieper ingaan op de feiten van beide gevoegde zaken.
A. LU (C-514/21)
11.
Een Hongaarse rechterlijke autoriteit heeft verzocht om de overlevering van LU, appellant in het hoofdgeding, met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en heeft daartoe een EAB uitgevaardigd. De verwijzende rechter, de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland) is in dat verband de uitvoerende rechterlijke autoriteit.11.
12.
Bij het verzamelen van de relevante gegevens heeft de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland), die in eerste aanleg moest beslissen of het EAB ten uitvoer zou worden gelegd, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in totaal zeven keer verzocht om aanvullende gegevens op grond van artikel 15, lid 2, van het EAB-kaderbesluit.
13.
LU heeft in augustus 2005 verschillende strafbare feiten gepleegd, te weten huiselijk geweld tegen zijn voormalige echtgenote, hun kind en zijn schoonmoeder, waaronder geweldpleging tegen zijn voormalige echtgenote en wederrechtelijke vrijheidsberoving van haar en van hun kind. Ik zal deze strafbare feiten hierna de ‘eerste strafbare feiten’ noemen.
14.
In oktober 2006 is LU veroordeeld voor de eerste strafbare feiten en die veroordeling is in april 2007 in hoger beroep bekrachtigd. Volgens de verwijzende rechter heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bevestigd dat LU bij beide processen aanwezig of vertegenwoordigd was door een door hem gekozen raadsman. LU is aldus voor de eerste feiten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van twee jaar.12.
15.
In december 2010 is LU in eerste aanleg veroordeeld omdat hij geen kinderalimentatie had betaald, welk strafbaar feit ik hierna het ‘triggerende strafbare feit’ zal noemen. Hij is aanwezig geweest bij twee terechtzittingen, maar niet bij de uitspraak van de beslissing. De rechter in eerste aanleg heeft hem een geldboete opgelegd, maar heeft geen uitspraak gedaan over de voorwaardelijke straf voor de eerste strafbare feiten.13.
16.
Tegen die veroordeling is hoger beroep ingesteld, hoewel uit het procesdossier niet blijkt wie dat beroep heeft ingesteld.14. LU is gedagvaard om ter terechtzitting te verschijnen, maar de dagvaarding is niet afgehaald, hetgeen naar Hongaars recht een regelmatige betekening is. Aangezien LU niet ter terechtzitting aanwezig was, heeft de rechter in tweede aanleg voor hem een verdedigend raadsman benoemd die hem tijdens het proces heeft vertegenwoordigd.
17.
In juni 2012 heeft de rechter in tweede aanleg het oorspronkelijke vonnis (de geldboete) gewijzigd door LU te veroordelen tot vijf maanden gevangenisstraf en hem te verbieden gedurende één jaar een publieke functie uit te oefenen. Tegelijkertijd heeft de rechter in tweede aanleg bepaald dat de voor de eerste strafbare feiten opgelegde straf ten uitvoer moest worden gelegd en heeft daarbij de voorwaardelijke veroordeling herroepen.15.
18.
In september 2012 heeft de Hongaarse rechterlijke autoriteit vervolgens een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de straffen die voor zowel de eerste strafbare feiten als het triggerende strafbare feit waren opgelegd. LU heeft zich bij de High Court tegen zijn overlevering verzet en die rechterlijke instantie heeft zijn overlevering geweigerd.
19.
Uiteindelijk heeft LU verzocht om een nieuw proces met betrekking tot de eerste strafbare feiten. Dat verzoek is in eerste aanleg in oktober 2016 afgewezen en die afwijzing is in maart 2017 in hoger beroep bekrachtigd. LU was in beide instanties niet persoonlijk aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een door hem benoemde raadsman. Doordat het verzoek om een nieuw proces definitief was afgewezen, werd de gevangenisstraf voor de eerste feiten naar Hongaars recht weer uitvoerbaar. In juli 2017 heeft een Hongaarse rechterlijke autoriteit dus een tweede EAB uitgevaardigd, dat uitsluitend betrekking had op de straf voor de eerste strafbare feiten.16. Over dat tweede EAB moet de verwijzende rechter zich thans buigen als de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
20.
De verwijzende rechter is vooralsnog van oordeel dat het proces over het triggerende strafbare feit niet in overeenstemming was met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’). Indien dat proces wordt aangemerkt als het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, zou het dus mogelijk zijn om op grond van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren.
21.
LU heeft betoogd dat de gevangenisstraf voor de eerste strafbare feiten slechts ten uitvoer kan worden gelegd vanwege het proces over het triggerende strafbare feit. Hieruit volgt dat het proces over het triggerende strafbare feit moet worden aangemerkt als het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’. Aangezien dat proces bij verstek is gevoerd, voldoet het niet aan de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit op grond waarvan overlevering zou zijn toegestaan. Voorts heeft LU opgemerkt dat een nieuw proces ten aanzien van het triggerende strafbare feit niet mogelijk was en dat zijn overlevering derhalve een ‘flagrante schending’ van zijn rechten op grond van artikel 6 EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) zou zijn.
22.
De Minister for Justice and Equality (minister van Justitie en Gelijke Kansen; hierna: ‘minister’), geïntimeerde in het hoofdgeding, heeft daarentegen aangevoerd dat het proces over het triggerende strafbare feit slechts een ‘wijze van tenuitvoerlegging van de straf’ vormt en derhalve op grond van de bestaande rechtspraak van het Hof buiten de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit valt. Volgens de minister moet het EAB dan ook ten uitvoer worden gelegd en moeten de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat zich over eventuele schendingen van artikel 6 EVRM buigen.
23.
De verwijzende rechter vraagt zich af of de rechtspraak van het Hof zonder meer kan worden toegepast op de onderhavige zaak.
24.
In dat kader heeft de Court of Appeal het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1) a)
Wanneer om overlevering van de gezochte persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die ab initio was opgeschort maar waarvan de tenuitvoerlegging later is gelast naar aanleiding van de veroordeling van de gezochte persoon wegens een nieuw strafbaar feit, en die beslissing tot tenuitvoerlegging is gegeven door de rechter die de gezochte persoon voor dat nieuwe strafbare feit heeft veroordeeld en bestraft, maakt de procedure die tot die latere veroordeling en tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid dan deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van [het EAB-kaderbesluit]?
- 1) b)
Is het voor het antwoord op vraag 1a) hierboven relevant of de rechter die de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft gegeven, rechtens verplicht was om die beslissing te geven dan wel ten aanzien van een dergelijke beslissing een beoordelingsbevoegdheid had?
- 2)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden bevoegd om na te gaan of de procedure die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid en die in afwezigheid van de gezochte persoon is gevoerd, in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] is gevoerd, en in het bijzonder of de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden?
- 3) a)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden, indien zij genoegzaam heeft vastgesteld dat de procedures die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging hebben geleid niet in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] zijn gevoerd, en in het bijzonder dat de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden, bevoegd en/of verplicht om a) overlevering van de gezochte persoon te weigeren om reden dat die overlevering in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het [Handvest], en/of b) van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als voorwaarde voor overlevering de garantie te eisen dat de gezochte persoon, na overlevering, ten aanzien van de veroordeling die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing?
- 3) b)
Is bij vraag 3a) hierboven het toepasselijke criterium of de overlevering van de gezochte persoon afbreuk zou doen aan de kern van diens grondrechten krachtens artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest en, zo ja, is het feit dat de procedure die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid bij verstek is gevoerd en dat de gezochte persoon in het geval dat hij wordt overgeleverd geen recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit voldoende om te kunnen oordelen dat overlevering de kern van die rechten zou aantasten?’
B. PH (C-515/21)
25.
Een Poolse rechterlijke autoriteit heeft verzocht om de overlevering van PH, appellant in het hoofdgeding, met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en heeft daartoe een EAB uitgevaardigd. De uitvoerende rechterlijke autoriteit in dit verband is de Court of Appeal, die uitspraak doet in het hoger beroep dat is ingesteld tegen de beslissing van de High Court.
26.
PH is in mei 2015 veroordeeld omdat hij in januari van datzelfde jaar een dos-aanval17. op een commercieel bedrijf had uitgevoerd en daarbij had gedreigd de aanval voort te zetten tenzij hem een geldbedrag zou worden betaald. Ik zal dit strafbare feit hierna het ‘eerste strafbare feit’ noemen.
27.
PH is naar behoren van de procedure in kennis gesteld en was ter terechtzitting aanwezig. Hij is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van vijf jaar. Tegen de veroordeling en de straf heeft hij geen hoger beroep ingesteld.
28.
In februari 2017 werd PH veroordeeld voor wat ik wederom het ‘triggerende strafbare feit’ zal noemen. PH werd namelijk schuldig bevonden aan inbraak in een caravan en diefstal van voorwerpen daaruit. Hij is voor dat strafbare feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. Hij was niet op de hoogte van de terechtzitting en is daarom noch in persoon noch vertegenwoordigd door een raadsman ter terechtzitting verschenen.
29.
In mei 2017 heeft de rechterlijke instantie die hem voor het tweede strafbare feit had veroordeeld, beslist dat de gevangenisstraf voor het eerste strafbare feit ten uitvoer moest worden gelegd, daar het triggerende strafbare feit was begaan binnen de proeftijd voor dat eerste feit.18. PH was niet op de hoogte van deze procedure en is noch in persoon noch vertegenwoordigd door een raadsman verschenen op de terechtzitting die is uitgemond in het bevel tot tenuitvoerlegging van de straf voor het eerste strafbare feit.
30.
In februari 2019 is een EAB uitgevaardigd waarbij uitsluitend in verband met de gevangenisstraf voor het eerste strafbare feit is verzocht om overlevering van PH. Ten aanzien van de gevangenisstraf wegens de veroordeling voor het triggerende strafbare feit is geen EAB uitgevaardigd.
31.
De Poolse rechterlijke autoriteit heeft op verzoek van de High Court (de uitvoerende rechterlijke autoriteit in eerste aanleg) verder toegelicht dat de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de veroordeling voor het triggerende strafbare feit was verstreken. Diezelfde uitvaardigende autoriteit heeft hieraan toegevoegd dat elke partij naar Pools recht ‘een buitengewoon rechtsmiddel kan instellen (herziening, verzoek tot heropening van de procedure)’. Verdere informatie over die procedure heeft zij echter niet verstrekt.
32.
PH heeft zich bij de High Court tevergeefs tegen zijn overlevering verzet. De verwijzende rechter doet uitspraak in het hoger beroep dat is ingesteld tegen de beslissing van de High Court tot tenuitvoerlegging van het EAB.
33.
In dat kader heeft de Court of Appeal het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Wanneer om overlevering van de gezochte persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die ab initio was opgeschort maar waarvan later de tenuitvoerlegging is gelast naar aanleiding van een volgende veroordeling van de gezochte persoon wegens een nieuw strafbaar feit, maakt de procedure die tot die volgende veroordeling heeft geleid en/of de procedure die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, in een situatie waarin de beslissing tot tenuitvoerlegging op grond van die volgende veroordeling verplicht was, dan deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van [het EAB-kaderbesluit]?
- 2)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden bevoegd en/of verplicht om na te gaan of de procedure die tot de volgende veroordeling heeft geleid en/of de procedure die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, die beide in afwezigheid van de gezochte persoon zijn gevoerd, in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] is gevoerd, en in het bijzonder of de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden?
- 3) a)
Is de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de hierboven in vraag 1 geschetste omstandigheden, indien zij genoegzaam heeft vastgesteld dat de procedures die tot de volgende veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging hebben geleid niet in overeenstemming met artikel 6 [EVRM] zijn gevoerd, en in het bijzonder dat de rechten van verdediging en/of het recht op een eerlijk proces van de gezochte persoon door diens afwezigheid zijn geschonden, bevoegd en/of verplicht om a) overlevering van de gezochte persoon te weigeren om reden dat die overlevering in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en/of b) van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als voorwaarde voor overlevering de garantie te eisen dat de gezochte persoon na overlevering ten aanzien van de veroordeling die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing?
- 3) b)
Is bij vraag 3a) hierboven het toepasselijke criterium of de overlevering van de gezochte persoon afbreuk zou doen aan de kern van diens grondrechten krachtens artikel 6 EVRM en/of artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest en, zo ja, is het feit dat de procedure die tot de latere veroordeling en de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid bij verstek is gevoerd en dat de gezochte persoon in het geval dat hij wordt overgeleverd geen recht zal hebben op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit voldoende om te kunnen oordelen dat overlevering de kern van die rechten zou aantasten?’
IV. Procedure bij het Hof
34.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen in het hoofdgeding in beide zaken, Ierland en de Republiek Polen, en de Europese Commissie. Op 13 juli 2022 heeft de terechtzitting plaatsgevonden, waar LU, PH, Ierland en de Commissie pleidooi hebben gehouden.
V. Beoordeling
35.
De gevoegde zaken die aan de orde zijn zien op meerdere procedures die kunnen worden aangemerkt als een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit. De eerste procedures hebben geleid tot de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de eerste strafbare feiten en de personen wier overlevering aan de orde is waren bij die procedure aanwezig. De tweede procedures hebben geleid tot de veroordeling voor het triggerende strafbare feit en de personen wier overlevering aan de orde is waren bij die procedure niet aanwezig. Tot slot is bij de derde procedures bepaald dat de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor het eerste feit werd herroepen. In zaak C-514/21 is de beslissing tot opheffing van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf gegeven door dezelfde rechter en tijdens in hetzelfde proces als dat waarbij de betrokkene schuldig is verklaard voor het triggerende strafbare feit en de straf is bepaald. In zaak C-515/21 daarentegen is de beslissing tot opheffing van de opschorting door een andere rechter genomen in een andere procedure dan het proces over het triggerende strafbare feit.
36.
Volgens de verwijzende rechter ligt het voor de hand dat het recht op een eerlijk proces van de personen om wier overlevering is verzocht is geschonden door hun afwezigheid bij hun respectieve proces over de triggerende strafbare feiten. Hij wenst dus in wezen te vernemen of hij de tenuitvoerlegging van de EAB's in casu kan weigeren, ofwel rechtstreeks op grond van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit (de eerste vraag) ofwel op grond van artikel 6 EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest (de tweede en derde vraag).
37.
Bij mijn advies aan het Hof over de beantwoording van de prejudiciële vragen zal ik als volgt te werk gaan. In onderdeel A zal ik uiteenzetten waarom de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit aldus moet worden opgevat dat daaronder het type processen valt waarvan in beide zaken sprake is ten aanzien van de triggerende strafbare feiten. Dat betekent dat artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit van toepassing is op de situaties in beide zaken en dat de verwijzende rechter, op voorwaarde dat niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), de mogelijkheid heeft om appellanten niet over te leveren aan respectievelijk Polen en Hongarije. Daar de discussies in de schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting grotendeels draaiden om drie eerdere relevante zaken, Tupikas19., Zdziaszek20. en Ardic21., zal ik in dit onderdeel uiteenzetten wat volgens mij de relevantie daarvan voor de onderhavige zaken is.
38.
In onderdeel B zal ik mij richten op de tweede en de derde vraag tezamen in beide zaken. Deze vragen werpen mijns inziens kwesties op die van belang zijn voor het gehele EAB-stelsel zoals de Uniewetgever dat heeft opgezet en het Hof dat heeft uitgelegd. De verwijzende rechter heeft deze vragen niet zodanig geformuleerd dat zij afhankelijk zijn van het positieve of negatieve antwoord op de eerste vraag. Gelet hierop zal ik de tweede en derde vraag beantwoorden voor beide scenario's: indien het Hof van oordeel is dat de gevoegde zaken wel binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen, zoals ik in overweging geef, en indien het Hof van oordeel is dat zij niet binnen de werkingssfeer van die bepaling vallen.
A. Eerste vraag
39.
In het EAB-kaderbesluit worden de gronden tot verplichte weigering (artikel 3) en tot facultatieve weigering (artikelen 4 en 4 bis) van de tenuitvoerlegging van een EAB uitputtend uiteengezet. Artikel 4 bis van het EAB-kaderbesluit, waarvan om uitlegging is verzocht, is uitsluitend van toepassing indien de over te leveren persoon afwezig was op het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ ter uitvoering waarvan om overlevering is verzocht.
40.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, zoals dat is gebruikt in de inleidende volzin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit, moet worden uitgelegd. Meer bepaald wenst de verwijzende rechter duidelijkheid te verkrijgen over de draagwijdte van dat begrip en of daaronder de processen over de triggerende strafbare feiten vallen. Tevens is het van belang om te bepalen of de afzonderlijke procedures tot opheffing van de opschorting en tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen voor de eerste feiten onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vallen.
41.
Indien die vragen bevestigend worden beantwoord, zouden de situaties in beide zaken binnen de materiële werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen. Het antwoord van het Hof zal derhalve bepalen of de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft om de betreffende EAB's niet ten uitvoer te leggen indien zij van oordeel is dat geen van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met (d), van dat kaderbesluit genoemde situaties van toepassing is.
42.
Ter beantwoording van deze vraag zal ik als volgt te werk gaan. Eerst zal ik een korte schets geven van de eerdere zaken waarin het Hof de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ heeft uitgelegd. Daarna zal ik een voorstel doen voor een uitlegging van die uitdrukking die algemeen toepasbaar is en in lijn is met het doel van het recht om bij een proces aanwezig te zijn. Ik zal aantonen dat een dergelijke uitlegging in overeenstemming is met eerdere rechtspraak. Voor de beantwoording van de eerste vraag, onder b), in zaak C-514/21 zal ik stilstaan bij de rol van de beoordelingsbevoegdheid van de autoriteiten in de uitvaardigende lidstaat bij het uitvaardigen van de beslissing tot tenuitvoerlegging. Tot slot zal ik ingaan op enkele andere punten die in de procedures aan de orde zijn gekomen, zoals de doeltreffendheid van het EAB-stelsel en het gevaar van straffeloosheid.
1. Bestaande rechtspraak waarin de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ is uitgelegd en de toepasselijkheid daarvan voor de onderhavige zaken
43.
Het Hof heeft het in artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit gehanteerde begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, dat als een autonoom begrip van Unierecht wordt aangemerkt, reeds meermaals uitgelegd, in het bijzonder in de zaken Tupikas22., Zdziazsek23. en Ardic24.. De verwijzende rechter heeft gevraagd welke consequenties die arresten hebben voor de onderhavige zaken, welke ook door partijen bij deze procedures zijn besproken.
44.
Het Hof heeft geoordeeld dat een procedure in hoger beroep (zaak Tupikas) en een procedure voor een beslissing over de samenvoeging van afzonderlijke vrijheidsstraffen (zaak Zdziaszek) beide vielen onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’. Daarentegen heeft het Hof bij de uitlegging van dit begrip bepaald dat het zich niet uitstrekt tot een proces tot herroeping van een beslissing over een voorlopige vervroegde invrijheidsstelling (zaak Ardic).
45.
De situatie in de onderhavige zaken is vergelijkbaar met die in de bovengenoemde drie arresten in die zin dat de oorspronkelijke gevangenisstraf eerst is opgelegd bij het proces waar de schuld is vastgesteld en dat die straf is gewijzigd in een volgende procedure waarin niet de schuldigverklaring, maar slechts de duur van de vrijheidsbeneming opnieuw is onderzocht. De definitieve beslissing over veroordeling was derhalve, net zoals in de onderhavige zaken, het resultaat van meerdere procedures.
46.
Ondanks deze overeenkomsten verschillen de drie arresten ook van de situatie die tot de prejudiciële verwijzingen in casu hebben geleid. Het belangrijkste verschil is dat de wijziging van de oorspronkelijk opgelegde gevangenisstraf in geen van de drie zaken afhankelijk was van de schuldigverklaring en de straf voor een ander strafbaar feit. Voorts heeft het Hof in die zaken uitsluitend uitspraak gedaan in het licht van de specifieke omstandigheden daarvan en heeft het geen duidelijke of nadere algemene criteria gegeven voor wat een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ is in de zin van het EAB-kaderbesluit.25. Daarom kunnen de conclusies in die zaken niet automatisch op de onderhavige zaken worden toegepast.
47.
Hierna zal ik van de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ een uitlegging geven die algemeen toepasbaar is en vervolgens aantonen dat een dergelijke uitlegging, hoewel zij geen rechtstreeks gevolg van de eerdere zaken is, niet in tegenspraak met een van die zaken is.
2. In overweging gegeven uitlegging van ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’
48.
Voor de uitlegging van de in artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit voorkomende uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ acht ik het van belang om te belichten waarom het recht van een persoon om bij zijn proces aanwezig te zijn als een grondrecht wordt beschermd in de rechtsorde van de Unie.
49.
In het arrest Tupikas heeft het Hof toegelicht dat ‘de betrokkene zijn rechten van verdediging […] volledig [moet] kunnen uitoefenen om zijn standpunt doeltreffend aan te voeren en aldus invloed uit te oefenen op de eindbeslissing die ertoe kan leiden dat hem zijn individuele vrijheid wordt ontnomen’.26. In het arrest Zdziaszek heeft het Hof daaraan toegevoegd dat de betrokkene zijn rechten van verdediging daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen in het geval van beslissingen die gevolgen hebben voor de hoogte van de straf, vanwege de mogelijke belangrijke consequenties daarvan voor de betrokkene.27.
50.
Naar mijn mening, en ik word hierin gesteund door de aangehaalde rechtspraak, vormt de mogelijkheid van een persoon om invloed uit te oefenen op een rechter die bevoegd is de schuld van die persoon vast te stellen en hem een straf op te leggen, de kern van het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Derhalve moet iemand de mogelijkheid hebben om zelf invloed uit te oefenen op die eindbeslissing, in het bijzonder wanneer een uitspraak over zijn vrijheidsbeneming wordt gedaan. Indien de eindbeslissing voortvloeit uit meerdere procedures, moet die persoon de mogelijkheid hebben om aan al die procedures deel te nemen.
51.
Artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit heeft tot doel dit recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn te waarborgen in het kader van een overleveringsprocedure voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Derhalve moet het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ worden geacht zich uit te strekken tot alle stappen in de procedure die hebben bijgedragen aan de eindbeslissing over de vrijheidsbeneming in de uitvaardigende lidstaat.
52.
De beslissing waarbij de opschorting van een oorspronkelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt herroepen, is de beslissing waarbij de betrokkene zijn vrijheid wordt ontnomen. Het is mijns inziens cruciaal dat de betrokkene bij alle fasen die bepalend zijn voor die beslissing aanwezig is.
53.
Gelet op het voorgaande stel ik voor om de in artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit gehanteerde uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ uit te leggen als elke stap in de procedure die beslissende invloed heeft op de eindbeslissing over iemands vrijheidsbeneming.
54.
Dit betekent, zoals de Commissie heeft voorgesteld, dat alle procedures die deel uitmaken van deze zaken — de processen waarbij de oorspronkelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, de processen waarbij de personen in kwestie zijn veroordeeld voor de triggerende strafbare feiten, en de (eventueel afzonderlijke) procedures waarbij de oorspronkelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is gewijzigd — een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormen. Zij zijn alle bepalend voor de vrijheidsbeneming van de betrokkenen met het oog waarop om hun overlevering is verzocht.
55.
De rechtspraak van het Hof ten aanzien van het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ staat de voorgestelde uitlegging toe en ondersteunt deze zelfs.
3. Bestaande rechtspraak ter ondersteuning van de voorgestelde uitlegging
a) Kan het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ zich uitstrekken tot meerdere procedures?
56.
In het arrest Tupikas luidde het oordeel van het Hof als volgt: ‘[…] in het geval de procedure meerdere instanties heeft omvat die hebben geleid tot opeenvolgende beslissingen, waarvan ten minste een bij verstek is gewezen, [moet] onder ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, de instantie worden verstaan die tot de laatste van deze beslissingen heeft geleid […]’.28.
57.
Die volzin zou kunnen suggereren dat slechts de laatste procedure van belang is voor de vaststelling of artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit van toepassing is.
58.
In het arrest Zdziaszek, dat op dezelfde dag als het arrest Tupikas is gewezen, heeft het Hof echter toegelicht: ‘[…] [dat] moet worden vastgesteld dat in een geval als aan de orde in het hoofdgeding, waarin na een hoger beroep waarin de zaak opnieuw ten gronde is behandeld, bij een vonnis onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en hem tevens op grond daarvan een vrijheidsstraf is opgelegd, waarvan de duur evenwel is gewijzigd bij een latere beslissing die is genomen door de bevoegde autoriteit nadat deze haar beoordelingsbevoegdheid ter zake heeft uitgeoefend en waarbij de straf definitief is vastgesteld, deze twee beslissingen beide in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van [het EAB-kaderbesluit]’.29.
59.
Dat suggereert dat het Hof zich op het standpunt stelt dat meerdere fasen in de procedure alle van belang zijn voor het van toepassing worden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit indien zij bepalend zijn voor de straf waarbij een persoon zijn vrijheid wordt ontnomen. Het uit het arrest Tupikas aangehaalde punt dient derhalve in het kader van die zaak te worden begrepen: het Hof gaf antwoord op de vraag van de verwijzende rechter of een procedure in hoger beroep een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ is indien de betrokkene wel in eerste instantie, maar niet in de fase van het hoger beroep is verschenen. Die uiteenzetting staat niet in de weg aan de voorgestelde uitlegging, volgens welke onder de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ alle procedures vallen die bijdragen aan de beslissing over de vrijheidsbeneming.30.
60.
De onderhavige zaken verschillen van de eerdere zaken, aangezien de processen over de triggerende strafbare feiten, die bij verstek zijn gevoerd, geen betrekking hadden op de voorwaardelijke gevangenisstraf waarvoor het EAB was uitgevaardigd. Het effect van die processen op de definitieve straffen voor de eerste strafbare feiten was slechts toevallig. Tegelijkertijd was het ook beslissend.
61.
Hoewel de eerdere rechtspraak niet direct uitsluitsel biedt over de vraag of een dergelijk proces een proces is dat ‘tot de beslissing heeft geleid’, staat die rechtspraak niet in de weg aan een uitlegging volgens welke een dergelijk proces, indien het bepalend is voor de definitieve strafbeslissing, binnen de werkingssfeer van dat begrip valt.
62.
De beslissingen tot opheffing van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de eerste strafbare feiten waren afhankelijk van de schuldigverklaring in het tweede proces ten aanzien van de triggerende strafbare feiten, en van de aard en de duur van de voor die feiten opgelegde straffen. Gelet op het feit dat de processen over de triggerende strafbare feiten het bepalende onderdeel waren van de beslissingen tot opheffing van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de eerste strafbare feiten, maken zij deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
b) Zijn beslissingen tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf slecht een wijze van tenuitvoerlegging van de straf en derhalve uitgesloten van het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’?
63.
In het arrest Zdziaszek31. heeft het Hof onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’)32. een onderscheid gemaakt tussen de definitieve beslissing waarbij de aard en de maat van de opgelegde straf worden bepaald enerzijds, en de wijze van uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf anderzijds. Het heeft geoordeeld dat het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ de eerste, maar niet de tweede groep procedures omvat.33.
64.
Die bepaling heeft in de zaak Ardic een beslissende rol gespeeld. De verwijzende rechter heeft zich, net als alle betrokkenen bij de procedures bij het Hof, voor de beslechting van de twee onderhavige gevoegde zaken hoofdzakelijk op de consequenties van dat arrest gericht.
65.
De zaak Ardic had betrekking op de herroeping van de voorlopige invrijheidsstelling vóór het einde van de gevangenisstraf. Ardic, een Duits staatsburger, was bij twee vonnissen veroordeeld tot een vrijheidsstraf in Duitsland. Nadat hij een gedeelte van die straf had uitgezeten werd de tenuitvoerlegging van de resterende straf geschorst. Meer bepaald kan naar Duits recht, nadat een bepaald gedeelte van de vrijheidsstraf is uitgezeten en indien aan aanvullende voorwaarden is voldaan, de tenuitvoerlegging van de resterende vrijheidsstraf voorwaardelijk worden opgeschort en voorlopige invrijheidsstelling worden verleend.34.
66.
Ardic hield zich echter niet gehouden aan de voorwaarden voor de voorlopige invrijheidsstelling. Derhalve heeft een Duitse rechterlijke instantie de voorlopige invrijheidsstelling herroepen in een proces waarbij Ardic afwezig was. In de zaak Ardic, waarin de rechtbank Amsterdam (Nederland) een beslissing moest nemen over de tenuitvoerlegging van een EAB, moest het Hof de vraag beantwoorden of de procedure tot herroeping van de voorlopige invrijheidsstelling een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormde voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
67.
In het arrest Ardic heeft het Hof herhaald dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat kwesties inzake de tenuitvoerlegging of de toepassing van vrijheidsstraffen niet onder artikel 6, lid 1, EVRM vallen en derhalve ook niet onder artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.35. Het Hof heeft deze redenering toegepast op de situatie van Ardic en geoordeeld dat de beslissing in die zaak niet viel onder artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
68.
Op het arrest Ardic valt wel iets aan te merken. Het is bijvoorbeeld allesbehalve duidelijk waarom de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van de uitlegging van het begrip ‘vervolging’ (van belang voor de toepassing van artikel 6 EVRM) automatisch zou moeten worden toegepast op de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.36. Bovendien lijkt het moeilijk te verdedigen dat het Hof zich ook bijna uitsluitend heeft gebaseerd op de zaak Boulois tegen Luxemburg37. — die betrekking had op de afwijzing van een verzoek om tijdelijke invrijheidsstelling voor één dag38. — om te kunnen oordelen dat een beslissing tot herroeping van de voorlopige invrijheidsstelling de maatregel tot tenuitvoerlegging van de straf is. Door bij het arrest Ardic alleen maar van een formalistische lezing uit te gaan, waarbij beslissingen altijd ofwel in het hokje ‘wijze van tenuitvoerlegging van de straf’ ofwel in het hokje ‘beslissing over de aard en de maat van de straf’ moeten worden geplaatst, wordt echter geen recht gedaan aan de redenering van het Hof.
69.
De belangrijkste vaststelling van het Hof in het arrest Ardic is mijns inziens de volgende: ‘In het licht van het bovenstaande moet dus worden geoordeeld dat het in artikel 4 bis, lid 1, van [het EAB-kaderbesluit] voorkomende begrip ‘beslissing’ voor de doelstellingen van dat artikel niet ziet op een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, behalve wanneer die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte.’39.
70.
Het formele onderscheid tussen enerzijds beslissingen over de tenuitvoerlegging van een straf en anderzijds beslissingen over de aard en maat van een straf, leek geen beslissende rol te spelen voor de beantwoording van de vraag of de beslissing in kwestie een ‘beslissing’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit was. Van belang was dat een beslissing ofwel ertoe strekt ofwel tot gevolg heeft dat de eerder uitgesproken straf wordt gewijzigd. Voorts was het van belang dat de wijziging van de straf niet automatisch plaatsvindt, maar afhankelijk is van de beoordelingsbevoegdheid van de beslissingsautoriteit, op welk feit ik in het volgende onderdeel zal terugkomen.
71.
Of men zich nu wel of niet kan vinden in de toepassing van die uitlegging op de situatie in de zaak Ardic, het lijkt erop dat het Hof in die zaak is beïnvloed door het feit dat Ardic Duitsland had verlaten en de voorwaarden voor zijn voorlopige invrijheidsstelling dus duidelijk had geschonden.40. Het was dus niet een beslissing van een rechterlijke instantie die de aanzet gaf tot de herroeping van de voorlopige voorwaardelijke invrijheidsstelling, maar het feit dat Ardic zich duidelijk niet had gehouden aan de voorwaarden voor die voorlopige invrijheidsstelling.
72.
Die vaststelling in de specifieke omstandigheden van de zaak Ardic betekent niet dat de procedures in de onderhavige zaken, ten aanzien van zowel de triggerende strafbare feiten als de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen na de veroordelingen voor die feiten, niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen.
73.
De processen over de triggerende strafbare feiten hadden tot gevolg dat de wijziging van de in de eerste processen opgelegde straffen onvermijdelijk of althans mogelijk werd. De betrokkenen hadden derhalve de mogelijkheid moeten krijgen om zichzelf te verdedigen in het proces over de triggerende strafbare feiten.41. Hun aanwezigheid bij die processen was uiteraard van belang voor hun rechten van verdediging ten aanzien van de triggerende strafbare feiten zelf, maar niet van belang bezien vanuit artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit. Van belang is dat hun verdediging in de processen over de triggerende strafbare feiten van invloed had kunnen zijn op de wijziging van de straffen voor de eerste strafbare feiten waarvoor de EAB's waren uitgevaardigd.42.
74.
Wat betreft de processen over de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging, deze strekken er juist toe, indien zij losstaan van het proces over de triggerende strafbare feiten, dat de eerdere beslissing over de straf eventueel wordt gewijzigd. Indien de beslissingsautoriteit beoordelingsbevoegdheid heeft ten aanzien van een beslissing tot opheffing van de opschorting, valt die procedure derhalve onder de uiteenzetting van het Hof in de zaak Ardic, zoals weergegeven in punt 69 van deze conclusie.
75.
Samengevat staat eerdere rechtspraak niet in de weg aan de slotsom, maar ondersteunt haar zelfs, dat een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ iedere procedure is die (vanwege het gevolg of het doel ervan) beslissende invloed heeft op de definitieve beslissing waarbij de gevangenisstraf is opgelegd waarvoor een EAB is uitgevaardigd.
76.
De argumenten van de Minister of Justice and Equality en van Ierland, die onder verwijzing naar het arrest Ardic hebben geconcludeerd dat in de onderhavige gevoegde zaken een eenvoudige wijze van tenuitvoerlegging aan de orde is en zij derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen, kunnen dus niet worden aanvaard.
77.
Wanneer LU en PH de mogelijkheid wordt onthouden zich te verdedigen in de processen over de triggerende strafbare feiten, kan dit derhalve de reden zijn om de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren indien niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het EAB-kaderbesluit.
4. Beoordelingsbevoegdheid van de autoriteit die beslist over de wijziging van de straf
78.
Met de eerste vraag, onder b), in zaak C-514/21 wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de relevantie is van het eventuele bestaan van beoordelingsbevoegdheid voor de rechterlijke instantie in de uitvaardigende lidstaat bij de beslissing over de herroeping van de opschorting.
79.
Zoals ik eerder heb toegelicht ten aanzien van de implicaties van het arrest Ardic voor de onderhavige zaken, is de beoordelingsbevoegdheid van de beslissingsautoriteit van belang voor de kwalificatie van een beslissing als een beslissing die binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit valt. Door de beoordelingsbevoegdheid van de autoriteit die beslist over de herroeping van de opschorting, zoals in zaak C-514/21 aan de orde lijkt te zijn, wordt het proces over de triggerende strafbare feiten echter niet uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
80.
Ik zal dit toelichten.
81.
Beslissingen tot opheffing van de opschorting, hetzij automatisch (zoals in zaak C-515/21), hetzij op grond van de beoordelingsbevoegdheid van de beslissingsautoriteit (zoals in zaak C-514/21) hadden niet kunnen worden vastgesteld zonder de schuldigverklaring en de oplegging van de gevangenisstraffen voor de triggerende strafbare feiten. Indien de personen om wier overlevering is verzocht bij de processen over de triggerende strafbare feiten aanwezig waren geweest, dan hadden zij hun onschuld kunnen aantonen of invloed op de straf kunnen uitoefenen. De rechterlijke instantie die beslist over de triggerende strafbare feiten beschikte immers over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de aard en de maat van de straf.43.
82.
Indien de betrokkene niet schuldig was verklaard aan de triggerende strafbare feiten of de straf slechts van geldelijke aard was gebleven, dan had de procedure tot herroeping van de opschorting zelfs niet plaatsgevonden. De processen over de triggerende strafbare feiten waren de processen die de wijziging van de straffen voor de eerste feiten hebben ‘getriggerd’ (vandaar de benaming).
83.
Dat geldt uiteraard in een situatie waarin de herroeping van de opschorting automatisch plaatsvindt. Dit geldt echter evenzeer in een situatie waarin de beslissingsautoriteit beschikt over beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de opheffing van de opschorting. Die beoordelingsbevoegdheid was niet aan de orde geweest zonder de straf voor de triggerende strafbare feiten. Daarom hadden de betrokkenen, om hun rechten van verdediging behoorlijk te waarborgen, aanwezig moeten kunnen zijn bij zowel het proces over de triggerende strafbare feiten als de afzonderlijke procedure tot wijziging van de eerste gevangenisstraf, indien de autoriteiten bij die laatste procedure beschikten over beoordelingsbevoegdheid.
84.
De beoordelingsbevoegdheid van de autoriteit die beslist over de herroeping van de opschorting is derhalve niet van invloed op de vaststelling dat de processen over de triggerende strafbare feiten binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen. Zij is echter van belang voor de beslissing of dergelijke processen, indien zij afzonderlijk plaatsvinden zoals in zaak C-515/21 het geval lijkt zijn, ook onder de uitdrukking ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vallen.44.
85.
De persoon wiens vrijheid op het spel staat, moet in persoon op dat proces kunnen verschijnen indien de beslissingsautoriteit beschikt over beoordelingsbevoegdheid om de opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet of slechts gedeeltelijk te herroepen nadat de betrokkene schuldig is verklaard aan het triggerende strafbare feit. Een dergelijk proces is derhalve ook een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, naast de processen over de triggerende strafbare feiten, en de over te leveren persoon moet in de gelegenheid worden gesteld om bij beide processen aanwezig te zijn.
86.
Indien de beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf daarentegen slechts declaratoir van aard is en automatisch volgt uit de schuldigverklaring en de vaststelling van de straf voor de triggerende strafbare feiten, is het laatstbedoelde proces (en niet de herroepingsprocedure indien zij een afzonderlijke procedure is) het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit. Dat lijkt in zaak C-515/21 het geval te zijn.
5. Doeltreffendheid van het EAB-stelsel
87.
In het arrest Ardic heeft het Hof ervoor gewaarschuwd dat een te ver opgerekte uitlegging van het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid van het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel.45.
88.
Ik ben het ermee eens dat de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit niet ruim moet worden uitgelegd, daar deze bepaling de uitzondering op de algemene regel is dat de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit dient te vertrouwen en het EAB automatisch ten uitvoer dient te leggen.46. Artikel 4 bis is niet alleen in dat kaderbesluit opgenomen met als doel het EAB-stelsel doelmatiger te maken, maar ook om het niveau van bescherming van het recht om bij het proces aanwezig te zijn te verhogen.47.
89.
In dat verband moet worden opgemerkt dat artikel 4 bis, lid 1, niet voorkwam in de oorspronkelijke versie van het EAB-kaderbesluit, maar daaraan is toegevoegd bij kaderbesluit 2009/299 tot wijziging daarvan. De wijziging van 2009 had tot doel ‘duidelijke, gemeenschappelijke gronden [te bepalen] voor het niet erkennen van beslissingen die zijn gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen’48., hetgeen geldt voor alle verschillende instrumenten van Uniewetgeving met betrekking tot justitiële samenwerking in strafzaken.49.
90.
Artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit, dat het resultaat was van de bovengenoemde wijzigingen, harmoniseert de voorwaarden waaronder de autoriteit die een EAB ten uitvoer legt, in welke lidstaat ook, een in een verstekprocedure vastgestelde beslissing van een rechterlijke instantie in de uitvaardigende lidstaat mag weigeren te erkennen. Bij de wijziging is in ogenschouw genomen dat het recht om te verschijnen tijdens het proces deel uitmaakt van artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, maar ook dat dat recht niet absoluut is.50.
91.
Meer bepaald kan de verdachte uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar op ondubbelzinnige wijze, afstand doen van zijn recht om bij het proces aanwezig te zijn.51.
92.
Om vast te stellen dat dit het geval is, ziet artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit op situaties waarin de uitvoerende autoriteit moet concluderen dat de persoon om wiens overlevering is verzocht middels een EAB, afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces (of het nieuwe proces) in de uitvaardigende lidstaat [artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met c), van het EAB-kaderbesluit]. Indien een van die voorwaarden is vervuld of indien na overlevering de mogelijkheid bestaat van een nieuw proces in de uitvaardigende lidstaat [artikel 4 bis, lid 1, onder d), van het EAB-kaderbesluit], dan dient de uitvoerende autoriteit de middels een EAB gezochte persoon over te leveren.52. Immers, indien aan een van die voorwaarden is voldaan, is (of wordt) de persoon in kwestie de gelegenheid gegeven om bij het proces aanwezig te zijn en invloed uit te oefenen op de definitieve beslissing. Indien echter aan geen van die voorwaarden is voldaan, dan — en uitsluitend dan — kan de uitvoerende autoriteit op grond van het EAB-kaderbesluit de overlevering weigeren.
93.
Artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit maakt derhalve de weg vrij voor een geharmoniseerde en eenvoudige overlevering, maar eerbiedigt tegelijkertijd het hoge niveau van bescherming van verdachten van strafbare feiten, die de gelegenheid krijgen om zichzelf te verdedigen bij hun proces.
94.
De doeltreffendheid van het EAB-stelsel kan derhalve niet worden verwezenlijkt ten koste van de grondrechten van personen krachtens het constitutionele bestel van de Unie.
95.
Wat de Unie opvat als aanvaardbare grenzen aan het recht om bij het proces aanwezig te zijn, is duidelijk uiteengezet in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het EAB-kaderbesluit. Die grenzen liggen op een hoger niveau van bescherming dan de in artikel 6 EVRM geboden bescherming.53. Deze keuze van de Uniewetgever is bekrachtigd bij richtlijn 2016/343.54.
96.
Iemand die zijn vrijheid kan worden ontnomen moet daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld om invloed op een dergelijke beslissing uit te oefenen. Daartoe is het noodzakelijk, zoals ik heb toegelicht, dat die persoon de kans heeft om aanwezig te zijn bij alle instanties van de procedure die van beslissende invloed zijn op de beslissing over zijn vrijheidsbeneming.
97.
Dus hoewel kan worden betoogd dat het EAB-stelsel doelmatiger zou zijn indien de processen over de triggerende strafbare feiten geen deel zouden uitmaken van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, zou een dergelijke uitlegging indruisen tegen het op Unieniveau geharmoniseerde niveau van bescherming van het recht om bij het proces aanwezig te zijn.
98.
Het niveau van bescherming dat de Uniewetgever heeft gekozen en dat in alle lidstaten geldt, kan niet worden verlaagd vanwege zorgen over de doeltreffende werking van het EAB-stelsel.
99.
Derhalve kan het argument dat afbreuk wordt gedaan aan het EAB-stelsel door de uitlegging waarbij elke aanleg van de procedure die van invloed kan zijn op de beslissing over iemands vrijheidsbeneming wordt beschouwd als het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’, niet worden aanvaard.
6. Gevaar van straffeloosheid
100.
Hoe zit het met straffeloosheid? Zouden LU en PH een gevangenisstraf kunnen ontlopen die zij in hun respectieve uitvaardigende lidstaten moeten uitzitten indien de processen over de triggerende strafbare feiten onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vallen? Dat denk ik niet.
101.
De straf die hun na de processen over hun eerste strafbare feiten is opgelegd heeft niet tot hun vrijheidsbeneming geleid. Indien latere procedures die de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in gang zetten gebrekkig zijn, zou die vrijheidsbeneming zelf ook gebrekkig zijn. In die zin heeft de Commissie terecht opgemerkt dat het zonder de processen over de triggerende strafbare feiten niet mogelijk was geweest om in beide zaken een EAB uit te vaardigen. Uitsluiting van de latere procedures van de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit zou dan ook kunnen leiden tot onrechtmatige vrijheidsbeneming.
7. Voorlopige conclusie
102.
Derhalve ben ik van mening dat de term ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit moet worden uitgelegd als elke stap in de procedure die van doorslaggevende invloed is op de definitieve beslissing over de vrijheidsbeneming van een persoon. Dit is het geval omdat de betrokkene de mogelijkheid moet worden geboden om invloed uit te oefenen op de definitieve beslissing over zijn vrijheid.
103.
Mijns inziens vallen beide processen (over de eerste strafbare feiten en over de triggerende strafbare feiten) dan ook binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
B. Tweede en derde vraag
104.
Met zijn tweede en derde vraag in beide zaken, die ik tezamen zal behandelen, vraagt de verwijzende rechter het volgende: is hij bevoegd (of zelfs verplicht) om na te gaan of de procedure over de triggerende strafbare feiten en daaropvolgende beslissingen tot tenuitvoerlegging in de uitvaardigende lidstaat het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces hebben geschonden? Voor het geval schending van artikel 6 EVRM wordt geconstateerd, is de uitvoerende autoriteit dan bevoegd of zelfs verplicht om de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren of om voorwaarden te verbinden aan de overlevering aan de uitvaardigende lidstaat? Vereist een dergelijk onderzoek een beoordeling van de schending van de kern van het in artikel 6 EVRM gewaarborgde grondrecht beoordelen en wat vormt de kern van dat recht in een situatie waarin het proces bij verstek is gevoerd?
105.
Deze vragen moeten, afhankelijk van het antwoord op de eerste vraag, op verschillende wijze worden beoordeeld. Met andere woorden, de antwoorden zijn afhankelijk van de vraag of de processen over de triggerende strafbare feiten en de daaruit voortvloeiende beslissingen tot tenuitvoerlegging wel of niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen. Om het Hof zo goed mogelijk van dienst te zijn, zal ik in mijn conclusie ingaan op elk van beide wegen die het Hof uiteindelijk zou kunnen besluiten te volgen.
106.
Het is belangrijk om allereerst op te merken dat deze vragen voortvloeien uit het conflict tussen, enerzijds, de verplichting van nationale rechterlijke instanties om te controleren en te waarborgen dat artikel 6 EVRM wordt geëerbiedigd en, anderzijds, de idee van wederzijds vertrouwen waarop het EAB-stelsel berust en op grond waarvan de uitvoerende autoriteit in beginsel een EAB automatisch ten uitvoer moet leggen zonder de procedures in de uitvaardigende lidstaat in twijfel te trekken.
1. Optie 1: de processen over de triggerende strafbare feiten vallen binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit
107.
Is het Hof van oordeel, zoals ik in overweging heb gegeven, dat elk van beide processen over de triggerende strafbare feiten een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ is, dan betekent dit dat artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit van toepassing is. In dat geval is de verplichting tot overlevering of de mogelijkheid om overlevering te weigeren volledig afhankelijk van de in die bepaling geformuleerde voorwaarden.
108.
Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat een van die voorwaarden is vervuld, omdat bijvoorbeeld na overlevering de mogelijkheid bestaat van een nieuw proces in de uitvaardigende lidstaat als beoogd in artikel 4 bis, lid 1, onder d), van het EAB-kaderbesluit, dan is de uitvoerende autoriteit verplicht het EAB ten uitvoer te leggen.55. Indien is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het EAB-kaderbesluit, is er geen sprake van schending van artikel 6 EVRM. Een aanvullend onderzoek naar eventuele schendingen van die bepaling is dan ook niet noodzakelijk.
109.
Een dergelijke constatering volgt uit het doel van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit. Zoals ik heb toegelicht (in punt 89 van deze conclusie), is die bepaling ingevoerd ter harmonisatie van de voorwaarden waaronder het recht om bij een proces aanwezig te zijn kan worden beperkt. Dergelijke voorwaarden voldoen volledig aan het vereiste in artikel 6 EVRM en aan de uitlegging daarvan56. of bieden zelfs een hoger niveau van bescherming van dat grondrecht in vergelijking met het EVRM57..
110.
Derhalve zal de uitvoerende autoriteit, wanneer zij voldoet aan de verplichting tot overlevering krachtens artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit, zich noodzakelijkerwijs ook houden aan haar verplichtingen van artikel 6 EVRM.
111.
Daarentegen ontstaat voor de uitvoerende autoriteit de mogelijkheid om een EAB niet ten uitvoer te leggen indien een van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het EAB-kaderbesluit niet is vervuld. Dat betekent dat de uitvoerende autoriteit kan bepalen of zij het EAB wel of niet ten uitvoer legt.
112.
Een aanvullende vraag betreft derhalve de wijze waarop de uitvoerende autoriteit een dergelijke beoordelingsbevoegdheid zou moeten uitoefenen. Is het Unierecht, het EAB-kaderbesluit daaronder begrepen, van toepassing op de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid?
113.
Mijns inziens is het voor de mogelijkheid om overlevering te weigeren, op grond van het Unierecht slechts noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat geen van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit is vervuld.
114.
Het niveau van de op grond van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit geboden bescherming kan echter in bepaalde gevallen hoger zijn dan de op grond van artikel 6 EVRM geboden bescherming.58. Derhalve bestaat de mogelijkheid dat artikel 6 EVRM niet is geschonden, hoewel het recht om bij het proces aanwezig te zijn, zoals dat wordt opgevat in de rechtsorde van de Unie, wellicht niet is geëerbiedigd. Moet de uitvoerende autoriteit zichzelf in een dergelijk geval ervan overtuigen, voordat hij beslist tot overlevering over te gaan, dat artikel 6 EVRM niet is geschonden? Het antwoord op die vraag valt naar mijn mening niet onder het Unierecht.
115.
De uitvoerende autoriteit kan — maar moet niet, zelfs na te hebben vastgesteld dat voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit niet waren vervuld — rekening houden met andere omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de betrokkene geen schending van zijn rechten van verdediging krachtens artikel 6 EVRM impliceert, en de betrokkene vervolgens overleveren.59.
116.
Een moeilijkere vraag is de volgende: kan de uitvoerende autoriteit beslissen om een persoon over te leveren, zelfs indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit en de overlevering tegelijkertijd kan leiden tot mogelijke schending van artikel 6 EVRM?
117.
Naar mijn mening biedt het EAB-kaderbesluit in een dergelijk geval de uitvoerende autoriteit toch een optie en staat het niet in de weg aan een beslissing tot overlevering. Het voor de hand liggende bezwaar tegen die conclusie is dat hiermee de mogelijkheid wordt gecreëerd dat het grondrecht op een eerlijk proces van de betrokkene wordt geschonden. Is dit geoorloofd op grond van het Handvest of op grond van artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit? Natuurlijk niet. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van grondrechten ligt in een dergelijk scenario echter bij de uitvaardigende lidstaat (zoals ik nader zal toelichten bij mijn analyse van het scenario dat artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit niet van toepassing is op de onderhavige zaken).
118.
Hieruit volgt dat de uitvoerende autoriteit de mogelijkheid om overlevering te weigeren niet meer kan ontlenen aan artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit.
119.
Tot slot ben ik van mening dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij ervoor kiest een EAB ten uitvoer te leggen op grond van de haar in artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit verleende bevoegdheid, geen voorwaarden kan opleggen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Dit zou indruisen tegen de snelle werking van het EAB-stelsel en het wederzijdse vertrouwen tussen beide rechterlijke autoriteiten onder druk zetten. De optie van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit heeft betrekking op de mogelijkheid om wel of niet tot tenuitvoerlegging over te gaan, maar geeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet de bevoegdheid om de wijze waarop de tenuitvoerlegging plaatsvindt te veranderen.60.
2. Tussenconclusie
120.
Wanneer een situatie onder artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit valt, hoeft de uitvoerende autoriteit slechts na te gaan of aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Hiermee leeft deze autoriteit noodzakelijkerwijs tevens de verplichtingen na die op haar rusten krachtens artikel 6 EVRM.
3. Optie 2: de processen over de triggerende strafbare feiten vallen buiten de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit
121.
De tweede en de derde vraag in beide zaken snijden meer hout indien het Hof van oordeel is dat de processen over de triggerende strafbare feiten (of de terechtzitting voor de tenuitvoerlegging) geen deel uitmaken van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’. In dat scenario is er volgens het EAB-kaderbesluit geen mogelijkheid voor de uitvoerende autoriteit om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren.
122.
In het licht van de huidige uitlegging van het EAB-kaderbesluit lijkt de vraag of de uitvoerende autoriteit onderzoek mag doen naar eventuele schendingen van artikel 6 EVRM en, bij constatering daarvan, mag beslissen om het EAB niet ten uitvoer te leggen simpel te beantwoorden: zij mag dat niet. In het EAB-kaderbesluit zijn de redenen om een EAB niet ten uitvoer te leggen uitputtend opgesomd en het is de lidstaten niet toegestaan gronden toe te voegen die daarin niet zijn opgesomd.61.
123.
Dat lijkt echter problemen op te leveren voor steeds meer nationale rechterlijke instanties die met de tenuitvoerlegging van EAB's worden geconfronteerd en zich tegelijkertijd verplicht zien om artikel 6 EVRM te eerbiedigen.62. De verwijzende rechter lijkt van oordeel dat overlevering in de twee onderhavige zaken zou leiden tot een ‘flagrante rechtsweigering’63. en hem derhalve in een positie zou brengen waarin hij zijn verplichtingen op grond van het EVRM niet nakomt. Deze zorgen van nationale uitvoerende autoriteiten moeten niet worden genegeerd.
124.
Deze zaken werpen derhalve impliciet de vraag op of artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit ruimte laat voor aanvullende redenen om overlevering te weigeren, in het bijzonder indien de overlevering zou leiden tot een ‘flagrante rechtsweigering’ of, zoals de verwijzende rechter het in zijn vragen heeft geformuleerd, ertoe zou leiden dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.
125.
In artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit staat duidelijk dat de toepassing van die handeling niet mag leiden tot schending van de door het Unierecht erkende grondrechten en beginselen. De vraag van de verwijzende rechter kan dan ook aldus worden begrepen dat hij vraagt of hij bevoegd is om, ook indien geen van de in het EAB-kaderbesluit genoemde situaties van toepassing is, overlevering te weigeren indien hij toch zou constateren dat de mogelijkheid bestaat dat na overlevering in de uitvaardigende lidstaat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden.
126.
Het Hof heeft tot op heden in twee situaties vastgesteld dat er een dergelijke mogelijkheid op basis van artikel 1, lid 3, van het EAB-kaderbesluit bestond. Ten eerste heeft het Hof in het arrest Aranyosi en Căldăraru64. geoordeeld dat het gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, waarvoor een absoluut verbod geldt65., een reden is om overlevering te weigeren. Ten tweede heeft het Hof in het arrest LM66. geoordeeld dat het gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces ook een rechtvaardiging kon vormen om overlevering te weigeren.67.
127.
In beide situaties werd de twijfel dat een grondrecht van de over te leveren persoon niet zou worden geëerbiedigd echter gevoed doordat de uitvoerende autoriteit aanvankelijk had geconstateerd dat er in de uitvaardigende lidstaat sprake was van een fundamenteel of structureel probleem met de bescherming van de grondrechten. In het arrest Aranyosi en Căldăraru68. kon de uitvoerende autoriteit zijn beoordeling of de persoon om wiens overlevering werd verzocht onmenselijk of vernederend zou worden behandeld, baseren op de aanvankelijke constatering dat er sprake was van structurele of fundamentele gebreken die bepaalde groepen van personen raken of bepaalde detentiecentra betreffen. In de zaak LM69. en in latere zaken70. moest de uitvoerende autoriteit, alvorens te concluderen dat het recht op een eerlijk proces van een over te leveren persoon op het spel stond, eerst nagaan of er sprake was van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in de uitvaardigende lidstaat.
128.
De rechtvaardiging van de vaststellingen van het Hof in de omschreven arresten is gelegen in het feit dat wederzijds vertrouwen, dat de basis vormt voor wederzijdse erkenning, ontbreekt vanwege structurele gebreken. De uitvoerende autoriteit die kennis draagt van dergelijke gebreken kan derhalve twijfels uiten over de procedures in de uitvaardigende lidstaat en nagaan of er gevaar bestaat dat het recht van de over te leveren persoon wordt geschonden.
129.
Indien geen sprake is van dergelijke structurele en fundamentele gebreken, heeft de uitvoerende autoriteit mijns inziens echter geen reden om te controleren of het recht van de over te leveren persoon door de uitvaardigende lidstaat zal worden geschonden buiten de in het EAB-kaderbesluit beoogde situaties.
130.
Integendeel, wanneer dergelijke controles worden toegestaan zou dit ingaan tegen de idee van wederzijds vertrouwen waarop het EAB-stelsel berust. Dat stelsel is gebaseerd op de idee dat elke lidstaat de gemeenschappelijke fundamentele waarden eerbiedigt en zich voor de bescherming daarvan inspant.71.
131.
Het EAB-stelsel is ingevoerd met als doel dat overlevering snel kan plaatsvinden op basis van het vertrouwen in de instellingen van de andere lidstaten. Wanneer wordt toegestaan dat in elk afzonderlijk geval de eerbiediging van grondrechten wordt gecontroleerd, betekent dit dat het EAB-stelsel wordt teruggebracht tot iets wat meer weg heeft van de vroegere uitleveringsprocedures.
132.
Mocht dat nodig zijn, dan staat het mijns inziens niet aan het Hof maar aan de Uniewetgever om het EAB-stelsel, dat met het EAB-kaderbesluit is ingevoerd, zodanig te wijzigen.
133.
Ik kan niet uitsluiten dat zich eventueel situaties voordoen waarin het noodzakelijk blijkt toe te staan om te controleren of grondrechten van de persoon om wiens overlevering is verzocht mogelijkerwijs op individuele basis zijn geschonden, ook al is er in de uitvaardigende lidstaat geen sprake van structurele gebreken. Op een terrein waar harmonisatie op Unieniveau heeft plaatsgevonden, zoals het geval is ten aanzien van aanvaardbare grenzen aan het recht om bij het proces aanwezig te zijn72., zie ik echter geen enkele reden om uitzonderingen toe te voegen aan het EAB-stelsel zoals dat krachtens het EAB-kaderbesluit is opgezet.
134.
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de persoon om wiens overlevering is verzocht en die zich tegen zijn overlevering door de uitvoerende lidstaat verzet, zich niet kan beroepen op het feit dat richtlijn 2016/343 tot harmonisatie van, onder andere, bepaalde aspecten van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, niet is omgezet door de uitvaardigende lidstaat. Voorts heeft het Hof uiteengezet dat de verplichting van de uitvaardigende lidstaat om binnen zijn rechtsorde alle Unierechtelijke bepalingen, met inbegrip van richtlijn 2016/343, na te leven, onaangetast blijft.73. Het is de uitvaardigende lidstaat die een voor al zijn rechterlijke instanties beschikbaar middel moet bieden om de naleving van die richtlijn te handhaven.
135.
Derhalve kan het opleggen van de verplichting aan de uitvoerende autoriteit om een persoon over te leveren buiten de in het EAB-kaderbesluit bedoelde situaties niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.74. Zoals Ierland heeft opgemerkt, is de uitvaardigende lidstaat na overlevering nog steeds verantwoordelijk voor het waarborgen van de grondrechten.75.
136.
Derhalve ben ik van mening, mocht het Hof van oordeel zijn dat de processen over de triggerende strafbare feiten niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit vallen, dat de uitvoerende autoriteit verplicht is tot tenuitvoerlegging van het EAB. Indien er geen zorgen zijn over structurele gebreken in de uitvaardigende lidstaat, moet het de uitvoerende autoriteit niet zijn toegestaan om te controleren of artikel 6 EVRM in de uitvaardigende lidstaat is geschonden ten aanzien van de persoon om wiens overlevering is verzocht, maar is zij verplicht het EAB ten uitvoer te leggen.
137.
Tot slot heeft de verwijzende rechter in de derde vraag, onder b), in beide zaken gevraagd of een beoordeling van eventuele schendingen, op grond waarvan de uitvoerende autoriteit overlevering zou mogen weigeren, moet worden beperkt tot de schending van de kern van het grondrecht op een eerlijk proces.
138.
Naar mijn mening biedt het EAB-stelsel, naast de in het EAB-kaderbesluit beoogde situaties en wanneer er geen sprake is van structurele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, aan de uitvoerende autoriteit geen ruimte om te controleren of het grondrecht van de gezochte personen op een eerlijk proces in de kern is of zal worden aangetast.
4. Voorlopige conclusie
139.
Indien een situatie niet onder artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit valt en geen sprake is van structurele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, kan de uitvoerende autoriteit niet controleren of het grondrecht van de gezochte personen op een eerlijk proces in de kern is of zal worden geschonden, maar dient zij het EAB ten uitvoer te leggen.
140.
Na de tenuitvoerlegging van het EAB blijft de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de grondrechten van de overgeleverde persoon bij de uitvaardigende lidstaat berusten.
VI. Conclusie
141.
In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Court of Appeal te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
De term ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten dient te worden uitgelegd als elke stap in de procedure die van doorslaggevende invloed is op de definitieve beslissing over de vrijheidsbeneming van een persoon. Dit is het geval omdat de betrokkene de mogelijkheid moet worden geboden om invloed uit te oefenen op de definitieve beslissing over zijn vrijheid.
- a)
Wanneer om overlevering wordt verzocht met het oog op het ondergaan van een vrijheidsstraf die ab initio was opgeschort maar waarvan later de tenuitvoerlegging is gelast naar aanleiding van de veroordeling wegens een nieuw strafbaar feit, en die beslissing tot tenuitvoerlegging is gegeven door de rechter die de gezochte persoon voor dat nieuwe strafbare feit heeft veroordeeld en bestraft, maakt de procedure die tot die latere veroordeling en tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, deel uit van het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.
- b)
Om de procedure die tot de latere veroordeling heeft geleid te kwalificeren als ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is het niet relevant of de rechter die de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft gegeven, rechtens verplicht was om die beslissing te geven dan wel beschikte over een beoordelingsbevoegdheid daartoe. Het is niettemin relevant dat die procedure van doorslaggevende invloed was om terug te komen op de beslissing over de straf die tot de beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid.
- 2)
Wanneer een situatie onder artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt, hoeft de uitvoerende autoriteit slechts na te gaan of aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Hiermee leeft deze autoriteit noodzakelijkerwijs tevens de verplichtingen na die op haar rusten krachtens artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Indien een situatie niet onder artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit valt en in die situatie geen sprake is van structurele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, kan de uitvoerende autoriteit niet controleren of het grondrecht van de gezochte personen op een eerlijk proces in de kern is of zal worden geschonden, maar dient zij het EAB ten uitvoer te leggen. Na de tenuitvoerlegging van het EAB blijft de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de grondrechten van de overgeleverde persoon bij de uitvaardigende lidstaat berusten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑10‑2022
Oorspronkelijke taal: Engels.
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘EAB-kaderbesluit’).
Deze gevallen zijn uiteengezet in de artikelen 3, 4 en 4 bis van het EAB-kaderbesluit.
Arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 89).
Arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 61).
Zaken aangehaald hierboven in de voetnoten 4 en 5 en arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 51 en 52), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 50, 52, 67 en 68).
Zaken Puig Gordi e.a. (C-158/21 P); E. D. L. (Grond tot weigering op basis van ziekte) (C-699/21), en GN (C-261/22).
Arrest van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punten 37 en 63); advies 2/13 (Toetreding van de Europese Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 191).
Zie in dat verband kaderbesluit 2009/299. Zie ook richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), en arrest van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punten 62 en 63).
Zie in dat verband ook de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2022:573, punt 60). Ten tijde van de publicatie van deze conclusie is die zaak nog voor het Hof aanhangig.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter uitspraak doet in het hoger beroep dat is ingesteld tegen de beslissing van de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland), de rechter in eerste aanleg die zich over het EAB in kwestie heeft gebogen en heeft bepaald dat het ten uitvoer moest worden gelegd.
Aangezien appellant in het hoofdgeding tijdens het proces in eerste aanleg een maand in bewaring had gezeten, dient hij nog maximaal elf maanden gevangenisstraf uit te zitten.
Volgens de beschikbare informatie is het triggerende strafbare feit in 2008 begaan, derhalve tijdens de proeftijd die gold voor de eerste strafbare feiten.
De partijen ter terechtzitting voor het Hof hebben niet kunnen verklaren wie dat hoger beroep had ingesteld.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid of er sprake was van beoordelingsbevoegdheid bij de herroeping van die voorwaardelijke veroordeling. In deze zaak, anders dan in zaak C-515/21, vraagt de verwijzende rechter dan ook wat de relevantie is van het eventuele bestaan van een beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de herroeping van de voorwaardelijke veroordeling voor de eerste feiten.
De verwijzende rechter heeft aangegeven dat de straf voor het triggerende strafbare feit als gevolg van termijnen thans is verstreken. Dit is ook ter terechtzitting voor het Hof bevestigd.
Een denial-of-service-aanval (dos-aanval) is een cyberaanval waarbij de aanvaller probeert een machine of netwerkbron ontoegankelijk te maken voor zijn beoogde gebruikers door tijdelijk of voor onbepaalde tijd de diensten van een host die is aangesloten op het netwerk te verstoren. Bij een dos-aanval wordt het doelwit doorgaans overspoeld met een grote hoeveelheid verzoeken en wordt getracht overbelasting van de systemen tot stand te brengen, zodat niet kan worden gereageerd op alle of een deel van de legitieme verzoeken.
Volgens de beschikbare informatie over deze uitkomst noemde de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de beslissing tot tenuitvoerlegging ‘verplicht’.
Arrest van 10 augustus 2017 (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629).
Arrest van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629).
Arrest van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026).
Mitsilegas, V., ‘Autonomous concepts, diversity management and mutual trust in Europe's area of criminal justice’, Common Market Law Review, deel 57(1), 2020, blz. 45–78, op blz. 62.
Arrest van 10 augustus 2017 (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 84; cursivering van mij).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punten 87 en 91).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 81).
Arrest van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 93).
Uit de eerdere rechtspraak blijkt ook duidelijk dat een ‘beslissing’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit betrekking kan hebben op ofwel de definitieve schuldvaststelling ofwel de definitieve oplegging van een straf ofwel beide. Zie arresten van 10 augustus 2017, Tupikas (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 78 en 83), en 10 augustus 2017, Zdziaszek (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 94). In de onderhavige zaken gaan de prejudiciële vragen over beslissingen ten aanzien van gevangenisstraffen voor de eerste strafbare feiten en niet over beslissingen waarbij de schuld voor die feiten wordt vastgesteld.
Arrest van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punten 85 en 87).
Het Hof verwees naar de volgende zaken van het EHRM: EHRM, 21 september 1993, Kremzow tegen Oostenrijk (CE:ECHR:1993:0921JUD001235086, § 67) (betreffende de afwezigheid bij de terechtzitting in hoger beroep over de omzetting van een langdurige gevangenisstraf in een levenslange gevangenisstraf en de beslissing of die straf in een normale gevangenis of in een psychiatrisch ziekenhuis moest worden uitgezeten, welke afwezigheid volgens het EHRM schending vormde van artikel 6, lid 1, EVRM); EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg, (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 87) (betreffende de afwijzing van een verlofaanvraag voor één dag, waarbij werd geoordeeld dat deze geen deel uitmaakte van de strafrechtelijke component van artikel 6, lid 1, EVRM), en EHRM, 28 november 2013, Dementyev tegen Rusland (CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, § 23) (betreffende de afwezigheid bij de terechtzitting waar een samengestelde straf werd uitgesproken ten aanzien waarvan werd geoordeeld dat deze wel deel uitmaakte van de strafrechtelijke component van artikel 6, lid 1, EVRM).
Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C-271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85).
Zie voor de uiteenzetting van de relevante toepasselijke bepalingen in de zaak Ardic, arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punten 19–30), en de conclusie van advocaat-generaal Bobek van 20 december 2017 in die zaak (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1013, punten 29–33).
Arrest van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 75).
In dat verband verwijs ik de lezer naar de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1013, punt 46).
EHRM, 3 april 2012, CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 87). Opgemerkt moet worden dat de rechtspraak van het EHRM niet afdoende is als het gaat om het formuleren van een duidelijke regel ten aanzien van de vraag wat een beslissing over de aard of de maat van een straf is tegenover een beslissing over de wijze van uitvoering van een straf.
Zoals LU in zijn schriftelijke opmerkingen terecht heeft aangegeven, is dit nauwelijks te vergelijken met de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een gevangenisstraf.
Arrest van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 77). Cursivering van mij.
Zie in dat verband arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 80). Alle partijen bij de terechtzitting voor het Hof waren het erover eens dat de feiten in de zaak Ardic anders zijn dan die in de onderhavige twee zaken. De herroeping van de voorlopige invrijheidsstelling in de zaak Ardic was immers niet gebaseerd op een vaststelling van schuld, maar volgde op de vaststelling dat Ardic Duitsland had verlaten in strijd met de voorwaarden voor zijn voorlopige invrijheidsstelling. In de onderhavige twee zaken is de herroeping van de opschorting het gevolg van een strafproces dat leidde tot een schuldigverklaring waarbij de twee appellanten niet aanwezig waren.
Het feit dat de over te leveren personen wisten dat een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit zou leiden of kunnen leiden tot de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de eerste gevangenisstraf, doet niet aan deze slotsom af. In het arrest Ardic was het Hof daarentegen van oordeel dat het feit dat Ardic wist dat hij het land niet kon verlaten een argument was om de beslissing tot herroeping van de beslissing tot invrijheidsstelling uit te sluiten van de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 83). Dit kan echter worden verklaard doordat het Hof vaststelde dat een dergelijke schending van de voorwaarden voor invrijheidsstelling automatisch leidde tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. In de onderhavige zaken was de herroeping van de opschorting echter afhankelijk van de schuldigverklaring door een rechter voor een strafbaar feit die leidde tot een gevangenisstraf. Terwijl Ardic niets kon veranderen aan het feit dat hij het land had verlaten, konden de appellanten in de onderhavige zaken invloed uitoefenen op de beslissing over hun schuld en op de straf door de processen over de triggerende strafbare feiten bij te wonen.
Beide appellanten in de hoofdgedingen stelden dat de activering van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf voor het eerste strafbare feit het rechtstreekse gevolg is van de tweede veroordeling en dat die twee daarom zo nauw met elkaar verbonden zijn dat bij de beslissing over de tenuitvoerlegging van de EAB's rekening moet worden gehouden met de tweede veroordeling. Ook de verwijzende rechter is van oordeel dat er een sterk verband tussen de twee processen bestaat dat kan een rechtvaardiging kan vormen om het tweede proces aan te merken als het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Ik kan mij vinden in die argumenten.
Dit wordt duidelijk geïllustreerd door de situatie in zaak C-514/21, waar de rechter in eerste aanleg, nadat hij de betrokkene schuldig had verklaard aan de triggerende strafbare feiten, slechts een geldboete als straf oplegde, waarna de rechter in tweede aanleg die straf omzette in een gevangenisstraf.
Volgens de beschikbare informatie was de procedure tot herroeping van de opschorting in zaak C-515/21 een afzonderlijke procedure, maar beschikte de rechter in kwestie niet over enige beoordelingsbevoegdheid.
Arrest van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 87). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2022:573, punt 12).
Artikel 1, lid 2, van het EAB-kaderbesluit.
Zie in dat verband overweging 4 van kaderbesluit 2009/299/JBZ waarin onder meer staat te lezen dat dit ‘kaderbesluit […] ertoe [strekt] zulke gemeenschappelijke gronden nauwkeuriger te omschrijven, waardoor de uitvoerende autoriteit de beslissing met volledige inachtneming van het recht van verdediging van de betrokkene ten uitvoer kan leggen ondanks de afwezigheid van de betrokkene tijdens het proces. […]’
Overweging 4 van kaderbesluit 2009/299.
Zie de overwegingen 3 en 5 van kaderbesluit 2009/299.
Zie overweging 1 van kaderbesluit 2009/299.
Arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 42).
Diezelfde voorwaarden lijken in richtlijn 2016/343 te worden herhaald. Zie met name artikel 8, lid 2, en artikel 9 van die richtlijn.
Bijvoorbeeld het vereiste dat de betrokkene op grond van artikel 4 bis, lid 1, onder a), van het EAB-kaderbesluit daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces (zie voetnoot 58 hieronder). Zie ook Brodersen, K.H., Glerum, V., en Klip, A., ‘The European Arrest Warrant and in absentia judgments: The cause of much trouble’, New Journal of European Criminal Law, deel 13(1), blz. 7–27, blz. 12 en 21; Klip, A., Brodersen, K.H., en Glerum, V., The European Arrest Warrant and In Absentia Judgments, Maastricht Law Series nr. 12, Eleven International Publishing, Den Haag, 2020, blz. 110.
Zie arresten van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punten 43 en 44), en 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van gevluchte beklaagde) (C-569/20, EU:C:2022:401, punten 34, 35 en 37).
In dat verband werpen de onderhavige zaken overigens nog een vraag op: wanneer moet de uitvoerende autoriteit de overtuiging zijn toegedaan dat is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, van het EAB-kaderbesluit? De communicatie tussen de uitvoerende autoriteit en de uitvaardigende autoriteit vindt plaats op basis van het formulier in de bijlage bij het EAB-kaderbesluit. Dit formulier is voorzien van vakjes die moeten worden aangekruist en lijkt daarom niet helemaal geschikt voor optimale communicatie. In de onderhavige zaken zijn tussen de uitvoerende en de uitvaardigende autoriteit op grond van artikel 15 van het EAB-kaderbesluit diverse keren gegevens uitgewisseld. Vanuit de optiek van de verwijzende rechter leek dit echter niet voldoende om met zekerheid te kunnen bepalen of het recht om bij het proces aanwezig te zijn was geschonden. Zo heeft de uitvaardigende autoriteit in zaak C-515/21 toegelicht dat er een buitengewoon rechtsmiddel mogelijk was om de procedure over het triggerende strafbare feit te heropenen. De uitvoerende autoriteit leek er echter niet van overtuigd te zijn dat aan artikel 4 bis, lid 1, onder d), van het EAB-kaderbesluit was voldaan.
Zie de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Melloni (C-399/11, EU:C:2012:600, punten 80–82).
Zie voetnoot 50 hierboven.
Een voorbeeld hiervan is te vinden in de zaak die leidde tot het arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346). Polen had een EAB uitgevaardigd voor de overlevering van Dworzecki. Hoewel het proces bij verstek was gevoerd, verklaarde de Poolse uitvaardigende autoriteit dat hij officieel in kennis was gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces, omdat die informatie was afgeleverd aan een volwassen lid van zijn huishouding op het door hem opgegeven adres. Hoewel dit naar Pools recht als een regelmatige betekening wordt beschouwd, was niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 4 bis, lid 1, onder a), van het EAB-kaderbesluit op grond waarvan de betrokkene ‘persoonlijk’ moet zijn gedagvaard. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in dat geval niettemin de overlevering kan voortzetten door rekening te houden met andere omstandigheden op grond waarvan die rechterlijke autoriteit zich ervan overtuigt dat de rechten van verdediging van Dworzecki niet zullen worden geschonden (zie de punten 47–52 van dat arrest). Het EHRM heeft geoordeeld dat een voornemen om zich aan berechting te onttrekken een geldige reden is om een bij verstek veroordeelde persoon niet het recht op een nieuw proces te verlenen. Zie bijvoorbeeld EHRM, 14 juni 2001, Medenica tegen Zwitserland (CE:ECHR:2001:0614JUD002049192, §§ 55–56).
Zie in dat verband arresten van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 50), en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 51).
Uitgezonderd in de in artikel 5 van het kaderbesluit genoemde situaties die in de twee onderhavige zaken niet aan de orde zijn (namelijk ten eerste een situatie waarin een feit strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel die levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, en ten tweede een situatie waarin het EAB is uitgevaardigd met het oog op vervolging).
Arrest van 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 70).
Zie voetnoot 7 hierboven.
Dit zijn de bewoordingen van het EHRM. Zie bijvoorbeeld EHRM, 9 juli 2019, Kislov tegen Rusland, (CE:ECHR:2019:0709JUD000359810, §§ 107 en 115).
Arrest van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 88).
Arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 61, 68, 76, 78).
Arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 52), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 52).
Arrest van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 89).
Arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 61 en 68).
Dit is ook bevestigd in de arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C-354/20 PPU en C-412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 54 en 66), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 50 en 52).
Zie voetnoot 8 hierboven.
Zie in dat verband kaderbesluit 2009/299/JBZ en richtlijn 2016/343.
Zie in dat verband arrest van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C-416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 55). Zie voor een ander standpunt Böse, M., ‘European Arrest Warrants and Minimum Standards for Trials in absentia — Blind Trust vs. Transnational Direct Effect?’, European Criminal Law Review, deel 11(3), 2021, blz. 275–287, op blz. 285–286. Böse suggereert dat weigering ook is toegestaan indien er in de uitvaardigende lidstaat een evident gebrek aan rechterlijke bescherming is waardoor de verweerder zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt ontnomen en dat de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd zich ook in een overleveringsprocedure moet kunnen beroepen op richtlijn 2016/343.
Zie in dat verband de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1013, punt 78), waarin hij heeft uiteengezet dat de hoofdrol van de uitvaardigende lidstaat op het gebied van de bescherming van de rechten van verdachten is erkend in het EAB-kaderbesluit.
Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2022:573, punten 85, 87 en 116).