Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.2.1.4
1.2.1.4 De rechtspersoonlijkheidsdiscussie
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391759:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Onder andere in HR 11 juni 1880, W. 4521; HR 20 november 1914, NJ 1915/148 en HR 9 april 1958, NJ 1958/331.
Zie voor een beknopte weergave van deze discussie bijvoorbeeld Huussen-De Groot 1976, p. 130-132.
Diephuis 1886, p. 405; Scholten 1922.
Polak 1960, p. 9, 10 en 12.
Schoordijk 1983, p. 19.
Opzoomer 1885, p. 24.
Meijers 1948, p. 197.
Wolfsbergen 1938, p. 321.
Ook buiten Boek 2 BW wordt aan enkele verbanden expliciet rechtspersoonlijkheid toegekend, zoals aan de vereniging van eigenaars in art. 5:124 lid 1 BWen aan de Europese ondernemingsvormen. Polak 1960, p. 10; Peters 1996, p. 59.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 71.
Timmerman 2000, p. 136-137.
HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, RO 2015/28 (VDV Totaalbouw).
Onder het regime van het Burgerlijk Wetboek van 1838 bestond onduidelijkheid over de vraag of de VOF in aanmerking kwam voor rechtspersoonlijkheid of dat het de bedoeling van de wetgever was geweest om rechtspersoonlijkheid voor te behouden aan die rechtsvormen waaraan door een expliciete wettelijke bepaling rechtspersoonlijkheid was toegekend. In het Burgerlijk Wetboek van 1885 werd een gehele titel (Titel 10 ‘Van zedelijke lichamen’, Boek 3) gewijd aan wat wij nu kennen als rechtspersonen. Het was hier waar de rechtspersoon gestalte kreeg.1 De Hoge Raad heeft een aantal keren uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de VOF geen rechtspersoon is.2 Niettemin bleef er in de literatuur discussie bestaan over de vraag of de VOF rechtspersoon was.3
Diephuis meende dat de VOF rechtspersoonlijkheid bezat, in welk standpunt hij werd gevolgd door Scholten die zich daarbij op de oudvaderlandse traditie baseerde.4 Volgens onder anderen Polak voldoet de VOF aan bepaalde voor rechtspersoonlijkheid vereiste regels van organisatorische aard en heeft zij zelfstandigheid in het rechtsverkeer, waardoor zij rechtspersoonlijkheid heeft of er ten minste sprake is van beperkte personificatie van de VOF.5 Schoordijk noemde als kenmerk van rechtspersoonlijkheid een van het vermogen van de deelgenoten afgescheiden vermogen dat een bepaald gemeenschappelijk doel dient en waarop zaaksschuldeisers met uitsluiting van privéschuldeisers verhaal hebben.6 De in hoofdstuk 3 te bespreken gebonden mede-eigendom bij de VOF zou volgens hem dan ook een sequeel van rechtspersoonlijkheid zijn.
Volgens Opzoomer verschilde de maatschap wezenlijk van het zedelijke lichaam (nu: de rechtspersoon): ‘De maatschap vereenigt verscheidene personen, het zedelijk lichaam maakt ze tot éenen persoon’.7 Een belangrijk verschil is volgens hem dat de maatschap eindigt door de dood of de opzegging van een of meer leden, terwijl het zedelijk lichaam onafhankelijk van het aantal leden bestaat. Verder schrijven zij die menen dat de VOF geen rechtspersoonlijkheid heeft dit voornamelijk toe aan het feit dat het afgescheiden vennootschappelijk vermogen slechts de belangen van de vennoten dient, die ook de eigenaren zijn van de vennootschapsgoederen.8 In 1938 constateerde Wolfsbergen dat de VOF zich op een tweesprong bevond en dat een keuze moest worden gemaakt: terugkeren tot de simpele overeenkomst of de richting van de rechtspersoonlijkheid inslaan.9
Met de invoering van Boek 2 BW in 1976 en de opsomming van privaatrechtelijke rechtspersonen in art. 2:3 BW (verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, NV’s, BV’s en stichtingen)10 leek de vraag of de VOF rechtspersoonlijkheid toekwam voldoende (ontkennend!) beantwoord, maar niet iedereen was overtuigd. Raaijmakers ziet de VOF nog altijd als rechtspersoon, omdat zij een zelfstandige rechtsdrager is.11 Volgens Timmerman bevindt de VOF zich aan de grens van rechtspersoonlijkheid. Zij is geen rechtspersoon, maar heeft er wel bepaalde elementen van; er is sprake van ‘beperkte personificatie’.12 Ik sluit mij hierbij aan. Naar mijn mening vertoont de VOF door het als organisatie naar buiten treden wel een zekere eenheid in het rechtsverkeer, maar is zij geen rechtspersoon. De Hoge Raad en de wetgever hebben haar namelijk vooralsnog geen rechtspersoonlijkheid toegekend. Zo heeft de Hoge Raad op 6 februari 2015 nog geoordeeld:
‘Een vof heeft geen rechtspersoonlijkheid. Zij is een bij overeenkomst aangegane rechtsverhouding strekkende tot de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam in een duurzaam samenwerkingsverband. (…) Ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid wordt de vof in het maatschappelijk verkeer gezien en op diverse plaatsen in de wet (…) behandeld als een afzonderlijk rechtssubject dat zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen’.13
Op de consequenties van het ontbreken van rechtspersoonlijkheid voor onder andere het vermogensrechtelijke regime van de VOF ga ik in de volgende hoofdstukken uitvoerig in.