Bij de stukken bevindt zich tevens een mededeling uitspraak van 30 maart 2022, waaruit kan worden afgeleid dat op 14 maart 2022 arrest is gewezen. Blijkens een herstelbeslissing van 15 maart 2022 is het dictum van dit arrest hersteld, in die zin dat dit luidt: “Heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd”. Ik kom hier op terug.
HR, 03-02-2026, nr. 24/00998
ECLI:NL:HR:2026:160
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
24/00998
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:160, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:3056
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1386
ECLI:NL:PHR:2025:1386, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:160
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0038
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.a en 432.1.c Sv. Is cassatieberoep tijdig ingesteld? HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Hof heeft verdachte op 14-3-2022 veroordeeld voor art. 9.2 WVW 1994. Op 15-3-2022 heeft hof een herstelbeslissing genomen en dictum gewijzigd naar: “Heropent en schorst onderzoek voor onbepaalde tijd”. Hof heeft verdachte op 9-9-2022 (opnieuw) veroordeeld voor art. 9.2 WVW 1994. Op 18-3-2024 is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Cassatieakte houdt in dat cassatieberoep is gericht tegen arrest hof van 9-9-2022. Aan akte gehechte bijzondere volmacht houdt in dat cassatieberoep is gericht tegen beslissing hof van 14-3-2022. In beide gevallen is cassatieberoep te laat ingesteld o.g.v. art. 432.1.a Sv (uitgaande van arrest van 9-9-2022) resp. art. 432.1.c Sv (uitgaande van beslissing van 14-3-2022). Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00998
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2022, nummer 22-001112-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Tardief ingesteld beroep; niet-naleving art. 432 lid 1 aanhef en onder a Sv dan wel art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv. Het hof heeft de verdachte op 14 maart 2022 veroordeeld voor overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994. Op 15 maart 2022 heeft het hof een herstelbeslissing genomen en het dictum gewijzigd in die zin dat dit luidt: “Heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd”. Het hof heeft de verdachte op 9 september 2022 (opnieuw) veroordeeld voor overtreding van art. 9 lid 2 WVW. Op 18 maart 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De akte houdt in dat het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 september 2022, maar de aan de akte gehechte bijzondere volmacht houdt in dat het cassatieberoep zich richt tegen de beslissing van het hof van 14 maart 2022. In beide gevallen is het beroep te laat ingesteld, zodat de conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00998
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 9 september 20221.door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001112-21) wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel, waaraan voorafgaand wordt betoogd dat de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep, bevat de klacht dat het opmaken van een proces-verbaal met daarin een aantekening mondeling arrest van 9 september 2022 achterwege is gebleven, als ook het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting van 14 maart 2022.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
In de cassatieschriftuur wordt aangevoerd dat namens de verdachte tijdig beroep in cassatie is ingesteld, nu de verdachte op 14 maart 2022 (bij verstek) is veroordeeld en de oproep voor deze zitting niet in persoon aan hem is betekend.
2.2
De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) Op 2 april 2021 is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Den Haag wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren.
(ii) Op 16 april 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
(iii) De verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting van het hof van 16 juli 2021. Blijkens het proces-verbaal van die (rol)zitting zijn de verdachte en zijn raadsman niet verschenen. Het hof heeft daarop het onderzoek geschorst tot 3 december 2021 en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer voor strafzaken, met bevel tot oproeping van de verdachte en zijn raadsman.
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2021 houdt in dat de verdachte niet is verschenen, dat hij per e-mailbericht van 2 december 2021 wegens ziekte heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en dat de raadsman van de verdachte zich heeft onttrokken aan de zaak. Blijkens het proces-verbaal heeft het hof het onderzoek vervolgens geschorst tot 14 maart 2022, met bevel tot oproeping van de verdachte.
(v) De oproeping voor de zitting van 14 maart 2022 is na vergeefse aanbieding op het BRP-adres van de verdachte op 8 februari 2022 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en als gewone brief naar het BRP-adres van de verdachte verzonden.
(vi) Op 14 maart 2022 om 10:00u heeft de verdachte een e-mailbericht verzonden aan de strafgriffie van de rechtbank Den Haag, welk bericht klaarblijkelijk op 15 maart 2022 is doorgestuurd naar het ressortparket. Dit bericht houdt in:
“Beste heer mevrouw,
Bij deze wil ik doorgeven dat ik en mijn advocaat beide niet aanwezig kunnen zijn bij de zaak conform kenmerk 22-001112-21 14 maart 2022 10:30
Beide zijn wij positief op het COVID 19 virus.
Om meerdere besmettingen te voorkomen leek het ons verstandiger om deze uit te stellen, excuses voor de e-mail op het laatste moment. Maar mijn advocaat [betrokkene 1] van [A] advocaten liet mij het daar straks weten, anders had hij in ieder geval gekomen.
Mijn zeer gemeende excuses voor het ongemak.
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
(vii) Een aan de verdachte geadresseerde “Mededeling uitspraak (V.V.)” van 30 maart 2022, verzonden namens de advocaat-generaal, houdt in dat de verdachte bij arrest van het hof van 14 maart 2022 wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Blijkens de daarop betrekking hebbende akte is deze mededeling op 6 april 2022 aan de verdachte in persoon uitgereikt.2.
(viii) Een beslissing van het hof van 15 maart 20223.houdt het volgende in:
“Rolnummer: 22-001112-21
(…)
Herstelbeslissing
van het in hoger beroep gewezen arrest van dit hof van 14 maart 2022 in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
Het hof heeft geconstateerd dat dit arrest een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich voor eenvoudig herstel leent.
Bij voormeld arrest is het vonnis waarvan beroep bevestigd. Door een administratieve omissie heeft het door de verdachte d.d. 14 maart 2022 om 10.00 uur verzonden e-mailbericht, inhoudende een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, het hof eerst op 15 maart 2022 bereikt.
Indien het hof ter terechtzitting van 14 maart 2022 kennis had genomen van dit verzoek dan had het hof beslist tot toewijzing van het verzoek en tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd. Op grond van het vorenstaande zal het hof het dictum van het arrest van 14 maart 2022 verbeteren als hierna te melden.
HERSTELBESLISSING
Het hof:
Herstelt het dictum in voormeld arrest in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:
Heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.
Beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting.
Stelt de stukken daartoe in handen van de advocaat-generaal.”
(ix) Op 11 juni 2022 is aan de verdachte in persoon een oproeping voor de zitting van 9 september 2022 uitgereikt.
(x) Op 9 september 2022 is de verdachte door het hof (op tegenspraak) wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
(xi) Op 18 maart 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De akte houdt in dat het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 september 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, onder parketnummer 22-001112-21 door het hof gewezen in de zaak tegen de verdachte. De daaraan gehechte bijzondere volmacht houdt echter in:
“Hierbij geef ik u, de griffiemedewerker, last en volmacht om namens mijn cliënt, [verdachte] , cassatie in te stellen tegen de beslissing d.d. 14 maart 2022,4.gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag, onder parketnummer 22-001112-21 (96-22013120).”
2.3
Art. 432 Sv luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(…)
2.4
Als er – zoals in de schriftuur wordt betoogd – van moet worden uitgegaan dat het hof op 14 maart 2022 arrest heeft gewezen in de zaak tegen de verdachte en het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, geldt het volgende. In art. 432 lid 1, aanhef en onder c, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Uit het hiervoor in randnummer 2.2 onder (vi) weergegeven e-mailbericht van de verdachte moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 14 maart 2022 tevoren bekend was. Daarom had op grond van art. 432 lid 1, aanhef en onder c, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 14 maart 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 18 maart 2024. Dit betekent dat het cassatieberoep te laat is ingesteld en tot gevolg heeft dat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
2.5
Als er overeenkomstig de akte cassatie van moet worden uitgegaan dat het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van 9 september 2022, geldt het volgende. In art. 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend. Blijkens de stukken is de dagvaarding om op de terechtzitting van het hof van 9 september 2022 te verschijnen op 11 juni 2022 aan de verdachte in persoon betekend. Daarom had op grond van art. 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 9 september 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 18 maart 2024. Dit betekent dat het cassatieberoep te laat is ingesteld. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.5.
3. Slotsom
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
In het dossier bevindt zich geen document van het hof zelf waarin deze uitspraak is vastgelegd.
Ik zie in het dossier niet terug of en zo ja, hoe de verdachte in kennis is gesteld van deze herstelbeslissing.
Cursivering A-G VS.
Uit de vermelding ‘tegenspraak’ op de aantekening van het mondeling arrest kan worden afgeleid dat de verdachte of een gemachtigde raadsman/raadsvrouw ter terechtzitting aanwezig was. Mocht de verdachte ter terechtzitting aanwezig zijn geweest, dan zou dat betekenen dat hij ook via de band van art. 432 lid 1 aanhef en onder b niet-ontvankelijk zou zijn in het cassatieberoep. Ook indien namens de verdachte een gemachtigde raadsman/raadsvrouw zou zijn verschenen, had het cassatieberoep binnen veertien dagen moeten worden ingesteld, vgl. bijv. HR 27 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1093.