Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.3.1
8.3.1 Inleiding
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971943:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hijink & Van de Sandt 2022, p. 73 e.v. Uit Tabel 8 (p. 74) volgt dat in de periode 2008 – 2020 van de 585 enquêteverzoeken 501 (86%) zijn gedaan door kapitaalverschaffers en 10 (2%) door economisch gerechtigden. Daarnaast zijn 9 (2%) enquêteverzoek gedaan door leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij.
Zie ook Du Bois & Hermans 2022, p. 455 e.v. en 460-462; en Van der Korst 2022, p. 1084 e.v. Ik verwijs voorts naar de enquêtebeschikkingen die in de voorgaande hoofdstukken zijn aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 m.nt. J.M.M. Maeijer (HBG), r.o. 6.8.2, waarin de Ondernemingskamer voor de vraag of gebrekkige informatieverstrekking in strijd is met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap relevant acht of het bestuur “in dit opzicht bij herhaling en stelselmatig tekortschiet”.” Zie ook HR 21 februari 2003, NJ 2003/181 (VIBA), r.o. 3.4.3; en Hof Amsterdam (OK) 28 september 2017, ARO 2018/5 (Neckermann), r.o. 3.4.
Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/181 (VIBA), r.o. 3.4.3: “Dit onvoldoende verstrekken van informatie kan echter niet als wanbeleid worden aangemerkt indien het, zoals hier, niet opzettelijk is gebeurd en tot geen ander gevolg heeft geleid dan de mogelijkheid dat bij een deel van de aandeelhouders de niet met de werkelijkheid overeenstemmende indruk bleef bestaan dat met betrekking tot het onderwerp in kwestie sprake was van volstrekt onaanvaardbare belangenverstrengeling.”
Vgl. Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/181 (VIBA), r.o. 3.4.3; en HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem), r.o. 7.5 en 7.2.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 10 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1284 (Intrimentum), r.o. 3.14: “De Ondernemingskamer stelt vast dat de informatievoorziening door Odding aan Rouweler, in het begin zeker stroef verliep maar dat Odding gaandeweg de nodige informatie aan Rouweler heeft verstrekt en hij ook de bereidheid heeft getoond afspraken met Rouweler te maken omtrent de informatieverstrekking. (...) Voor zover Odding eerder heeft geweigerd informatie te verstrekken dan wel informatie met vertraging heeft verstrekt, is dat in het licht van de naderhand verstrekte informatie van onvoldoende gewicht om gegronde redenen aan te nemen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Intrimentum.”; en Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.24. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), r.o. 3.20-3.21.
Zie hierover Eikelboom (diss.) 2017, p. 431 e.v.; en Faber (diss.) 2020, p. 136-137.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 17 oktober 2022, ARO 2022/197 (Freedom), r.o. 3.6 t/m 3.9; en Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2023, ARO 2023/15 (Sportsweb), r.o. 3.3.
Zie met name HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem); HR 18 november 2005, NJ 2006/173 m.nt. J.M.M. Maeijer (Unilever); HR 26 juni 2009, NJ 2011/210 m.nt. W.J.M. van Veen (KPNQwest).
De enquêteprocedure is een bijzondere procedure waarin een onderzoek kan worden bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon, alsmede door middel van onmiddellijke- en eindvoorzieningen kan worden ingegrepen in het functioneren van de betreffende rechtspersoon. Circa 90% van de enquêteverzoeken wordt gedaan door kapitaalverschaffers of partijen die zich in een vergelijkbare positie bevinden.1 Daarbij komt de informatiepositie van dergelijke partijen regelmatig aan bod.
Uit de voorgaande hoofdstukken volgt reeds dat het enquêterecht een belangrijke katalysator is voor de rechtsontwikkeling van informatierechten van aandeelhouders. Een ontoereikende informatievoorziening aan kapitaalverschaffers kan bijdragen aan het oordeel van de Ondernemingskamer dat er sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken, dan wel wanbeleid.2 Bij deze toets worden alle omstandigheden van het geval meegewogen. Relevant is onder meer of sprake is van incidentele of structurele schending van informatierechten,3 of dit opzettelijk is gebeurd,4 wat de gevolgen daarvan zijn geweest5 en of de schending voortduurt of de situatie juist is verbeterd.6 Hoewel de Ondernemingskamer, anders dan de civiele rechter, niet bevoegd is te oordelen over de inhoud van een (contractuele) rechtsbetrekking tussen partijen,7 kan in dit verband ook een schending van contractuele informatierechten worden meegewogen.8
In voorkomende gevallen kan ingrijpen door de Ondernemingskamer geboden zijn. Dat ingrijpen dient te worden bezien vanuit de doeleinden van het enquêterecht: sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de rechtspersoon, de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid.9 Voorts gaat van het enquêterecht een preventieve werking uit, die mede is gelegen in de mogelijkheid van de Ondernemingskamer om op verstrekkende wijze in te grijpen in de rechtspersoon.