HR, 10-02-2026, nr. 23/01700
ECLI:NL:HR:2026:222
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
23/01700
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:222, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3741
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1156
ECLI:NL:PHR:2025:1156, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:222
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0046
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddel, terwijl dit middel in Nederland niet overeenkomstig Verordening (EG) 1107/2009 is toegelaten (meermalen gepleegd). Economische zaak. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 23/01699.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01700 P
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 april 2023, nummer 23-002643-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01700 P
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 19 april 2023 het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2021 onder aanvulling van gronden bevestigd. Bij dit vonnis is aan de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 55.000,- opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01699 (de strafzaak tegen de verdachte). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de betrokkene is cassatieberoep ingesteld.
2. Ontvankelijkheid cassatieberoep
2.1
De aanzegging is op 16 november 2023 in persoon aan de verdachte betekend. Vervolgens is niet binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging namens de betrokkene een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend door een advocaat, hetgeen op grond van art. 435 lid 1 jo. 437 lid 2 jo. 511h Sv tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep leidt.
3. Slotsom
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG