Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.1
7.2.1 Onderscheid tussen EV en VV
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399497:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Stevens die onder meer ingaat op de behandeling van eigen en vreemd vermogen en de samenhang met de visie op de positie van de vennootschap en de relatie met de geldverschaffers; S.A. Stevens, De toekomst van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting, TFO 2017/150.4, paragraaf 2.
Zie voor een kritische beschouwing hierop ook H. Vording, ‘Waarom was rente ook al weer aftrekbaar’, NTFR 2011/1960.
Zie ook art. 10 lid 1d Wet VPB 1969: bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek vergoedingen op een geldlening alsmede waardemutaties van de lening, indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige.
In de periode 2002-2007 zijn de door de Hoge Raad geformuleerde regels omtrent fiscale kwalificatie van een geldverstrekking wel wettelijk opgenomen geweest in de Wet VPB 1969.
HR 27 januari 1988, nr. 23 919, BNB 1988/217.
Er is sprake van een zogenoemde schijnlening, indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen.
Er is sprake van een zogenoemde deelnemerschapslening, indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar. In HR 11 maart 1998, nr. 32 240, BNB 1998/208 geeft de Hoge Raad een nadere invulling aan de deelnemerschapslening. Er is sprake van een deelnemerschapslening indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan i. de vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst ii. de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en iii. de schuld heeft geen vaste looptijd doch is slechts opeisbaar bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. In HR 25 november 2005, nr. 40989, BNB 2006/82 is een nadere invulling gegeven aan de begrippen “winstafhankelijkheid” en “looptijd” van een deelnemerschapslening. Voor wat betreft de winstafhankelijkheid oordeelt de Hoge Raad dat ook een gedeeltelijk vaste, gedeeltelijk variabele rente (naar de winst van de debiteur) voldoet aan dit criterium. In onderhavig casus was sprake van een vaste vergoeding van 1% van de hoofdsom, en daarnaast een percentage van de winst van de debiteur. Voorts was in onderhavige casus de looptijd van de lening zodanig lang - meer dan 50 jaar - dat aan de omstandigheid dat de lening een vaste looptijd heeft van 95 jaar zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. In HR 5 januari 2018, nr. 16/01047, V-N 2018/4.5 besliste de Hoge Raad dat de criteria voor het vaststellen van een deelnemerschapslening niet materieel moeten worden beoordeeld. Een dergelijke opvatting strookt volgens de Hoge Raad niet met het uitgangspunt dat voor de beantwoording van de vraag of in de fiscale sfeer een geldverstrekking als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel de civielrechtelijke vorm beslissend is.
Er is sprake van een zogenoemde bodemlozeputlening, indien een geldlening verstrekt is onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar de crediteur reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald, zodat het geheel of gedeeltelijk zijn vermogen - voor zover dat niet bestaat uit de aandelen in de dochtervennootschap - blijvend heeft verlaten.
HR 7 februari 2014, nr. 12/03540 en nr. 12/04640, BNB 2014/79 en BNB 2014/80.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2. Het streven het fiscale onderscheid tussen eigen- en vreemd vermogen te verkleinen is overigens vaker aan bod gekomen. Zie Kamerstukken 2016-2017, 32013, nr. 121 (motie Koolmees en Nijboer) en Kamerstukken II 2016-2017, 25 087, nr. 144 (motie Schouten en van Weyenberg).
In de vennootschapsbelasting is het onderscheid tussen eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen (schuld, lening) essentieel.1 De beide vermogenssoorten worden fiscaal namelijk volstrekt verschillend behandeld.2 Van eigen vermogen is de betaalde vergoeding (dividend) op grond van art. 10 lid 1a Wet VPB 1969 bij de kapitaalnemer niet aftrekbaar.3 Voor de fiscale gevolgen bij de kapitaalgever, is het de vraag of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is (art. 13 Wet VPB 1969). Als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, is het dividend onbelast. Als de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, is het dividend belast. Indien sprake is van vreemd vermogen dan is de vergoeding (rente) fiscaal in principe aftrekbaar bij de debiteur en belast bij de crediteur. Een eventueel resultaat op de hoofdsom behoort ook tot het fiscale resultaat, dat wil zeggen dat een afwaardering van de lening bij de crediteur op basis van goed koopmansgebruik in beginsel fiscaal aftrekbaar is.
De fiscale kwalificatie van een geldverstrekking is niet wettelijk geregeld,4 maar is nader ingevuld door de rechter. In BNB 1988/2175 heeft de Hoge Raad – in één van de belangrijkste arresten ten aanzien van de fiscale kwalificatie van een geldverstrekking – bepaald dat de civielrechtelijke vorm van een geldverstrekking in beginsel bepalend is. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat er uitzonderingen zijn op deze regel en dat een lening fiscaal geherkwalificeerd kan worden in kapitaal indien er sprake is van i. een schijnlening6, ii. een deelnemerschapslening7, of iii. een bodemlozeputlening8. In de arresten BNB 2014/79 en BNB 2014/80 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de vraag of een civielrechtelijke kapitaalverstrekking voor fiscale doeleinden kan worden aangemerkt als een geldlening.9 De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke herkwalificatie niet mogelijk is.
Opmerkelijk vind ik nog dat de staatssecretaris op 23 februari 2018 heeft aangegeven dat het kabinet streeft naar een meer gelijke behandeling van eigen- en vreemd vermogen bij alle vennootschapsbelastingplichtigen.10 Het kabinet wil dit doen door geen zogenoemde groepsuitzondering op te nemen in de earningsstrippingregeling die per 1 januari 2019 op grond van de Antibelastingontwijkingsrichtlijn in de Nederlandse wet moet zijn geimplementeerd. Dit bespreek ik nader in hoofdstuk 7.2.4.2.4.