Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/7.0
7.0 Introductie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS354743:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Jaarverslag Nationale ombudsman 2012, p. 32.
Meer van zulke voorbeelden worden genoemd in hoofdstuk 1, inleiding en par. 1.2.2; hoofdstuk 6, inleiding en par. 6.2.1; hoofdstuk 7, de paragrafen 7.2.4, 7.4.2 en 7.4.3.
Vgl. Hesselink 1999, p. 410-421, waar vooral wordt gesteld dat de uitzonderingsbevoegdheid volgt uit de rechtscheppende taak van de rechter (hierover hoofdstuk 4, par. 4.2.1, f).
Vgl. Hesselink 1999, p. 410: de redelijkheid en billijkheid is een ‘dekmantel’ voor rechterlijke rechtsvorming (hierover hoofdstuk 4, par. 4.2.1, f).
Vgl. Hesselink 1999, p. 420, 421, die de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beschouwt als explicitering van de rechterlijke taak tot rechtsvorming (hierover hoofdstuk 4, par. 4.2.1, f), en die vanwege het lex certa-beginsel twijfelt over het materiële strafrecht; uit hoofdstuk 5 blijkt dat ook in dit rechtsgebied billijkheidsuitzonderingen zijn toegestaan, weliswaar met als contra-indicatie schending van het legaliteitsbeginsel.
Hesselink 1999, p. 421; hoofdstuk 4, par. 4.2.1, a en f.
Ook in die zin Hesselink 1999 (hierover hoofdstuk 4, par. 4.2.1, f).
Vgl. als gezegd Asser/Scholten 1974 (1931), p. 55: ‘de rechtswetenschap [is] altijd tegelijk […]: systematisering van hetgeen is en voorbereiding van hetgeen zijn moet. In de constructie ligt het eerste, doch zij is waardeloos, indien zij niet met het oog op het tweede geschiedt.’
Een Syriër wil in Nederland geneeskunde studeren. Hij verkrijgt eerst verblijfsvergunningen voor het volgen van een taalcursus, en voor het propedeusejaar biologie omdat hij wordt uitgeloot voor geneeskunde. Wanneer hij daarna wordt ingeloot, moet hij weer een vergunning aanvragen. Doordat de regels zijn veranderd, kan hij dit niet meer zelf, maar laat hij dit aan de universiteit. Het verblijfsgat dat vervolgens door de aanvraag ontstaat, is hém dan ook niet te verwijten. Vanwege dit gat wijst de IND op grond van de wet1 zijn aanvraag om Nederlander te worden af. Dit vindt hij onredelijk: niet alleen ontbreekt verwijtbaarheid, maar ook is het voor hem van groot belang om in te Nederland blijven voor zijn studie en vanwege de politieke onrust in Syrië.2
Niet zelden nemen bestuursorganen en rechters beslissingen als deze, die evident onbillijk zijn doordat een wettelijk voorschrift naar zijn bewoordingen is toegepast.3 Dergelijke beslissingen moeten én kunnen worden voorkomen.
Het zou goed zijn als de rechtspraak en doctrine accepteren dat de rechter en bestuursorganen de bevoegdheid hebben om voorschriften in bijzondere gevallen om billijkheidsredenen buiten toepassing te laten, omdat dit inherent is aan hun taak, vanwege de noodzakelijke algemeenheid van wetgeving. Dat de wetgever hun die bevoegdheid expliciet toekent, is hiervoor niet nodig.
Deze stelling wordt ondersteund door het feit dat billijkheidsuitzonderingen geen vreemd concept zijn in het Nederlandse recht: het is ermee doorspekt. Uitzonderingen zijn en worden aanvaard in elk rechtsgebied. Steeds weer blijkt hiervoor een wettelijke of grondwettelijke grondslag geen voorwaarde. Dat de uitzonderingen onder vele noemers zijn gebracht, is eigenlijk ook onnodig. Steeds gebeurt immers hetzelfde: elke uitzondering is aangewezen vanwege de noodzakelijke algemeenheid van wetgeving.
Alle billijkheidsuitzonderingen kunnen dan ook met een verwijzing naar de taak van de toepasser (de rechter of een bestuursorgaan) en de noodzake- lijke algemeenheid van wetgeving worden gemotiveerd.4 Dat behoort ook te gebeuren: het verduidelijkt beslissingen, geeft treffender de reden voor uitzonderingen weer, én is voor de toepasser eenvoudiger dan op elke uitzondering een specifiek stempel te zetten waarvoor weer bepaalde regels gelden.5 Voor alle uitzonderingen geldt immers één kader van constitutionele eisen. De toepasser hoeft niet te vrezen dat hij door uitzonderingen te zeer op het terrein van de wetgever komt of de rechtszekerheid tekort doet, zolang hij waarde hecht aan die eisen.
Brengt de toepasser toch een uitzondering liever onder een al aanvaard leerstuk, dan kan hij ze desnoods baseren op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, al dan niet onder vermelding van artikel 6:2 lid 2 BW of een vergelijkbare bepaling.6 Weliswaar is dit een civielrechtelijk leerstuk met een wettelijk bepaald bereik, maar dit bereik breidde de Hoge Raad al op buitenwettelijke gronden uit, en hij kan dit verruimen tot het gehele Nederlandse recht.7 Bovendien is de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid eigenlijk alleen een geheel open norm die de rechterlijke uitzonderingsbevoegdheid expliciteert, waardoor ze kan functioneren als overkoepelend leerstuk.8 Ze kan worden beschouwd als de vertaling van het aristotelische billijkheidsdenken in het Nederlandse recht. Nog een optie is dat de wetgever in een nieuwe bepaling een algemene uitzonderingsbevoegdheid neerlegt, waarvoor de Wet AB een logische plaats lijkt.
Kortom: er is veel voor te zeggen dat rechtspraak en doctrine erkennen dat toepassers van wetgeving altijd de bevoegdheid toekomt om billijkheidsuitzonderingen te maken opdat evident onbillijke beslissingen door strikte toepassing van voorschriften worden voorkomen. Deze stelling wordt in dit hoofdstuk nader onderbouwd.
Eerst wordt teruggegaan naar het concept ‘billijkheidsuitzonderingen’ en het bereik van dit onderzoek (par. 7.1). Dan wordt de ruimte voor uitzonderingen in het Nederlandse recht samengevat. Er wordt een algemene indruk gegeven van uitzonderingen in de verschillende rechtsgebieden, waarbij con- tra-indicaties ervoor ter sprake komen. De verschillen tussen de rechtsgebieden worden voor zover mogelijk verklaard (par. 7.2). De constitutionele beperkingen van uitzonderingen en corrigerende interpretatie worden beschreven (par. 7.3). Vervolgens wordt nagegaan in hoeverre in de verschillende rechtsgebieden de ruimte voor de uitzonderingen wordt benut. Tot slot wordt – op normatieve wijze9 – beoordeeld op welke punten de ruimte voor de uitzonderingen beter benut zou moeten worden en waarom (par. 7.4), waarop hierboven al werd vooruitgelopen.