Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/3.1.2
3.1.2 Redelijkheid- en billijkheidsverhouding binnen de kring van betrokkenen
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232581:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:8 BW.
Artikel 2:7 (oud) BW.
Vgl. C.W. de Monchy & L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van Boek 2 BW (preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ 1991), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 49. Zie hierover uitgebreid par. 3.13 concl. A-G Assink bij HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:319.
Dat is in het belang van de rechtszekerheid ook noodzakelijk, zie ook J.M. Blanco Fernández, ‘Het toepassingsbereik van artikel 2:8 BW’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar nieuw burgerlijk recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 126.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/200.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/200.
Artikel 2:78a BW.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/200.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013, nr. 172.4 en Assink/Slagter 2013 (Deel 1),§11.1.
In dezelfde zin: Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013, nr. 172.4 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124. Zie ook paragraaf 3.4.3 van dit proefschrift. De rol van de ondernemingsraad kan ook onderwerp vormen van een enquêteonderzoek, zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, JOR 2016/299, m.nt. R.C. de Mol, r.o. 3.21.
Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2013/103, par. 7 en Garcia Nelen & Schwarz 2016, par. 3.7; Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/172.4. Zie ook Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, JOR 2010/301, m.nt. R.G.J. Nowak, die in zijn annotatie overigens ingaat tegen de beslissing van de rechtbank. Nowak meende dat houders van niet met medewerking uitgegeven certificaten wel degelijk tot de kring van artikel 2:8 BW (kunnen) horen. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/666 menen ook dat niet-bewilligde certificaathouders tot de kring van artikel 2:8 BW behoren, omdat zij bepaalde rechten binnen de vennootschap hebben. Zij noemen het recht van enquête, het recht op gelijke behandeling en het recht om als belanghebbende vernietiging van besluiten te vorderen. Deze redenering overtuigt niet. Het recht van enquête komt ook toe aan een vakbond of eenieder aan wie dat recht bij statuten of overeenkomst is verleend (artikel 2:346-347 BW). Het recht om gelijk behandeld te worden als andere niet-bewilligde certificaathouders schept een verplichting voor het bestuur, maar schept geen ‘betrokkenheid’ (in de zin van invloed of inspraak) van de certificaathouder bij de NV. Het recht om vernietiging van besluiten te vorderen komt toe aan eenieder die een redelijk belang heeft. De kring van artikel 2:8 BW zou in deze redenering potentieel open staan voor een onbegrensd grote groep (rechts)personen, zoals individuele werknemers en crediteuren. Van (het bestuur van) de NV kan niet verlangd worden dat met een zodanig grote groep (mogelijk onbekende) (rechts)personen rekening gehouden wordt in het kader van artikel 2:8 BW.
Volgens Van Schilfgaarde 2016, nr. 54 wordt het belang van de rechtszekerheid in het ondernemingsrecht over het algemeen zwaarder ingeschat dan in andere rechtsgebieden.
Van Schilfgaarde 2016, nr. 42.
Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010, JOR 2010/189, m.nt. T.M. Stevens (PCM), r.o. 3.13. De Ondernemingskamer en de Hoge Raad hebben ook in verschillende andere uitspraken een (mogelijke) koper gebonden geacht aan artikel 2:8 BW, maar dat waren steeds gevallen waarin die bieder al aandelen bezat en de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid ook op grond daarvan van toepassing zou zijn, zie De Brauw 2017, par. 6.3.3.2 met een verwijzing naar relevante jurisprudentie. Zie eerder ook: Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1999, JOR 1999/89 (Uni-Invest/Breevast).
De Brauw 2017, par. 6.3.3.2.
Zie in dezelfde zin, met verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/125.
Zie par. 4 van de annotatie van Blanco Fernández bij Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 (Stork). In deze beschikking achtte de Ondernemingskamer het nemen van preferente aandelen door een stichting continuïteit voorshands in strijd met artikel 2:8 BW.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/676; Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §11; annotatie van Nowak bij Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, JOR 2010/301. Zie anders: Stokkermans, V&O 2010/10 en Wolf, Ondernemingsrecht 2014/2.
Oosterhoff 2017, par. 5.2.3 en HR 31 mei 1996, NJ 1996/694, m.nt. J.M.M. Maeijer (Lampe/Videoworks). Anders: Wolf, Ondernemingsrecht 2014/2.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/316 en Oosterhoff 2017, par. 5.2.3, met verwijzing naar Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7 (MvA), p. 17 en andere bronnen.
Van Schilfgaarde 2016, par. 77 en Wolf, Ondernemingsrecht 2014/2.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/226.
De NV en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken dienen zich krachtens artikel 2:8 BW jegens elkander te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.1 Voorafgaand aan 1992 zag deze verplichting nog op de “rechtspersoon, haar leden of houders van aandelen of van met medewerking der vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen en zij die deel uitmaken van haar organen”.2 Wie worden tegenwoordig gezien als degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken? De wetsbepaling biedt een open omschrijving. De omvang van de groep betrokkenen moet van geval tot geval worden bepaald, want de wettelijke en statutaire regelingen die van toepassing zijn op vennootschappen zullen per geval kunnen verschillen.3 Wel kan in algemene zin enige afgrenzing worden geboden.4 Onder de bij de NV betrokkenen vallen in ieder geval de organen van de NV. Dit zijn de instanties aan wie krachtens wet of statuten de taak en de bevoegdheid toekomt om voor de NV bindende besluiten te nemen.5 Hieronder vallen in ieder geval het bestuur, de raad van commissarissen (indien aanwezig) en de AV.6 Daarnaast wordt onder orgaan van de NV ook begrepen de vergadering van houders van aandelen van een bijzondere soort en de gemeenschappelijke vergadering van het bestuur en de raad van commissarissen.7 In de literatuur wordt wel aangenomen dat de statuten van de NV ook in aanvullende organen kunnen voorzien.8 Aan dergelijke organen kunnen evenwel geen bevoegdheden kunnen worden toegekend die door de wet dwingendrechtelijk aan andere organen zijn toegewezen. Onder de kring van betrokkenen als bedoeld in artikel 2:8 BW vallen voorts ook bepaalde personen die geen orgaan vormen, zoals individuele bestuurders, commissarissen en aandeelhouders, houders van met medewerking uitgegeven certificaten, andere statutair tot de voor uitkering vatbare winst gerechtigde personen (zoals houders van winstbewijzen, vgl. artikel 2:105 lid 2 BW), pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht of vergaderrecht, stemgevolmachtigden en derden die statutair de bevoegdheid bezitten om hoogstens een derde van de commissarissen te benoemen.9 Ook de ondernemingsraad behoort mijns inziens tot de kring van betrokkenen, in ieder geval sinds 2010 toen hij het recht kreeg zijn standpunt te bepalen ten aanzien van bepaalde besluiten van de AV.10 Houders van zonder medewerking van de NV uitgegeven certificaten behoren niet tot de betrokkenen als bedoeld in artikel 2:8 BW.11 Dit valt naar mijn mening goed te verklaren vanuit een rechtszekerheidsgedachte.12 Het zou immers onuitvoerbaar zijn indien een orgaan van de rechtspersoon bij het nemen van een besluit rekening zou moeten houden met niet-bewilligde certificaathouders, waarvan zij niet noodzakelijkerwijs weet dat zij bestaan of wie zij zijn, omdat de certificaten zijn uitgegeven zonder medewerking (en mogelijk: zonder wetenschap) van de NV. Van de NV en haar organen kan niet meer verlangd worden dan dat zij bij hun handelen de belangen van alle relevante betrokkenen afwegen. Dat betekent ook dat die kring van betrokkenen dan niet zo uitgebreid kan zijn dat hij (rechts)personen omvat waarvan de NV het bestaan niet kent. Het gaat bij artikel 2:8 BW steeds om de verhoudingen binnen de rechtspersoon.13 Dat uitgangspunt raakt ook aan de vraag of een toekomstig aandeelhouder gebonden kan zijn aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. De Ondernemingskamer heeft deze vraag vrij terloops maar wel bevestigend beantwoord in de PCM-beschikking.14 Gezien de vele vragen die deze overweging hebben opgeroepen en de thans nog heersende onduidelijkheid, lijkt dit thema nog niet uitgekristalliseerd.15 Niettemin is gezien de huidige stand van de rechtspraak en literatuur aannemelijk dat een potentiële aandeelhouder zich onder omstandigheden jegens de bij de doelvennootschap betrokken personen dient te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en dat hij hetzelfde mag verwachten van overige bij de NV betrokkenen.16 Dit strookt met de parallelle werking van de contractuele redelijkheid en billijkheid, die zich ook kan doen gelden voordat de overeenkomst is aangegaan of nadat deze is beëindigd.17
De kring van betrokkenen in de zin van artikel 2:8 BW (de ‘institutioneel betrokkenen’) is niet per definitie dezelfde als de kring van personen die een ‘redelijk belang’ hebben bij vernietiging van een besluit in de zin van artikel 2:15 lid 3 sub a BW.18 Een betrokkene in de zin van artikel 2:8 BW zal uiteraard wel een redelijk belang kunnen hebben om vernietiging van een besluit van een vennootschapsorgaan te vorderen, bijvoorbeeld omdat een orgaan van de rechtspersoon zich jegens die betrokkene niet heeft gedragen overeenkomstig hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt geëist.19 Een institutioneel betrokkene heeft echter niet vanzelfsprekend een redelijk belang; dit zal door de kandidaat-belanghebbende telkens moeten worden aangetoond.20 Het zal niet zo snel voorkomen, maar niet valt uit te sluiten dat ook niet-institutioneel betrokkenen (zoals werknemers of crediteuren) een redelijk belang kunnen hebben om vernietiging van een besluit te vorderen.21 Dit blijkt al uit de tekst van de wet, nu die spreekt over “iemand” die een redelijk belang heeft. Dit is alleen anders voor de tweede vernietigingsgrond die refereert aan een verplichting in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Het gaat hier om de interne redelijkheid en billijkheid die geldt tussen bij de vennootschap betrokkenen onderling en op deze vernietigingsgrond kan dan ook alleen een beroep worden gedaan door een bij de NV betrokken (rechts)persoon.22 Om te bepalen of die (rechts)persoon daadwerkelijk een redelijk belang heeft, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of de desbetreffende betrokkene is of dreigt te worden geschaad door een gebrek in de besluitvorming als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 BW, in die zin dat het desbetreffende gebrek tot een specifiek en concreet nadeel leidt.23
In de figuur hieronder wordt de verhouding tussen organen, institutioneel betrokkenen en degenen met een ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 sub a BW weergegeven. Een orgaan in de zin van de artikelen 2:14 en 15 BW is altijd een institutioneel betrokkene in de zin van artikel 2:8 BW en kan een belanghebbende zijn in de zin van artikel 2:15 lid 3 BW. De term institutioneel betrokkene omvat in ieder geval de organen als bedoeld in de artikelen 2:14 en 15 BW en kan een belanghebbende zijn in de zin van artikel 2:15 lid 3 BW, maar deze term omvat ook andere (rechts)personen. Een belanghebbende in de zin van artikel 2:15 lid 3 BW kan een orgaan zijn in de zin van de artikelen 2:14 en 15 BW en kan een institutioneel betrokkene zijn in de zin van artikel 2:8 BW maar deze term omvat ook andere (rechts)personen.