Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/Bijlage:Bijlage Voorstel algemene regeling burenrecht
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/Bijlage
Bijlage Voorstel algemene regeling burenrecht
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619760:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een algemene regeling in het burenrecht zal als volgt vormgegeven kunnen worden, althans artikelen van deze strekking zouden toegevoegd kunnen worden aan titel 5.4:
Artikel 1 (Toestemming aanleg, onderhoud e.d.)
1. Een neteigenaar is bevoegd een net in, op of boven het erf van een ander aan te leggen, te onderhouden of te verwijderen, voor zover hij daarvoor toestemming heeft verkregen van de eigenaar van het naburige erf waarin, -op of -boven het net wordt aangelegd, in stand gehouden of verwijderd, of voor zover dat volgt uit de wet.
2. Onder de toestemming wordt mede begrepen het hebben van toegang tot het naburige erf voor aanleg, instandhouding of verwijdering van het net.
Toelichting:
Het eerste lid bepaalt dat een neteigenaar mét toestemming van de grondeigenaar bevoegd is om tot aanleg, onderhoud of verwijdering van een net over te gaan. Door toevoeging van deze bepaling aan het burenrecht, wordt het — door mij voorgestelde verval van het bevoegdheidsvereiste in de eigendomsregeling als het ware gecompenseerd. Immers de gedachte achter het bevoegdheidsvereiste in de eigendomsregeling is dat de neteigenaar niet zomaar in andermans grond een net mag aanleggen, maar dat hij daarvoor toestemming nodig heeft van de grondeigenaar. Door dit toestemmingsvereiste in het burenrecht op te nemen (immers dat ziet op de relatie tussen eigenaren) én dus los te koppelen van de eigendomsverkrij ging wordt alsnog recht gedaan aan eerder genoemd uitgangspunt. De bevoegdheid tot aanleg e.d. kan voortvloeien uit zowel privaatrechtelijke toestemming (bijvoorbeeld uit overeenkomst) als uit een (publiekrechtelijke) gedoogplicht op grond van bijvoorbeeld de Tw. Beide mogelijkheden zijn in deze voorgestelde bepaling opgenomen. Deze bepaling ziet op aanleg, instandhouding en verwijdering van netten, waar bij instandhouding tevens wordt begrepen het inspecteren/controleren van netten, het verrichten van vervangings-, verleggings- of voorbereidingswerkzaamheden. Omdat aanleg, instandhouding of verwijdering van het net in, op of boven andermans erf niet goed mogelijk is zonder het erf te betreden, is in het tweede lid onder de toestemming ook begrepen het hebben van toegang tot het naburige erf. Het hebben van toegang tot andermans erf geschiedt echter alleen wanneer dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor aanleg, instandhouding of verwijdering van het net. Gelet op het feit dat onder het begrip 'erf' elke onroerende zaak als bepaald in artikel 3:3 BW wordt geschaard, houdt de toestemming ook in het betreden van evt. opstallen.
Artikel 2 (Vervangende toestemming)
1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, kan de neteigenaar, indien de eigenaar van het naburige erf toestemming weigert of niet reageert, vervangende toestemming verkrijgen door een rechterlijke machtiging te vorderen dat het net in, op of boven het naburige erf wordt aangelegd, in stand gehouden of verwijderd.
2. Bij toewijzing van de vordering moet rekening gehouden worden met het belang van de neteigenaar om het net in, op of boven het betreffende erf aan te leggen, te onderhouden of te verwijderen, en met het belang van de eigenaar van het naburige erf om zo min mogelijk overlast te hebben van de aanleg, instandhouding of verwijdering van het net.
Toelichting:
Het eerste lid regelt de situatie dat de bevoegdheid die de neteigenaar nodig heeft om het net in, op of boven andermans grond aan te leggen e.d. niet wordt gegeven door de grondeigenaar. De neteigenaar kan dan vervangende toestemming vragen door middel van een rechterlijke machtiging. In het tweede lid is geregeld dat bij de beoordeling van een dergelijke vordering de belangen van zowel neteigenaar als grondeigenaar tegen elkaar afgewogen dienen te worden. De systematiek van deze bepaling is deels overgenomen van artikel 5:106, zevende lid BW, dat ziet op splitsing in appartementsrechten door een erfpachter of opstaller en waarbij de eventuele toestemming van de grondeigenaar kan worden vervangen door een machtiging, en deels van artikel 5:57, derde lid BW, dat ziet op de aanwijzing van een zogenaamde `noodweg' en de belangenafweging die daarbij dient te worden gemaakt . Uitzondering op deze bepaling is mogelijk voor zover de wet dit bepaalt. Hiermee wordt onder meer de Tw en Bwp bedoeld. De Tw legt immers een gedoogplicht op betreffende het gedogen van kabels ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk (artikel 5.2 Tw). Indien partijen over de aanleg, instandhouding of verwijdering geen overeenstemming hebben, kan de gedoogplichtige de OPTA nog verzoeken een beschikking te geven over (' enkel') de wijze van uitvoering. Een gang naar de rechter is in deze situatie niet mogelijk. Volgens de Bwp geldt dat wanneer partijen geen overeenstemming bereiken de minister van Verkeer en Waterstaat een concessie kan verlenen indien het openbare belang van het werk is erkend (zoals onder meer in artikel 20 Elektriciteitswet). Ook dan is de gang naar de rechter niet nodig.
Artikel 3 (Spoedeisende werkzaamheden)
Indien bij ernstige belemmeringen en storingen spoedeisende werkzaamheden noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van het net, is artikel 56 van overeenkomstige toepassing.
Toelichting:
Wanneer in spoedeisende gevallen werkzaamheden moeten worden verricht aan het net dan dient de neteigenaar deze werkzaamheden uit te kunnen voeren, zonder dat daarvoor éérst toestemming moet worden gevraagd aan de eigenaar van het naburige erf. De werkzaamheden mogen alleen betrekking hebben op de instandhouding van het net, daaronder onder meer begrepen, controle en inspectiewerkzaamheden, vervangings- en verleggingswerkzaamheden indien dit gelet op de spoedeisendheid van de situatie nodig is. Door artikel 5:56 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren dient de eigenaar van het naburige erf de spoedwerkzaamheden toe te staan wanneer de neteigenaar dit na behoorlijke kennisgeving én tegen schadeloosstelling heeft gedaan, tenzij de eigenaar van het naburige erf gewichtige redenen heeft deze werkzaamheden te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen. In artikel 5.6 Tw is in het eerste lid een bepaling met soortgelijke strekking opgenomen, alsmede in artikel 10, vierde lid Bwp als het gaat om spoedeisende werkzaamheden met betrekking tot het snoeien of in korten van wortels en takken. Deze bepalingen kunnen komen te vervallen, althans kunnen aangepast worden indien de voorgestelde bepaling in het burenrecht zou worden opgenomen.
Artikel 4 (Oude staat terugbrengen)
Na beëindiging van de werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding of verwijdering van het net, brengt de neteigenaar het erf op zijn kosten terug in de oude staat, tenzij met de eigenaar van het naburige erf anders is overeengekomen.
Toelichting:
Het in oude staat terugbrengen van het erf zal in beginsel door de neteigenaar én voor zijn rekening moeten worden uitgevoerd, tenzij de eigenaar van het naburige erf aangeeft dit zelf te willen doen tegen vergoeding van de daarvoor te maken kosten. Aangezien het burenrecht van regelend recht is, kunnen partijen zelf bepalen wie en onder welke voorwaarden het erf terugbrengt in oude staat. In de Tw (artikel 5.7, derde lid) en de Bwp (artikel 9, tweede lid) zijn bepalingen van gelijksoortige strekking opgenomen, die na invoering van deze bepaling in het burenrecht, zouden kunnen vervallen.
Artikel 5 (Bomen en beplantingen)
Bij aanleg, instandhouding of verwijdering van een net moeten aanwezige bomen en beplantingen zoveel als mogelijk beschermd worden en mag de mogelijkheid tot groei niet worden ontnomen.
Indien doorschietende wortels van bomen en beplantingen redelijkerwijze hinderlijk zijn of worden voor instandhouding van het net, dient de eigenaar van het naburige erf waarin de doorschietende wortels zich bevinden en nadat hij hierom schriftelijk is verzocht, binnen een redelijke termijn de wortels in te korten of weg te nemen.
Toelichting:
Het eerste lid van deze bepaling is overgenomen uit artikel 5.10 Tw en ziet op het ongehinderd laten van aanwezige bomen of beplantingen. Dit is een verplichting die rust op de neteigenaar. Het tweede lid is een verplichting die rust op de eigenaar van het naburige erf en betreft het wegnemen of in korten van doorschietende wortels van bomen en beplantingen voorzover deze wortels de instandhouding van het net redelijkerwijze hinderen. De neteigenaar dient de eigenaar van het naburige erf schriftelijk te verzoeken de wortels weg te nemen of in te korten binnen een daarvoor in acht te nemen redelijke termijn. Indien de eigenaar van het naburige erf geen gehoor geeft aan het schriftelijke verzoek van de neteigenaar, kan de neteigenaar de doorschietende wortels zelf weghalen of in korten op grond van de hiervoor onder 3. voorgestelde bepaling inzake spoedeisende werkzaamheden. De neteigenaar dient in dat geval de eigenaar van het naburige erf schriftelijk in kennis te stellen van de spoedeisende werkzaamheden. De voorgestelde bepaling is te beschouwen als een specialis van artikel 44 dat ziet op het wegnemen van overhangende beplanting en doorschietende wortels die afkomstig zijn van een ander erf. In de Tw (artikel 5.11) en de Bwp (artikel 10) zijn bepalingen met soortgelijke strekking opgenomen die, wanneer hiervoor voorgestelde bepaling zou worden opgenomen in het burenrecht, kunnen vervallen.
Artikel 6 (Vergoeding schade)
De neteigenaar vergoedt aan de eigenaar van het naburige erf de schade die voortvloeit uit de werkzaamheden die betrekking hebben op de aanleg, instandhouding of verwijdering van het net zoals bedoeld in de voorgaande artikelen.
Toelichting:
Deze bepaling regelt dat de neteigenaar de schade die de eigenaar van het naburige erf lijdt door (het gedogen van de) aanleg, instandhouding of verwijdering van het net, dient te vergoeden. Hieronder wordt mede verstaan de schade die door spoedeisende werkzaamheden én de schade die door het wegnemen of in korten van doorschietende wortels worden veroorzaakt. In de Tw (artikel 5.7) is bepaald dat de schadevergoeding zich beperkt tot de marktconforme kosten (= kosten zoals deze door een onderneming onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt). Het staat partijen vrij om vrijwillig forfaitaire bedragen vast te stellen die vergoed zullen worden [TK 2004-2005, 29 834, nr. 3, p. 57]. De voorgestelde bepaling laat partijen vrij om over de hoogte van de schadevergoeding nadere afspraken te maken. Omdat in deze bepaling geen beperking wordt opgelegd in de hoogte van de schadevergoeding kan het bepaalde in artikel 5.7 Tw, als specialis op de voorgestelde bepaling, blijven gelden.
Artikel 7 (Verleggen netten)
1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, kan de eigenaar van het naburige erf de neteigenaar verzoeken het net dat in het naburige erf gelegen is, te verplaatsen wanneer dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werken of oprichting van gebouwen door de eigenaar van het naburige erf, dan wel door een derde jegens wie de eigenaar van het naburige erf gehouden is het erf vrij van enige belemmering voor uitvoering van werken of oprichting van gebouwen op te leveren.
2. Indien de eigenaar van het naburige erf de noodzaak tot verplaatsing kan onderbouwen, zal de neteigenaar het net op zijn kosten verplaatsen.
3. Wanneer binnen 3 jaar na verplaatsing van het net op grond van het eerste en tweede lid, de uitvoering van werken of oprichting van gebouwen niet heft plaatsgevonden, dient degene die om de verplaatsing verzocht heeft de door de neteigenaar gemaakte kosten te vergoeden.
4. De eigenaar van het naburige erf kan om andere redenen, dan genoemd in het eerste lid, een verzoek doen tot verplaatsing van het net. De kosten voor verplaatsing zullen dan door de eigenaar van het naburige erf worden gedragen.
5. Indien de neteigenaar niet reageert of meewerkt aan een verzoek tot verplaatsing op grond van het eerste of vierde lid, kunnen partijen zich tot de rechter wenden waarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van beide partijen.
Toelichting:
In artikel 5.8 Tw en artikel 5 Belemmeringenwet privaatrecht is een regeling opgenomen tot verplaatsing van een elektronisch communicatienetwerk, respectievelijk een (werk) net dat op basis van de Belemmeringenwet privaatrecht is aangelegd. Het nieuwe artikel 7 laat voornoemde artikelen onverlet en geeft een algemene regeling voor het verplaatsen van netten die niet onder genoemde regimes vallen. Bij dit algemene artikel is in beginsel als uitgangspunt genomen dat verplaatsing noodzakelijk moet zijn voor het uitvoeren van werken of oprichten van gebouwen. Indien de eigenaar van het naburige erf kan aantonen dat verplaatsing van het net noodzakelijk is, zal de neteigenaar over moeten gaan tot verplaatsing van het net op zijn kosten. In het geval de eigenaar van het naburig erf de noodzaak tot verplaatsing echter niet kan aantonen of andere redenen heeft om verplaatsing van het net te verzoeken, dan zullen de kosten voor verplaatsing voor rekening van de eigenaar van het naburige erf komen. Wanneer een geschil over de al dan niet noodzakelijke verplaatsing ontstaat tussen partijen, kan de rechter om een oordeel worden gevraagd over de verplaatsing van het net, waarbij de belangen van zowel de neteigenaar als de eigenaar van het naburige erf tegen elkaar moeten worden afgewogen.