Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.7.4
6.7.4 Mogelijke redenen voor financiering door de curator
mr. P.H.M. Broere , datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652451:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 februari 1995 (r.o. 3.5), NJ 1996/472, m.nt. W.M. Kleijn (Sigmacom); HR 19 april 1996 (r.o. 3.5.2; 3.6), NJ 1996/727, m.nt. W.M. Kleijn; JOR 1996/48, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Maclou). Vgl. ook Kamerstukken II 2014/15, 34253, 3, p. 2-3.
Kamerstukken II 2014/15, 34253, 3, p. 2-3.
Insolad Praktijkregels voor Curatoren (herzien april 2019), bepaling 5.1 en Toelichting, te raadplegen via www.insolad.nl. Vgl. ook Kalff 2007, p. 37-38. Anders nog Schimmelpenninck 2008, p. 137-139, die meent dat de curator het onderzoek steeds zelf heeft te verrichten, zij het dat hij procesadvies kan inwinnen van een advocaat bij de beantwoording van de vraag naar civielrechtelijke aansprakelijkstelling. Zie verder Tiethoff 2011, p. 3-5.
Zie ook Joosten 1998, p. 30; Willems 2005, p. 38; Van der Korst 2008, p. 142; Josephus Jitta 2019, p. 128.
Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 29 en p. 36.
Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2010, p. 3-4.
OK 20 november 1997 (r.o. 3.6), NJ 1998/613; JOR 1998/25 (De Haan). Zie ook OK 22 december 1983 (r.o. 7), NJ 1985/383, m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem); OK 7 januari 1988 (r.o. 4.3), NJ 1989/827, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bredero); OK 30 oktober 2003 (r.o. 3.2), JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis); OK 5 juli 2010 (r.o. 3.3), JOR 2010/231, m.nt. P.G.F.A. Geerts (KPNQwest); OK 15 september 2016 (r.o. 3.13), ARO 2017/11 (Celebration).
HR 10 januari 1990 (r.o. 4.1), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem). Zie ook Den Boogert 1997, p. 124.
Luchtman 1999, p. 27; Van Brunschot 2008, p. 250 en p. 254-255; Bongaerts 2018, p. 966; Spruitenburg 2018, p. 225-226; Wessels 2020/4430a; Spruitenburg 2022a, p. 267-268 betogen dat praktisch belang steeds ontbreekt; volgens Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/734 is dit ‘nauwelijks denkbaar’; Veenstra 2013, p. 543-544 acht dit ‘passend noch geboden’; Schreurs (onder 10) in zijn annotatie bij OK 3 maart 2020, JOR 2020/145 (Victory and Dreams) schrijft dat ‘voor de curator (…) daaraan vermoedelijk nooit enige behoefte’ bestaat; zie ook Schreurs 2022, p. 1444-1445. Zie verder Van Nievelt 2013, p. 42. Vgl. voorts Van der Korst 2008, p. 141.
Zie ook Rikkert 2014, p. 80-81.
Duynstee & Verwey 2015, p. 93-96. Zie ook Spruitenburg 2018, p. 58-59.
Reumers 2020, p. 212-213, die gelet op de taak van de curator hiertoe slechts ruimte ziet indien de tot bijeenroeping van de algemene vergadering bevoegden en/of het tot benoeming bevoegde orgaan (tijdige) medewerking in dit verband weigeren en een voortvarende faillissementsafwikkeling en daarmee het belang van de gezamenlijke schuldeisers is gebaat bij de benoeming van een of meer bestuurders.
Rikkert 2014, p. 80.
Vgl. art. 66 Fw; art. 92-93a Fw; art. 105-105a Fw; art. 106 Fw. Volgens Bouman 2020, p. 10-11 reikt de inlichtingenplicht van gewezen bestuurders en commissarissen ex art. 105 Fw minder ver dan de inlichtingenplicht in de enquêteprocedure, omdat art. 106 lid 1 Fw die verplichting slechts legt op zij die in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement bestuurder of commissaris waren, waar die verplichting zich in de enquêteprocedure uitstrekt tot functionarissen gedurende de periode waarop het onderzoek betrekking heeft. Gelet op de ruime mogelijkheden van art. 66 Fw (en overigens ook art. 2:352a BW) zie ik een dergelijk verschil niet.
Overigens uitsluitend op verzoek van de onderzoeker; niet ambtshalve, zie HR 6 juni 2003 (r.o. 3.8), NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Scheipar). De Ondernemingskamer leest in art. 2:351 lid 2 BW kennelijk een vergelijkbare bevoegdheid voor de OK-bestuurder, zie OK 22 december 2021 (r.o. 3.14), ARO 2022/30 (SMC Industrial).
Luchtman 1999, p. 27; Wessels 2001, p. 493-494; Van der Korst 2008, p. 141; Wessels 2010/4434; Veenstra 2013, p. 540; Spruitenburg 2018, p. 224; Wessels 2020/4431a; Schreurs (onder 8, sub c) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus); Schreurs 2022, p. 1444; Spruitenburg 2022a, p. 266. Dit wordt miskend door Franken 1999, p. 130; Bekkers 2010, p. 157-158; Dulack 2013, p. 57. Van Brunschot 2008, p. 255 en p. 258 acht dit ‘van marginaal belang’.
SER-advies 1989, p. 11; Kamerstukken II 1992/93, 22400, 8, p. 2; Kamerstukken II 1992/93, 22400, 9, p. 4-5; Geerts 2004, p. 133; Conclusie A-G Timmerman (nr. 3.29) voor HR 13 mei 2005, NJ 2005/298; JOR 2005/147, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Zeelandia), met verwijzingen en r.o. 3.3 van die beschikking; Peters 2006, p. 3; Van Solinge 2006, p. 226-227; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/737 en 784; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/365; Van Nievelt 2013, p. 45 e.v.; Duynstee & Verwey 2015, p. 94-95; Hermans 2017, p. 304; Vlas 2017, p. 231-232; Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 321 e.v.; Van Wees, GS Rechtspersonen, art. 2:351 BW, aant. 4.2 (2020); Van Solinge, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 10:119 BW, aant. 5a (2022); Van Thiel 2022, p. 597-598. De Ondernemingskamer stelt zich ook op dit standpunt, zie bijv. OK 7 augustus 2002 (r.o. 3.9), JOR 2002/193, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Scheipar); OK 7 april 2006, ARO 2006/80 (Global Green). Zie ook Schreurs (onder 8, sub c) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus); Schreurs 2022, p. 1444, die betoogt dat de onderzoeker eenvoudiger dan de curator onderzoek kan doen in het buitenland, bijv. door de Ondernemingskamer te verzoeken te worden benoemd tot ‘commissioner’ in de zin van art. 17 lid 1 Haags Bewijsverdrag, zoals in OK 24 november 2005, JOR 2006/6 (Ahold).
HR 11 november 1994 (r.o. 3.3), NJ 1995/151, m.nt. J.M.M. Maeijer (Ardesco), dat zag op art. 105 Fw (oud). Met Spruitenburg 2018, p. 224; Spruitenburg 2022a, p. 266-267 meen ik dat dit niet anders is naar het huidige art. 105 Fw.
Van Brunschot 2008, p. 255 en voetnoot 66.
HR 6 oktober 2006 (r.o. 3.3.3), NJ 2010/184; JOR 2006/281 (ABN Amro/Arts q.q.). Zie ook Wessels 2008, p. 46; Bongaerts 2018, p. 967. Anders nog Van Galen 2001, p. 909.
Duynstee & Verwey 2015, p. 91-92, met verwijzingen. Zie ook Bekkers 2010, p. 154; Melissen 2010, p. 39; Schreurs (onder 8, sub a) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus); Schreurs 2022, p. 1443-1444 en p. 1448-1449.
Duynstee & Verwey 2015, p. 90 noemen dit ‘een mooie bijkomstigheid’.
Zie ook Dulack 2013, p. 57; Lafarre e.a. 2018, p. 77; Veenstra, GS Rechtspersonen, art. 2:346 BW, aant. 9.5.1 (2020).
Van Brunschot 2008, p. 255 en voetnoot 63. Zie ook Jager (onder 5) in zijn annotatie bij OK 28 juni 2012 (tussenbeschikking) en 27 juli 2012 (eindbeschikking), JOR 2012/320 (Meavita), die dit een risico noemt voor de curator. In gelijke zin Van Nievelt 2013, p. 68-69.
Aan de in hoofdstuk 7 genoemde voorwaarden moet daartoe zijn voldaan. In bijv. OK 15 februari 2013, JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Van der Moolen) wees de Ondernemingskamer het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek van curatoren toe. Van belang is uiteraard ook dat diegenen waarop verhaal kan worden genomen daadwerkelijk verhaal bieden, waarbij een rol speelt of zij over voldoende vermogen beschikken en of een verzekeraar mogelijk dekking biedt, zie Veenstra, GS Rechtspersonen, art. 2:346 BW, aant. 9.5.1 (2020).
Borrius 2016, p. 66; Bongaerts 2018, p. 968-969; Spruitenburg 2018, p. 226-227.
Zie hierover ook Maeijer (onder 2) in zijn annotatie bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671 (Text Lite); Conclusie A-G Mok (nr. 4.1.5.5) voor HR 19 mei 1999, NJ 1999/670 (onder NJ 1999/671), m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1999/170, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (De Haan); Willems 2004b, p. 260-263; Van Mierlo (onder 6) in zijn annotatie bij HR 24 juni 2005, JOR 2005/174 (Decidewise); Geerts 2006, p. 31; Wezeman 2006, p. 71; Bekkers 2010, p. 157; Melissen 2010, p. 39; Rikkert 2014, p. 83; Duynstee & Verwey 2015, p. 87-90 en p. 94-95; Reumers 2020, p. 228-229. Vgl. ook Willems 2000, p. 37-38.
Huizink (onder 1) in zijn annotatie bij OK 4 november 1999, TvI 2000, p. 36 (Holding Agrarische Fossilisatie). Kritisch is Van Solinge 1998, p. 47. Zie ook Van Calker 2017, p. 526-527; Spruitenburg 2018, p. 230; Spruitenburg 2022a, p. 273.
Luchtman 1999, p. 27. Zie ook Wessels 2010/4434; Veenstra 2013, p. 540; Wessels 2020/4431a.
Bongaerts 2018, p. 966-967. Zie ook nog Jager (onder 5) in zijn annotatie bij OK 28 juni 2012 (tussenbeschikking) en 27 juli 2012 (eindbeschikking), JOR 2012/320 (Meavita); Van Nievelt 2013, p. 68-69.
Ruimte voor de aanname van het bewijsvermoeden uit HR 8 april 2005 (r.o. 3.8), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus) zie ik daarbij overigens niet, zie par. 8.6.3.
Zie ook Van Nievelt 2013, p. 69; Reumers 2020, p. 228; par. 8.8.2.
Zie ook Van Solinge (onder 7) in zijn annotatie bij Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999, JOR 1999/142 (Verto/Drenth); Kroeze & Wezeman 2015, p. 11, voetnoot 31; par. 8.2.
Zoals beschreven door Bongaerts 2018, p. 965. Zie ook Schreurs (onder 8, sub b) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus).
Van Brunschot 2008, p. 249-251 en p. 256-257. Instemmend Buijn & Storm 2013, p. 1077-1078; Storm 2018, p. 424.
Zie ook Spruitenburg 2018, p. 232; Spruitenburg 2022a, p. 274.
Zie ook Josephus Jitta 2019, p. 128.
Schreurs (onder 8, sub b) in zijn annotatie bij OK 25 september 2020, JOR 2021/36 (Exodus).
Zie ook Bongaerts 2018, p. 965; Lafarre e.a. 2018, p. 77.
Zie ook Van der Korst 2008, p. 140.
Zie ook Kortmann (onder 6) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, JOR 1999/171 (De Haan); Kortmann (onder 1) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, AA 2000, p. 102 (De Haan); Bekkers 2010, p. 153; Duynstee & Verwey 2015, p. 91; OK 26 juli 2018 (r.o. 3.122), JOR 2018/275, m.nt. S.M. Bartman (SNS); OK 10 december 2019 (r.o. 3.18), JOR 2020/144, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Estro). Vgl. ook Van Andel & Van Zanten 2013, p. 33-34.
Zie ook Van der Korst 2008, p. 142; Dulack 2013, p. 57. Zie voorts Bekkers 2010, p. 152-153, die schrijft dat de behoefte van de curator om de regie van de boedelbereddering en de publiciteit daarover zoveel mogelijk in eigen hand te willen houden aan een enquêteprocedure in de weg kan staan. Publiciteit rond een enquête kan volgens hem bovendien aan een eventuele schikking met aansprakelijk te stellen personen in de weg staan.
Veenstra 2013, p. 542. Zie ook Bongaerts 2018, p. 967 en p. 972.
OK 6 januari 1994 (r.o. 3.4.4), NJ 1995/119 (Text Lite).
Zie in die richting ook Bekkers 2010, p. 158. Volgens Maeijer (onder 1) in zijn annotatie bij HR 15 januari 1997, NJ 1997/368 (Vie d’Or); Van Schilfgaarde, in: Luchtman 1999, p. 27; Wessels 2001, p. 491-492; Reumers 2020, p. 231; Wessels 2020/4427 en 4429 kan het handelen van de curator niet worden getoetst in de enquêteprocedure, omdat de curator onder volledig en onbeperkt toezicht van de rechter-commissaris staat. Kortmann (onder 3) in zijn annotatie bij HR 15 januari 1997, JOR 1997/30 (Vie d’Or) voert hiernaast aan dat de curator orgaan noch feitelijk beleidsbepaler van de rechtspersoon is en het handelen van de curator hierom niet als een handelen van de rechtspersoon kan worden aangemerkt. Van Mierlo 2005, p. 393 meent dat de curator volkomen buiten de rechtspersoon staat, en zijn handelen dus ook geen wanbeleid van de rechtspersoon kan opleveren. Instemmend Janssen (onder 7) in zijn annotatie bij OK 9 juli 1998, JOR 1998/122 (Vie d’Or); Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/734; Rikkert 2014, p. 84 e.v. Anders Lennarts & Geerts in hun annotatie bij OK 10 september 1999, Ondernemingsrecht 1999/84 (YVC IJsselwerf); Willems, in: Luchtman 1999, p. 27; Willems 2004b, p. 254-257; Geerts 2006, p. 49-51; Van der Korst 2008, p. 146-147; Van der Pijl 2019, p. 312-313; in die richting ook Dulack 2013, p. 59-60; Zaal 2014, p. 249. Den Boogert 1997, p. 125; Wessels 2001, p. 492; Wessels 2020/4429 merken nog wel op dat het in de praktijk overigens niet gemakkelijk zal zijn bij een onderzoek het handelen van de curator buiten beschouwing te laten.
OK 3 maart 2020 (r.o. 3.6-3.7), JOR 2020/145, m.nt. Ph.W. Schreurs (Victory and Dreams).
Zie voor kritiek daarop Schreurs (onder 8-9) in zijn annotatie bij OK 3 maart 2020, JOR 2020/145 (Victory and Dreams); Wareman & Van Gils 2020, p. 33-34.
Van Nievelt 2013, p. 36. Zie ook Bekkers 2010, p. 152-153.
Het staat de curator in het kader van de hem in art. 68 Fw opgedragen taak vrij middelen uit de boedel ter beschikking te stellen om de kosten van de enquêteprocedure te financieren. De curator is op grond van art. 68 Fw belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Hij dient daarbij in de eerste plaats de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Bij de beslissing of de curator bereid is de kosten van de enquêteprocedure als boedelschuld te financieren, dient hij aan deze belangen een belangrijke rol toe te kennen. Ook met andere, maatschappelijke belangen dient de curator evenwel rekening te houden.1 De kerntaak van de curator is een zodanige afwikkeling van het faillissement dat alle daarbij betrokken belangen overeenkomstig ieders rechtmatige aanspraak worden behartigd.2
De curator dient op grond van art. 68 lid 2 aanhef en sub a Fw bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel tevens te bezien of sprake is van onregelmatigheden die het faillissement (mede) hebben veroorzaakt, de vereffening van de failliete boedel bemoeilijken of het tekort in het faillissement hebben vergroot. De Insolad Praktijkregels voor Curatoren verplichten de curator ook te onderzoeken of er aanleiding bestaat vorderingen in te stellen tegen de (ex-)bestuurders of (ex-)commissarissen van de failliete rechtspersoon, of tegen andere bij het faillissement betrokken (rechts)personen, zoals beleidsbepalers, aandeelhouders, accountants en kredietverschaffers. Volgens de praktijkregels kan de wijze waarop de curator dit onderzoek uitvoert verschillen. In kleine faillissementen met een overzichtelijke hoeveelheid feiten zal de curator het onderzoek doorgaans zelf uitvoeren; in grotere faillissementen of faillissementen met een gecompliceerde feitenstructuur kan het nodig zijn externe deskundigen, zoals (forensisch) accountants, in te schakelen.3 In dit kader is mijns inziens ook de gebruikmaking van een onderzoek in de enquêteprocedure denkbaar.4
Bij de introductie van de enquêtebevoegdheid van de curator in art. 2:346 lid 3 BW heeft de minister opgemerkt dat de curator er belang bij kan hebben dat wordt vastgesteld of voorafgaand aan het faillissement wanbeleid heeft plaatsgevonden.5 Waarom dat het geval kan zijn, heeft de minister niet toegelicht. Ook het advies van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht schept hierin geen duidelijkheid.6
In De Haan heeft de Ondernemingskamer diverse redenen genoemd voor een enquête in faillissementssituaties:
‘Ook opening van zaken en vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust bij gebleken wanbeleid kunnen doel van een enquête zijn. Weliswaar staan de curator respectievelijk de rechter-commissaris in dit geval – waarin de curator niet alleen benoemd is in het faillissement van De Haan Beheer, maar ook in de faillissementen van de Nederlandse dochters – krachtens de Faillissementswet vele middelen en bevoegdheden ten dienste die vergelijkbaar zijn met die welke de onderzoeker in een enquête toekomen, doch dat ontneemt niet het belang aan het doen van een onderzoek krachtens de regeling van de 2e afdeling van titel 8 van Boek 2 BW. In de eerste plaats verschillen die middelen en bevoegdheden op een aantal niet ondergeschikte punten. Zo kent de Faillissementswet niet (alle) middelen en bevoegdheden als neergelegd in de artikelen 2:349a, 2:351, 2:354 en 2:356 BW. Bovendien verschillen begeleiding en controle door de gespecialiseerde rechter van die van de rechter-commissaris in faillissementen. Tenslotte kan het onderzoek in de enquêteprocedure – anders dan in faillissement – resulteren in de rechterlijke vaststelling dat er wanbeleid is geweest en – onder omstandigheden – tevens in de vaststelling wie daarvoor verantwoordelijk is. Een dergelijke vaststelling kan – hoewel niet doorslaggevend – van belang zijn in een tegen bestuurders in te stellen procedure tot vergoeding van de als gevolg van dat wanbeleid geleden schade en levert eveneens een belang voor de curator op.’7
Deze overweging van de Ondernemingskamer behoeft enige nuancering en achtergrondschets. Een enquête in faillissement en financiering van de kosten van het onderzoek als boedelschuld door de curator kunnen passen in de in Ogem onderscheiden doeleinden van een enquête, nu daarmee de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid is gediend.8
Een minder vanzelfsprekend voordeel van de enquêteprocedure voor de curator bieden onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a BW) en eindvoorzieningen (art. 2:356 BW). Praktisch belang daarbij zal bij de afwikkeling van een faillissement doorgaans ontbreken.9 Geheel ondenkbaar is de mogelijkheid van voorzieningen in faillissementssituaties echter niet, wanneer de curator behoefte heeft aan de benoeming van bijvoorbeeld een externe OK-bestuurder of OK-beheerder, om de besluitvorming in het bestuur of de algemene vergadering vlot te trekken met het oog op een te realiseren doorstart.10 In concernenquêtes kan behoefte bestaan aan voorzieningen op dochterniveau.11 Verder is wel gewezen op de situatie waarin er in het geheel geen bestuurders zijn – ook in dat geval kan behoefte bestaan aan de benoeming van een OK-bestuurder.12 Ook kan nog worden gedacht aan de vernietiging van besluiten door de Ondernemingskamer,13 in het bijzonder dechargebesluiten (par. 8.7).
De Ondernemingskamer noemt in De Haan ook de mogelijkheden die art. 2:351 BW biedt, dat de bevoegdheid van de onderzoeker tot raadpleging van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon omvat. In dit kader kunnen ook art. 2:352 BW en art. 2:352a BW worden genoemd. In de literatuur is opgemerkt dat de curator respectievelijk rechter-commissaris deze bevoegdheden reeds heeft ingevolge de Faillissementswet.14 Een uitzondering hierop vormt de bevoegdheid van de onderzoeker, gemachtigd door de Ondernemingskamer,15 ten aanzien van de nauw verbonden rechtspersoon als bedoeld in art. 2:351 lid 2 BW,16 welke bevoegdheid zich bovendien kan uitstrekken tot een in het buitenland gevestigde nauw verbonden rechtspersoon.17 Wel kan de inlichtingenplicht van bestuurders en commissarissen in faillissement van art. 105 Fw en art. 106 Fw tevens zien op groepsmaatschappijen van de failliete rechtspersoon.18 Bovendien sluit art. 66 Fw niet uit dat ook buiten de failliete rechtspersoon getuigen kunnen worden gehoord of deskundigenonderzoek wordt verricht en verschaft art. 93a Fw de curator toegang tot ‘elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is’.19 De strekking van art. 66 Fw staat er echter aan in de weg dat het verhoor door de rechter-commissaris wordt gebruikt voor een ander doel dan ter opheldering van alle omstandigheden die het faillissement betreffen, bijvoorbeeld teneinde feiten te verzamelen die kunnen leiden tot een enquêteprocedure of een procedure met het oog op de aansprakelijkstelling van een bestuurder of commissaris.20 Een mogelijk voordeel van de verrichting van onderzoek door de onderzoeker in de enquêteprocedure boven de curator is verder dat eerstgenoemde onafhankelijk is. Duynstee en Verwey merken op dat juist de verrichting van onderzoek door een derde die op afstand staat, het onderzoek en het gewicht van de conclusies ten goede kan komen.21
Een belangrijk voordeel van het onderzoek in de enquêteprocedure is verder de mogelijkheid tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW.22 Is de boedel vrijwel leeg, dan bestaat uiteraard niet de mogelijkheid de kosten van het onderzoek (zonder gebruikmaking van indirecte financiering) te financieren,23 maar lukt dat wel, dan biedt art. 2:354 BW de curator de mogelijkheid van een gratis onderzoek. De curator komt de mogelijkheid toe de kosten van het onderzoek op grond van deze bepaling te verhalen op de voor een onjuist beleid of onjuiste gang van zaken verantwoordelijke bestuurders, commissarissen of anderen in dienst van de rechtspersoon (par. 7.6.3).
Volgens Van Brunschot is art. 2:354 BW ‘slechts indirect van belang’, omdat de curator voor een onderzoek buiten enquête onder omstandigheden aanspraak kan maken op een garantiefonds, terwijl de curator dergelijke onderzoekskosten beter in de hand kan houden dan de kosten van het onderzoek in de enquêteprocedure. Daarnaast is volgens hem de mogelijkheid om kosten op grond van art. 2:354 BW te verhalen doorgaans lastig realiseerbaar.24 Deze argumentatie snijdt mijns inziens geen hout. Ook voor de kosten van het onderzoek zou de curator mijns inziens gebruik moeten kunnen maken van de Garantstellingsregeling curatoren 2012 (par. 6.7.7). Dat de curator de kosten van het onderzoek in een enquêteprocedure minder goed in de hand kan houden vormt geen argument, want als dat het geval zou zijn en hogere kosten worden gemaakt, dan kunnen die kosten op grond van art. 2:354 BW worden verhaald. Of verhaal van de kosten van het onderzoek uit hoofde van art. 2:354 BW lastig realiseerbaar is, laat zich lastig beoordelen.25
De kosten van het oorzakenonderzoek zou de curator als onderdeel van het boedeltekort mogelijk kunnen verhalen op grond van art. 2:138/248 BW. Daartoe dient dan wel een vordering in een dagvaardingsprocedure te worden ingesteld en uitgeprocedeerd.26 Een voordeel van de mogelijkheid van art. 2:354 BW is dat de kosten van het onderzoek in dezelfde enquêteprocedure kunnen worden verhaald.
De Ondernemingskamer erkent in De Haan ook het belang van de enquêteprocedure als opstap naar de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen.27 Voor de curator komt daar nog bij dat hij gebruik kan maken van de bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW. De enquêteprocedure kan de curator duidelijkheid verschaffen over of art. 2:10 BW en art. 2:394 BW zijn nageleefd.28 Luchtman merkt hierover op dat het entameren van een enquêteprocedure, noodzakelijkerwijs gevolgd door een dagvaardingsprocedure, niet tot een snellere vaststelling van aansprakelijkheid leidt. Deze bevoegdheid van de curator helpt de curator volgens hem dus niet echt verder, omdat de curator de procedure uiteindelijk zelf moet voeren; zo nodig zal hij ook zelf nader onderzoek dienen te verrichten. Volgens Luchtman leidt de weg via de enquêteprocedure eerder tot vertraging en kostenverhoging.29 Bongaerts meent dat de curator niet snel moet overgaan tot een tweede fase verzoek, omdat in de enquêteprocedure en aansprakelijkheidsprocedure dan dezelfde feitelijke discussie moet worden gevoerd, en in het verlengde hiervan de boedel wordt belast met de kosten hiervan.30 Deze kritiek miskent mijns inziens de bijzondere bewijswaarde van een enquêteprocedure in een aansprakelijkheidsprocedure, waarover par. 8.5.31 Die bijzondere bewijswaarde kan verantwoordelijke functionarissen ook bewegen tot een schikking.32 Denkbaar is verder dat de curator een vordering uit hoofde van art. 2:9 BW cedeert, waarmee ook enig actief in de boedel kan vloeien.33
Een voordeel van het onderzoek in de enquêteprocedure voor de curator zie ik niet gelegen in het feit dat het onderzoeksverslag ter inzage ligt voor belanghebbenden en in bijzondere gevallen voor eenieder, terwijl het oorzakenonderzoek vrijwel niet wordt afgegeven aan derden.34
In de literatuur is met name door Van Brunschot kritiek geformuleerd op de faillissementsenquête.35 Omdat die kritiek samenhangt met de enquêtebevoegdheid van de curator en de mogelijkheid de kosten van de enquêteprocedure als boedelschuld te financieren, bespreek ik deze kritiek ook hier. Van Brunschot noemt verschillende omstandigheden die een onwenselijke, althans inefficiënte samenloop van enquêteprocedure en faillissementsprocedure illustreren. Ik voorzie deze omstandigheden hierna van enig commentaar.
Volgens Van Brunschot zullen de onderzoeken van de curator en de onderzoeker in de praktijk met elkaar overlappen, wat gepaard gaat met onnodige kosten, ten laste van de boedel.36 Mijns inziens is dat niet noodzakelijk het geval, als de kosten van het onderzoek kunnen worden verhaald op de voet van art. 2:354 BW. Bovendien hoeven in een enquêteprocedure onderzochte omstandigheden niet opnieuw te worden onderzocht in het oorzakenonderzoek. Op die manier kan juist worden voorkomen dat overbodige kosten worden gemaakt.37 Het onderzoek in de enquêteprocedure hoeft ook niet meer te kosten dan het oorzakenonderzoek.38
Van Brunschot noemt verder dat sprake is van dubbel toezicht op de onderzoeken: de Ondernemingskamer houdt toezicht op de onderzoeker en de rechter-commissaris houdt toezicht op de curator. Waarom dat problematisch is, maakt Van Brunschot niet duidelijk, en zie ik ook overigens niet.
Dat de uitgangspunten van waaruit de curator en de onderzoeker hun onderzoek dienen te verrichten en de belangen die zij dienen verschillen, is mijns inziens evenmin problematisch. Met een onderzoek in de enquêteprocedure kan een vollediger beeld van de gang van zaken bij de rechtspersoon worden verkregen; dat kan ook een voordeel zijn voor de curator.39 Omdat het onderzoek in de enquêteprocedure dient te zijn gericht op het beleid en de gang van zaken binnen de rechtspersoon, terwijl een onderzoek naar die zaken bezien vanuit het boedelbelang voor het grootste deel irrelevant en overbodig is, is een enquête in faillissementssituaties volgens Van Brunschot strijdig met het boedelbelang. Een enquête kan echter bijzondere bewijswaarde hebben in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure, waarover par. 8.5. Bovendien gaat Van Brunschot er hiermee ten onrechte vanuit dat aandeelhouders geen crediteuren zijn in wiens belang de curator mede optreedt. Aandeelhouders hebben een vermogensrechtelijke vordering op de boedel, die op grond van art. 2:23b lid 1 BW echter pas te gelde kan worden gemaakt nadat de overige schuldeisers zijn voldaan.40 Ook kan een enquête (mede) een maatschappelijk belang dienen.41 Tot slot wijs ik erop dat de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW kunnen worden verhaald – is dat mogelijk, dan zal geen sprake zijn van strijd met het boedelbelang.
Van Brunschot noemt bovendien dat een curator op de omvang en kosten van het onderzoek in de enquêteprocedure noch op de keuze van de (eventueel benodigde externe) deskundige invloed heeft, hetgeen vanwege het kostenaspect strijdig kan zijn met het te dienen boedelbelang.42 Dit argument stemt niet geheel overeen met de werkelijkheid. De curator kan in zijn inleidende verzoekschrift vragen het onderzoek beperkt te houden vanwege het geringe boedelbudget.43 In Text Lite volgde de Ondernemingskamer bijvoorbeeld de suggestie van de curator om het onderzoek te beperken tot de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement, met het oog op de eventuele aansprakelijkstelling op grond van art. 2:138 BW.44 Daarbij komt dat de staande praktijk van het gebruik van een begroting door de onderzoeker in de enquêteprocedure de curator kan helpen bij een realistische schatting van de kosten van het onderzoek (par. 2.5.2). Onder omstandigheden kan de curator daarbij financiering tot een maximumbedrag (par. 6.4.6.2) als financieringsvoorwaarde stellen, zie par. 6.7.3.2 en par. 6.7.3.3.
Volgens Van Brunschot kan de bestaande onduidelijkheid over de vraag of het handelen van de curator onderwerp van het onderzoek in de enquêteprocedure kan zijn een bijkomende reden vormen om niet bereidwillig tegenover een enquête te staan.45 De Ondernemingskamer heeft inmiddels duidelijkheid geboden en zich op het standpunt gesteld dat het handelen van de curator in beginsel geen onderwerp van een enquête kan zijn, omdat dat handelen niet aan de rechtspersoon wordt toegerekend. De curator treedt bij het beheer en de vereffening van de boedel van de failliete rechtspersoon immers niet op als bestuurder van die rechtspersoon, maar behartigt daarbij in de eerste plaats de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Volgens de Ondernemingskamer beoogt het toezicht door de rechter-commissaris bovendien uitputtend te zijn, nu de curator voor diverse beheer- en beschikkingsdaden toestemming van de rechter-commissaris behoeft en de schuldeisers en de rechtspersoon tegen elke handeling van de curator bij de rechter-commissaris kunnen opkomen op de voet van art. 69 Fw. Hiernaast is volgens de Ondernemingskamer in beginsel geen ruimte voor rechterlijke toetsing door middel van het enquêterecht van de wijze waarop de curator zijn taak uitoefent. Dat laatste kan mogelijk anders zijn als een curator op de voet van art. 98 Fw de onderneming van de gefailleerde rechtspersoon voortzet.46 De Ondernemingskamer laat dus ruimte voor een onderzoek dat mede betrekking heeft op het handelen van de curator.47
Tot slot noemt Van Brunschot dat de onderzoeker slechts is gebonden aan de door de Ondernemingskamer verstrekte onderzoeksopdracht, en de onderzoeker geen rekening zal houden met de specifieke omstandigheden van het faillissement. Zijn onderzoek kan volgens Van Brunschot strijd opleveren met het boedelbelang, aangezien het er niet op is gericht de waarde van nog te vereffenen activa te borgen. Onder omstandigheden kan dit denk ik inderdaad maken dat een curator niet bereid is de kosten van de enquêteprocedure te financieren, wanneer hij bijvoorbeeld is verwikkeld in onderhandelingen over de verkoop van de onderneming en hij reputatieschade voor de onderneming wil voorkomen.48