Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.2.3
11.4.2.3 Deelgenoten in een gemeenschap
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS371165:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Idem Nieuwe Weme 2004, p. 145 en 237.
“Aandelen en stemmen die deel uitmaken van een gemeenschap worden toegerekend aan de deelgenoten in deze gemeenschap in evenredigheid met hun gerechtigdheid daarin. In afwijking van de vorige volzin worden stemmen die deel uitmaken van een wettelijke gemeenschap van goederen als bedoeld in artikel 93 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toegerekend aan de echtgenoot van wiens zijde de stemmen in de gemeenschap zijn gevallen als bedoeld in artikel 97 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.”
Naar mijn mening moet voor deelgenoten in een gemeenschap een – weerlegbaar – vermoeden van onderling overleg gelden.1 Aangenomen mag worden dat zij hun gedragingen onderling afstemmen. Tegelijkertijd zal het voor minderheidsaandeelhouders zeer moeilijk zijn om aan te tonen dat er sprake is van onderling overleg. Gelet hierop is een vermoeden op zijn plaats, zij het dat deze situatie zich in de praktijk niet snel voor zal doen. Het voorgaande geldt onverminderd voor de huwelijksgemeenschap (art. 1:94 BW) of de gemeenschap in geval van geregistreerd partnerschap (art. 1:94 jo art. 1:80b BW). Hieronder komt aan de orde of ook in gevallen waarin geen gemeenschap tot stand komt een vermoeden van onderling overleg moet gelden (§ 11.4.2.4).
Consequentie van dit vermoeden is dat de stemrechten wederzijds in volle hoogte worden toegerekend. Evenredige toerekening naar rato van gerechtigdheid in de gemeenschap2, zoals in art. 5:45 lid 8 Wft in het kader van de meldingsplicht van hoofdstuk 5.3 Wft, is dan niet aan de orde (vgl. § 12.2.5).