GHvJ, 11-12-2020, nr. EJ 84462 – HAR 11/18
ECLI:NL:OGHACMB:2020:274
- Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
11-12-2020
- Zaaknummer
EJ 84462 – HAR 11/18
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGHACMB:2020:274, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 11‑12‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:OGHACMB:2018:106, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 14‑06‑2018; (Beschikking)
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Einduitspraak op enquêteverzoek van Openbaar Ministerie naar beleid Sint Maartens havenbedrijf. Gezien de tijdens de procedure aangebrachte verbeteringen en na een belangenafweging, volgt afwijzing van het verzoek.
Partij(en)
Burgerlijke zaken 2020
Registratienummer: EJ 84462 – HAR 11/18
Datum uitspraak: 11 december 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
het OPENBAAR MINISTERIE VAN SINT MAARTEN,
hierna: het OM,
thans vertegenwoordigd door de advocaat-generaal mr. R.H. den Haan,
verzoeker,
tegen:
de naamloze vennootschappen
1. SINT MAARTEN HARBOUR HOLDING COMPANY N.V.,
2. SINT MAARTEN HARBOUR FINANCE N.V.,
3. SINT MAARTEN HARBOUR OPERATIONS N.V.,
4. SINT MAARTEN HARBOUR CRUISE FACILITIES N.V.,
5. SINT MAARTEN HARBOUR CARGO FACILITIES N.V.,
6. SIMPSON BAY CAUSEWAY N.V.,
7. SINT MAARTEN PORTS DEVELOPMENT (SMPD) N.V.,
8. SMH CRANE COMPANY N.V.,
9. SIMPSON BAY LAGOON AUTHORITY CORPORATION (SLAC) N.V.,
10. SINT MAARTEN HARBOUR FUELING COMPANY N.V.,
11. SINT MAARTEN PORTS AUTHORITY N.V.,
12. SINT MAARTEN HARBOUR CONSULTING N.V.,
13. SINT MAARTEN HARBOUR SEASHORE DEVELOPMENT N.V.,
alle gevestigd te Sint Maarten,
hierna gezamenlijk te noemen: ‘de vennootschappen’,
gemachtigden: de advocaten mrs. E.R. de Vries, C. de Bres en C. Rutte,
verweersters,
met als verschenen belanghebbenden:
de (gewezen) commissarissen van verweerster sub 1:
[BELANGHEBBENDEN 1 T/M 7],
allen wonend te Sint Maarten,
hierna gezamenlijk te noemen: ‘de commissarissen’,
thans procederende in persoon,
en:
[8] het LAND SINT MAARTEN,
zetelend te Sint Maarten,
hierna te noemen: ‘het Land’,
gemachtigde: de advocaat mr. R.F. Gibson jr.,
en
[BELANGHEBBENDE 9],
wonend in Sint Maarten,
hierna te noemen: ‘[belanghebbende 9]’,
gemachtigden: mrs. C. Merx en D.E. Liqui Lung.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Voor het verloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn beschikkingen van 14 juni 2018, 22 februari 2019 en 14 februari 2020.
1.2.
Op 18 mei 2020 is een brief van mr. Merx namens [belanghebbende 9] ingekomen, waarop het OM bij brief van 28 mei 2020 en de vennootschappen bij e-mail van 29 mei 2020 hebben gereageerd.
1.3.
Op 26 juni 2020 hebben de vennootschappen een akte na tussenbeschikking, met producties, genomen en heeft [belanghebbende 9] een akte houdende uitlating genomen.
1.4.
Aan [belanghebbende 9] is digitaal het volledige Hofdossier verstrekt, aangekondigd bij e-mail aan hem van 22 juli 2020.
1.5.
Op 4 september 2020 hebben de vennootschappen een nadere akte en heeft het OM twee aktes van antwoord genomen. Bij de eerste akte van antwoord van het OM zijn producties gevoegd. Het Land heeft afgezien van het nemen van een akte; het schaart zich achter hetgeen de vennootschappen naar voren hebben gebracht.
1.6.
Bij e-mail van 7 september 2020 hebben de vennootschappen gereageerd op de eerste akte van antwoord van het OM van 4 september 2020. Hierop heeft het OM geantwoord bij e-mail van 8 september 2020.
1.7.
Beschikking is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Gebleken is – het is ook door de vennootschappen beaamd – van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, in elk geval in de tijd voorafgaande aan de indiening door het OM van het enquêteverzoek (zie beschikking van 14 juni 2018, rov. 3.4).
2.2.
Sedert de indiening van het enquêteverzoek is er het een en ander gebeurd. Bestuurder [belanghebbende 9] – hij was enige bestuurder – is successievelijk geschorst, op non-actief gesteld, door het Hof bij wijze van voorlopige voorziening geschorst (beschikking van 14 juni 2018) en inmiddels, na strafrechtelijk in eerste aanleg te zijn veroordeeld, ontslagen. Twee andere bestuurders zijn benoemd. Een nieuwe – voltallige – raad van commissarissen trad aan. Een klokkenluidersregeling is ingevoerd. Een legal and compliance officer is benoemd evenals een ombudsman/vertrouwenspersoon. Na de strafrechtelijke veroordelingen in de Emerald-zaak zijn de vennootschappen doende een deel van de financiële schade te verhalen op degenen door wier fout deze is veroorzaakt. Ook lijkt een uitkering door de verzekeraar van de vennootschappen in zicht te zijn (akte van de vennootschappen van 26 juni 2020).
2.3.
Naast de vaststelling of er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid, dient het Hof voor toewijzing van een enquêteverzoek een afweging te maken van de belangen van de vennootschappen, de door het OM aangedragen belangen en de belangen van de andere belanghebbenden bij de vennootschappen en de daarmee verbonden ondernemingen, waarbij het belang van de vennootschappen relatief zwaar weegt.
2.4.
Blijkens het woord ‘kan’ in artikel 2:271 lid 1 BW beschikt het Hof over een discretionaire bevoegdheid. Zie de volgende uitspraken van de Hoge Raad in Nederlandse zaken. Uitgangspunt hierbij is dat de regeling van het enquêterecht van het Sint Maartense Burgerlijk Wetboek (artikelen 2:270-286 BW-SXM) is ontleend aan die van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (artikelen 2:344-2:359 BW-NL) en dat de verschillen tussen beide regelingen voor het hier te beslissen geval niet relevant zijn. Mede gelet op het in artikel 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden neergelegde concordantiebeginsel, dient de regeling van het enquêterecht van het BW-SXM in dit geval dan ook op dezelfde wijze te worden uitgelegd als de regeling van het enquêterecht van het BW-NL (vgl. HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:316, NJ 2019/395, rov. 3.4.2 in de Curaçaose enquêtezaak Cordial).
HR 26 juni 1996, NJ 1996/730 (Transom):
3.4
(…) De Ondernemingskamer wijst, gezien het bepaalde in art. 2:350 lid 1 BW een verzoek tot enquête slechts toe wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Aan de Ondernemingskamer, aan wie de afweging van de bij de zaak betrokken belangen is voorbehouden, moet daarbij een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (…).
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173 (Unilever):
4.4.1
Niettemin kan de vraag worden gesteld of de ondernemingskamer met haar beslissing voldoende oog heeft gehad voor de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van een enquête. De bezwaren waarop Unilever zich in dit verband heeft beroepen, zijn dat het instellen van een enquête reputatieschade voor de betrokken rechtspersoon kan meebrengen en de beurskoers negatief kan beïnvloeden, en dat het gevaar bestaat dat de verzoekers in feite slechts hun eigen vermogensrechtelijke belangen beogen te dienen in plaats van het belang van de rechtspersoon. Daarnaast moet worden bedacht dat het onderzoek, afhankelijk van het onderwerp en de afbakening daarvan, diep kan ingrijpen in het functioneren van de rechtspersoon en dat het hier gaat om een slechts in één feitelijke instantie gevoerde procedure, waarvan de uitkomst niet alleen kan leiden tot de tweede enquêteprocedure maar ook een, zij het beperkte, betekenis in bewijsrechtelijk opzicht kan hebben in andere procedures (vgl. HR 8 april 2005, nr. R04/005, RvdW 2005, 51). Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
4.4.2
De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2:350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval (zie HR 20 november 1996, nr. 55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, ook al heeft die plaats in een concreet geval, naast de hiervoor omschreven doeleinden van het enquêterecht mede de in 4.4.1 bedoelde bezwaren moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Er bestaat evenwel geen grond van de ondernemingskamer te vergen dat zij telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengt dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent.
(…)
5.5.2
Nu, zoals hiervoor in 4.4.2 is overwogen, de aan de ondernemingskamer toegekende bevoegdheid een enquête te gelasten een discretionaire is, kan in cassatie het oordeel van de ondernemingskamer dat aanleiding bestaat tot het toewijzen van een enquêteverzoek slechts in beperkte mate worden getoetst. De ondernemingskamer heeft in de rov. 3.5–3.23 uitvoerig overwogen waarom in deze zaak een onderzoek bevolen dient te worden. Hierbij heeft een weging plaatsgevonden van argumenten voor en tegen het gelasten van een enquête. Uit deze rechtsoverwegingen blijkt dat de ondernemingskamer oog heeft gehad voor het belang van Unilever dat geen enquête gelast zal worden doch dat de argumenten van de aandeelhouders naar het oordeel van de ondernemingskamer prevaleren boven de belangen, zoals deze door Unilever zijn aangevoerd. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Tot een nadere motivering was de ondernemingskamer niet gehouden (…).
HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210 (KPNQwest):
3.2.4.
De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire: bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 lid 1 BW voor toewijzing van een verzoek slechts plaats is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen slechts uitoefenen ten aanzien van het aan haar voorgelegde concrete verzoek. Dit brengt mee dat een door haar te maken belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden, zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval. De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, hoezeer die ook plaats heeft in een concreet geval, naast de doeleinden van het enquêterecht mede de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Zij behoeft evenwel niet telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking te brengen dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent (HR 18 november 2005, nr. R05/042, NJ 2006/173, Unilever). Een dergelijke motivering mag wel worden verlangd in geval van feiten of omstandigheden die (duidelijk) voor dan wel tegen toewijzing van het enquêteverzoek pleiten, en de ondernemingskamer desalniettemin tot een andersluidende beslissing komt.
2.5.
Het OM wil openheid van zaken verkrijgen door een enquête: door drie onderzoekers. Het OM wil dat duidelijkheid gebracht wordt omtrent de oorzaken van de aan het licht gekomen misstanden en omtrent de structurele remedies die nodig zijn: ‘hoe kan worden voorkomen dat wederom een stroman van een machtig politicus aan het roer komt te staan en een dominante invloed kan uitoefenen op door de Haven te nemen zakelijke en beleidsbeslissingen?’ (eerste akte van antwoord van 4 september 2020, p. 7). Het OM stelt, met verwijzingen naar rapporten, dat er integriteitsproblemen zijn binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven.
2.6.
De vennootschappen wijzen op alle inmiddels aangebrachte interne verbeteringen. Zij vrezen dat de kosten van een enquête hoog zullen zijn en dat de onderzoekers een groot beslag zullen leggen op de tijd van hun bestuurders. Door de orkaan Irma en thans door de Covid-19-pandemie zijn de vennootschappen financieel in zwaar weer komen te verkeren. Er moet veel gebeuren. De vennootschappen menen dat door al de genomen maatregelen en de strafrechtelijke veroordelingen de vennootschappen op solide voet verder kunnen.
2.7.
Door de aangebrachte verbeteringen binnen de vennootschappen (zie hiervóór rov. 2.2) blijkt, indien de huidige situatie geïsoleerd wordt beschouwd, thans niet van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De mogelijkheid dat wederom een misstand ontstaat in de haven van Sint Maarten is daartoe onvoldoende. Door het Hof is op de eerste zitting gevraagd of er aanwijzingen waren van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan de enige bestuurder [belanghebbende 9], die later in eerste aanleg strafrechtelijk is veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf (ECLI:NL:OGEAC:2020:23) en door de vennootschappen is ontslagen zonder vergoeding. Daarop kwam geen antwoord. Uit de strafzaken-Emerald blijkt van omkoping van een politicus (ECLI:NL:OGEAC:2020:24) en in de strafzaken-Larimar eveneens (ECLI:NL:OGEAM:2020:39), maar die zaken zijn in de onderhavige enquêteprocedure slechts zijdelings aan de orde geweest en niet is aangevoerd dat uit de strafzaken is gebleken van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen. Het Hof is overigens, indien wordt uitgegaan van de door het OM gestelde integriteitsproblemen binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven, minder optimistisch dan het OM dat de drie te benoemen onderzoekers een panacee zouden vinden, of dat hun bevindingen tot betekenisvolle maatregelen zouden leiden. In het geval van de Curaçaose overheidsvennootschappen (ECLI:NL:OGHACMB:2017:38, NJ 2019/395) lijkt daarvan geen sprake te zijn geweest.
2.8.
Alle belangen afwegende komt het Hof tot het oordeel dat het niet opportuun is een enquête te gelasten. De door de vennootschappen aangevoerde belangen, daarin gesteund door het Land als aandeelhouder en door de (al dan niet gewezen) commissarissen, wegen het zwaarst. Het verzoek moet dus worden afgewezen.
2.9.
In de omstandigheid dat ten aanzien van de situatie van vóór het enquêteverzoek van gegronde redenen bleek om aan een juist beleid te twijfelen ziet het Hof reden geen kostenveroordeling uit te spreken.
3. Beslissing
Het Hof wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.E. de Kort, J. de Boer en C.P. van Gastel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting in Sint Maarten uitgesproken op 11 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Haven Sint Maarten. Verzoek Openbaar Ministerie om enquête om redenen van openbaar belang. Hof schorst bij wijze van voorlopige voorziening een bestuurder en houdt de zaak voor het overige aan om vennootschappen gelegenheid te geven zelf maatregelen te treffen en te overleggen met OM.
Partij(en)
Registratienummer: Beschikking no.:
EJ 84462 - HAR 11/18
Datum uitspraak: 14 juni 2018 (bij vervroeging)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
het OPENBAAR MINISTERIE VAN SINT MAARTEN,
hierna: het OM,
vertegenwoordigd door de advocaat-generaal, aanvankelijk mr. A.C. van der Schans, thans mr. J. Spaans, alsmede door officier van justitie mr. D. Hazejager en plaatsvervangend-hoofdofficier van justitie mr. H. Festen,
gemachtigden: de advocaten mrs. R.F. van den Heuvel en R.B. van Hees,
verzoeker,
tegen:
de naamloze vennootschappen
1. SINT MAARTEN HARBOUR HOLDING COMPANY N.V.,
2. SINT MAARTEN HARBOUR FINANCE N.V.,
3. SINT MAARTEN HARBOUR OPERATIONS N.V.,
4. SINT MAARTEN HARBOUR CRUISE FACILITIES N.V.,
5. SINT MAARTEN HARBOUR CARGO FACILITIES N.V.,
6. SIMPSON BAY CAUSEWAY N.V.,
7. SINT MAARTEN PORTS DEVELOPMENT (SMPD) N.V.,
8. SMH CRANE COMPANY N.V.,
9. SIMPSON BAY LAGOON AUTHORITY CORPORATION (SLAC) N.V.,
10. SINT MAARTEN HARBOUR FUELING COMPANY N.V.,
11. SINT MAARTEN PORTS AUTHORITY N.V.,
12. SINT MAARTEN HARBOUR CONSULTING N.V.,
13. SINT MAARTEN HARBOUR SEASHORE DEVELOPMENT N.V.,
alle gevestigd te Sint Maarten,
hierna ook gezamenlijk te noemen: ‘de vennootschappen’,
gemachtigden: de advocaten mrs. E.R. de Vries, C. de Bres en J. Knol,
verweersters,
met als verschenen belanghebbenden:
de (gewezen) commissarissen van verweerster sub 1:
[belanghebbenden 1 tot en met 7],
allen wonend te Sint Maarten,
gemachtigden: de advocaten mrs. N.C. de la Rosa en B. Brooks,
en:
het LAND SINT MAARTEN,
zetelend te Sint Maarten,
verschenen bij zijn waarnemend Minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie C. de Weever,
gemachtigde: de advocaat mr. J.G. Bloem.
1. Verloop van de procedure
Op 1 september 2017 heeft het OM ter griffie te Sint Maarten een verzoekschrift ingediend tot het gelasten van een enquête en het treffen van voorlopige voorzieningen. Dat verzoekschrift is in het ongerede geraakt. Op 19 februari 2018 heeft het OM het verzoekschrift nogmaals ingediend.
Vervolgens heeft het Hof verzoeker, verweersters en belanghebbenden doen oproepen.
Namens de vennootschappen is op 15 mei 2018 een verweerschrift ingediend.
Op 21 mei 2018 heeft het OM een akte ingediend houdende overlegging van producties tevens vermindering van het verzoek tot het gelasten van voorlopige voorzieningen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van het Hof in het Court House in Sint Maarten op 24 mei 2018. Namens het OM en verweersters zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd. Ook de minister en zijn gemachtigde hebben het woord gevoerd.
Beschikking is bij vervroeging bepaald op heden.
2. Het verzoek en de grondslag van het verzoek
2.1
Het Land Sint Maarten is enig aandeelhouder van verweerster sub 1. Verweerster sub 1 houdt, direct of indirect, alle aandelen in de overige verweersters. Alle vennootschappen leggen zich toe op activiteiten die verband houden met de haven van Sint Maarten. Tot 29 juni 2017 was statutair bestuurder [naam bestuurder] volledig bevoegd verweerster sub 1 en de meeste overige verweersters te vertegenwoordigen.
2.2
Bij brief van 8 juli 2015 heeft het OM een verzoek om inlichtingen aan verweerster sub 1 gedaan op grond van artikel 2:272 lid 3 BW, zulks naar aanleiding van bij het OM gerezen bedenkingen bij het functioneren en de integriteit binnen de ondernemingen van de vennootschappen. Hierover, en over de aanvullende verzoeken van het OM, is in de twee daarop volgende jaren tussen de advocaat van de vennootschappen en het OM gecorrespondeerd.
2.3
Bij brief van 20 juli 2017 heeft het OM de vennootschappen en de RvC zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschappen. Hierop is namens de vennootschappen en de RvC bij brieven van 1 augustus 2017 gereageerd, maar niet naar genoegen van het OM.
2.4
In zijn op 1 september 2017 en 19 februari 2018 ingediend verzoekschrift verzoekt het OM dat het Hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. een onderzoek zal bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschappen gedurende het tijdvak vanaf 1 januari 2009, of zoveel eerder als het onderzoek naar de hierna te noemen onderwerpen daartoe aanleiding geeft, tot de datum waarop het (eind)rapport gereed zal zijn, althans gedurende een door het Hof in goede justitie te bepalen tijdvak, en met betrekking tot door het Hof in goede justitie te bepalen onderwerpen;
2. drie personen zal benoemen teneinde dit onderzoek te verrichten;
3. voor de duur van het geding de volgende, althans door het Hof in goede justitie te bepalen, voorlopige voorzieningen zal treffen:
a. a) schorsing van de bestuursvoorzitter [naam bestuurder];
b) aanstelling van een nieuwe bestuursvoorzitter van verweerster sub 1, met toekenning van een ten laste van verweerster sub 1 komende, door het Hof in goede justitie te bepalen beloning;
c) schorsing van alle huidige commissarissen van verweerster sub 1;
d) aanstelling van een aantal commissarissen bij verweerster sub 1 op zodanige wijze dat wordt voldaan aan alle statutair kwantitatieve en kwalitatieve vereisten, met toekenning van een ten laste van verweerster sub 1 komende, door het Hof in goede justitie te bepalen beloning;
e) bevel aan de vennootschappen binnen twee maanden na de datum van de uitspraak in deze zaak een legal and compliance officer te benoemen die toezicht houdt op naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving, statuten en Corporate Governance Code binnen de vennootschappen, met uitdrukkelijke bepaling dat de door het Hof te benoemen tijdelijk bestuurder tot die benoeming bij uitsluiting bevoegd is;
f) bevel aan de vennootschappen binnen twee maanden na de datum van de uitspraak in deze zaak een ombudsman/vertrouwenspersoon te benoemen waar personeelsleden van de vennootschappen misstanden, al dan niet anoniem, kunnen melden, en in dat kader een zogeheten Non-Retaliation Policy vast te stellen, met uitdrukkelijke bepaling dat de door het Hof te benoemen bestuurder tot die benoeming bij uitsluiting bevoegd is;
4. de vennootschappen zal veroordelen in de kosten van dit geding.
2.5
Aan deze verzoeken heeft het OM in zijn verzoekschrift ten grondslag gelegd dat gebleken is van gegronde redenen om aan een juist beleid binnen de vennootschappen te twijfelen in de zin van artikel 2:274 BW. Het OM noemt in het verzoekschrift, samengevat, de volgende vijf gronden:
1. Corporate Governance
Al jaren wordt niet voldaan aan de eisen gesteld door de statuten van verweerster sub 1 en de Corporate Governance Code for Island Owned Companies Sint Maarten op het vlak van Corporate Governance. Zo heeft de toenmalige Minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie in augustus 2012 als vertegenwoordiger van de aandeelhouder zonder deugdelijke onderbouwing aan alle leden van de RvC verzocht om voortijdig hun ontslag in te dienen, waarna de RvC werd samengesteld uit drie leden in plaats van de statutair voorgeschreven minimale bezetting van vijf leden. De eveneens statutair voorgeschreven expertise binnen de RvC (scheepvaart/cruise, economisch, financieel en juridisch) is daarbij al jaren niet toereikend. Voorts is de RvC structureel informatie onthouden, zijn door het bestuur (op instructie van de aandeelhouder) besluiten genomen zonder noodzakelijke instemming van de RvC en wordt al jaren niet voldaan aan de verplichting om binnen een half jaar na het afsluiten van het boekjaar een algemene vergadering van aandeelhouders te houden met als doel het bevestigen en aannemen van de jaarcijfers en het jaarverslag.
2. Het project Causeway
Besloten is tot de bouw van een brug over de Simpson Bay. De vennootschappen hebben hiervoor een financiering van USD 50 miljoen aangetrokken. Het belang van de vennootschappen bij de opdracht tot de bouw van de Causeway valt volgens het OM niet in te zien, te minder nu voor de vennootschappen tegenover de aanzienlijke rentelasten geen inkomsten staan. Daarnaast roept de gang van zaken bij de gunning aan Volker Construction International en de totstandkoming van de uiteindelijke (hogere) prijs vragen op die de vennootschappen niet hebben beantwoord.
3. De Octaviolening
In 2009 heeft de RvC een geldlening van circa NAf 2,5 miljoen goedgekeurd voor de aanschaf van een havenkraan. Kredietverstrekker was het Panamese Octavio, waarvan een broer van de destijds fungerende RVC-voorzitter bestuurder was. Volgens het OM is hier sprake van een evident belangenconflict, valt niet in te zien waarom de kraan niet met eigen vermogen werd gefinancierd en is door de vennootschappen kennelijk geen onderzoek gedaan naar Octavio en de herkomst van het geld.
4. De schikking met Zebec
Verweerster sub 1 is volgens het OM onverantwoorde risico’s aangegaan door met Zebec te contracteren over de uitgifte in ondererfpacht van een stuk grond van 3.000 m2 in het havengebied, welke fout de samenleving van Sint Maarten ten minste USD 10 miljoen heeft gekost, het bedrag waartegen de vennootschappen de vorderingen van Zebec hebben geschikt.
5. Fraude met nepfacturen
Uit een strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat in elk geval vanaf 2013 gefingeerde en in hoogte sterk overdreven facturen werden ingediend bij en betaald door de vennootschappen, die veelal nipt beneden de grens van USD 25.000 bleven waarboven de toestemming van de RvC vereist is. Deze facturen werden voor uitbetaling getekend door bestuurder [naam bestuurder]. Op deze wijze is volgens het OM tot juli 2017 zeker USD 7 miljoen uit het vermogen van de vennootschappen weggesluisd.
3. De beoordeling
3.1
Op grond van artikel 2:271 BW kan het Hof een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon en daarmee nauw verbonden rechtspersonen. Artikel 2:272 lid 2 BW bepaalt onder meer dat het openbaar ministerie steeds bevoegd is een dergelijk verzoek te doen om redenen van openbaar belang. Ingevolge artikel 2:272 lid 3 BW kan het openbaar ministerie voorafgaand aan een in te dienen verzoek inlichtingen doen inwinnen bij de betreffende rechtspersoon over het beleid en de gang van zaken en is die rechtspersoon verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en inzage te verlenen. Artikel 2:276 lid 1 BW bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling.
3.2
Het door het OM ingediend verzoek om een enquête en zijn daaraan voorafgegane verzoeken aan de vennootschappen om inlichtingen hebben op een aantal punten reeds effect gesorteerd. Bestuurder [naam bestuurder] is aansluitend op een schorsing van twee maanden op non-actief gesteld. Op 29 juni 2017 zijn naast [naam bestuurder] tot statutair bestuurders benoemd de heren [namen nieuwe bestuurders]. De RvC telt inmiddels vijf leden. Ook is er is een klokkenluidersregeling ingevoerd. Het OM heeft op grond van deze door de vennootschappen getroffen maatregelen haar verzoeken om de voorlopige voorzieningen genoemd in overweging 2.4 onder 3b), 3c), 3d) en 3f) tweede gedeelte ingetrokken.
3.3
Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorzieningen 3e) (benoeming legal and compliance officer) en 3f) eerste gedeelte (benoeming ombudsman/vertrouwenspersoon) heeft het OM verklaard bereid te zijn de betreffende verzoeken in te trekken zodra de vennootschappen uitvoering hebben gegeven aan het door hen geuite voornemen dergelijke functionarissen op korte termijn te benoemen.
3.4
Het OM heeft volhard bij de gevraagde voorlopige voorziening 3a) (de schorsing van bestuurder [naam bestuurder]). De vennootschappen hebben verklaard zich niet tegen die voorziening te verzetten. Zij hebben gesteld voornemens te zijn [naam bestuurder] te ontslaan indien hij door het Gerecht in eerste aanleg schuldig wordt bevonden in de tegen hem lopende strafzaak. Ook [naam bestuurder] zelf (die niet is verschenen) heeft geen blijk gegeven van bezwaar tegen de verzochte schorsing. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken bij de vennootschappen. Gelet op de aan het verzoek tot schorsing ten grondslag gelegde redenen en gelet op de omstandigheid dat de vennootschappen tot dusver zelf - behoudens [naam bestuurder]’s op non-actiefstelling met behoud van vertegenwoordigingsbevoegdheid - niet of nauwelijks maatregelen lijken te hebben getroffen of onderzoek lijken te hebben gedaan naar aanleiding van in het bijzonder de kwestie van de facturen, is het Hof van oordeel dat het belang van de vennootschappen de schorsing van [naam bestuurder] als statutair bestuurder eist. De schorsing van [naam bestuurder] is noodzakelijk en de redenen daarvoor zijn zwaarwegend. Die voorlopige voorziening zal dan ook worden getroffen.
3.5
Ten aanzien van het verzoek om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschappen hebben de vennootschappen het standpunt ingenomen dat er inderdaad, gelet op de constateringen op het gebied van de corporate governance en gelet op de kwestie van de nepfacturen, gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid. Zij stellen voorts dat een enquête kan bijdragen aan de ook door hen, zeker bij overheidsvennootschappen, van groot belang geachte transparantie. Niettemin zijn de vennootschappen van mening dat een onderzoek zoals door het OM verzocht achterwege moet blijven. Zij stellen te vrezen dat de kosten van een enquête hoog zullen zijn en dat de onderzoekers een groot beslag zullen leggen op de tijd van hun bestuurders, terwijl die bestuurders zich volledig dienen te richten op het herstelproces na de orkanen van vorig jaar. Ter zitting hebben de vennootschappen subsidiair verzocht een te gelasten enquête niet eerder dan over een half jaar te laten aanvangen. Zij hebben voorts te kennen gegeven dat zij voornemens zijn zelf onderzoek te laten doen (een “nulmeting”), dat zij ervoor openstaan om in samenspraak met het OM tot nadere maatregelen te komen en dat zij, in het bijzonder ook wat betreft het project Causeway, bereid zijn tot het verstrekken van nadere inlichtingen aan het OM. Binnenkort zal volgens de vennootschappen een commissaris met een juridische achtergrond worden benoemd, zodat dan ook zal zijn voldaan aan de kwalitatieve eisen die de statuten stellen aan de samenstelling van de RvC. Over de verdenkingen tegen [naam bestuurder] en diens positie binnen de vennootschappen verwachten de vennootschappen meer duidelijkheid te krijgen als zijn strafzaak later deze maand wordt behandeld.
3.6
Bij de behandeling ter zitting hebben het Land en de RvC het standpunt van de vennootschappen onderschreven.
3.7
Het Hof ziet aanleiding zijn uitspraak ten aanzien van het gevraagde onderzoek en de gevraagde voorlopige voorzieningen 3e) (benoeming legal and compliance officer) en 3f) eerste gedeelte (benoeming ombudsman/vertrouwenspersoon) aan te houden tot na een voortzetting van de behandeling. Daarmee krijgen de vennootschappen de gelegenheid voort te gaan met het treffen en afronden van maatregelen ter verbetering van het beleid en de gang van zaken bij de vennootschappen en tot het treffen van maatregelen om de gevolgen van eerder gevoerd onjuist beleid zoveel mogelijk ongedaan te maken of te beperken. De vennootschappen zullen voorts met het OM in overleg kunnen treden over de vraag in hoeverre de bezwaren van de vennootschappen tegen een enquête - de kosten en het tijdsbeslag - kunnen worden verlicht, alsmede over de vorm en reikwijdte van een in opdracht van de vennootschappen en/of een eventueel op last van het Hof te verrichten onderzoek.
3.8
Bepaald zal worden dat de behandeling zal worden voortgezet op 13 december 2018. Alle partijen dienen zich op de rolzitting van het Hof van 27 november 2018 in Curaçao bij akte uit te laten over de vraag in hoeverre nadere maatregelen als hiervoor bedoeld zijn getroffen en wat hun dan actuele standpunt is ten aanzien van nut en noodzaak van de verzochte enquête.
4. Beslissing
Het Hof:
4.1
schorst, bij wijze van voorlopige voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden, [naam bestuurder] als statutair bestuurder van de vennootschappen;
4.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet ter zitting van het Hof in het Court House te Sint Maarten op donderdag 13 december 2018, 10.00 uur;
4.4
bepaalt dat partijen op de rolzitting van het Hof in Curaçao van 27 november 2018 een akte zullen nemen als bedoeld onder 3.8 (peremptoir, uitstel in beginsel niet mogelijk);
4.5
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.E. de Kort, G.C.C. Lewin, en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting in Sint Maarten uitgesproken op 14 juni 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.