Einde inhoudsopgave
Privacyrecht is code (R&P nr. ICT1) 2010/5.12.3
5.12.3. Juridische vraagstukken bij het inbouwen van wetgeving
drs. J.J.F.M. Borking, datum 26-05-2010
- Datum
26-05-2010
- Auteur
drs. J.J.F.M. Borking
- JCDI
JCDI:ADS581243:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EU Projectnummer: IST-2000-26038; Projectnaam: PISA — Privacy Incorporated Software Agent, Building a Privacy Guardian for the Electronic Age; Onderzoeksperiode:1999-2003.
Borking, Van Eek & Siepel, 1999, p. 11. Mobiliteit refereert aan de mogelijkheid dat deze agenten zich kunnen bewegen vanuit de PC binnen netwerken. Zie ook Schermer, 2007, p. 24.
Van Blarkom, Borking & Olk, 2003, p. 142.
Artikelen 2 en 7 van de Richtlijn 95/46/EG vereisen een toestemming, die 'freely' (artikel 2h), 'specific'(artikel 2h), 'informed' (artikel 2h), 'unambiguously' (artikel 7a) en 'explicit' (artikel 8 lid 2 a).
Borking & Foukia, 2008, p. 7.
In hoofdstuk 6 wordt hierop ingegaan.
Solum, 1992.
Van Oven, 1948, p. 439.
Van Blarkom, e.a., 2003, p. 187.
Bench-Capon, 2007, p.70.
Het in dit hoofdstuk vermelde PISA-project1 had naast de toepassing van de traditionele PET-componenten, zoals 'identity protectors' en het scheppen van domeinen van anonimiteit en pseudonimiteit, als een van de ambitieuze doelstellingen de privacywetgeving in mobiele2 software agents te implementeren. Hiermee wordt voorkomen dat persoonsgegevens door andere agenten en platforms zouden worden verwerkt in strijd met de privacywetgeving en de privacy-preferenties van de betrokkene, die de agent met een specifieke opdracht op het internetpad had gestuurd.3 Deze ambitie had tot gevolg dat in de mobiele software agents niet alleen beslissing-, planning-, onderhandeling- en leereigenschappen moesten worden ingebouwd, maar ook de privacyrealisatie beginselen (zie hoofdstuk 2) en met name de eisen die gelden voor toestemming.4 Speciale aandacht kreeg de beveiliging tegen aanvallers.
Wanneer het gaat om innovatieve technologie doen zich een aantal juridische vraagstukken voor, die nog niet eerder geduid zijn.5 In het PISA-project moest uitgezocht worden of :
de software agent als gebruiker van de door hem verzamelde persoonsgegevens zelf als verantwoordelijke of bewerker gekwalificeerd wordt;
een agent zelf een betrokkene ex artikel 2a van de Richtlijn 95/46/EG kan zijn;
de vereiste toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens door de agent zelf en/of namens de gebruiker van de agent kan generiek worden verleend;6
de wettelijke verplichtingen van de verantwoordelijke door zijn software agent kunnen worden uitgevoerd;
gezien de autonomie van de mobiele software agent aan hem een (juridische) persoonlijkheid kan worden toegekend;7
er bij de wetgever op aangedrongen moet worden op langere termijn aan een software agent een slavenstatus toe te kennen;
de software agent vergelijkbaar is met de slaaf als rechtsobject in het Romeinse Recht, die net als een software agent overeenkomsten kon sluiten en bezit kon verkrijgen waarvan de `possessio naturalis' en de `naturalis obligatio' erkend werden?8
het haalbaar was om door middel van privacyontologieën (de ingebouwde juridische know how) tijdens de werkzaamheden van de software agent de wettelijke privacy aspecten af te dwingen.
De (tentatieve) antwoorden op deze vragen waren direct van invloed op de te ontwerpen architectuur voor de mobiele software agent in het PISA-project. Voor de onderzoekers in het PISA-project was een extra moeilijkheid, dat er nog maar zeer weinig jurisprudentie over de interpretatie van de richtlijn 95/46/EG voor handen was. Bovendien:
"problems that are due to changes in the law are well-known in conventional data processing: changes in tax law, for example, must be announced well in advance of coming into effect to ensure there is sufficient time for the considerable task of altering programs which have to apply these laws in payroll and other applications".9
Konden privacyontologieën aan deze problemen het hoofd bieden?10 In hoofdstuk 6 wordt dieper op het PISA-project ingegaan.