Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.1.1:17.1.1 Principieel vertrouwen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.1.1
17.1.1 Principieel vertrouwen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458219:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Advies 2/13 van het Hof (voltallige zitting) van 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2454, overweging 194.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals zojuist opgemerkt lijkt het vertrouwen in de EU minder principieel van aard, in de zin van vertrouwen gebaseerd op de soevereiniteit van beide betrokken staten, dan het vertrouwen bij klassiek-verdragsrechtelijke samenwerking. Waar in klassiek-verdragsrechtelijk verband het vertrouwensbeginsel, als rule of non-inquiry, voortspruit uit de gedachte dat een staat zich niet mag bemoeien met de interne aangelegenheden van de andere staat, daar kan van samenwerking in EU-verband worden gezegd dat een belangrijk onderdeel van het lidmaatschap van de EU nu juist is dat soevereiniteit wordt ingeleverd ten faveure van de rechtsorde sui generis, die de EU vormt. Weliswaar strekt de bevoegdheid van de Unie zich niet uit tot de strafrechtsstelsels als zodanig, maar waar het straf(proces)recht transnationaal werkt, en bij strafrechtelijke samenwerking is dat zonder meer het geval, kent de Unie in artikel 67 VWEU een tamelijk ruime grondslag die maatregelen op dat gebied legitimeert. De EU vormt een Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht. Dit correspondeert vooral met het agendapunt van gemeenschappelijke gehechtheid aan mensenrechten en fundamentele vrijheden en de ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur. Bij een dergelijke verbondenheid tussen lidstaten kan niet langer worden verdedigd dat de soevereiniteit van elke individuele lidstaat noopt tot terughoudendheid bij toetsing van samenwerking. Daar staat tegenover, maar dat komt hierna nog aan de orde, dat praktische of ordenende vormen van non-inquiry in de plaats van deze principiële vorm zijn gekomen.
Het lidmaatschap van de EU leidt in theorie wel tot een andere vorm van vertrouwen die principieel van aard kan worden genoemd, te weten de opvatting dat de lidstaten weliswaar verschillen, maar gelijkwaardig zijn waar het om hun rechtsstelsels gaat. Dit werkt vooral door in een aanname van vertrouwen waar het bijvoorbeeld strafbaarstellingen of waar het de wijze van berechten betreft. Niet iedere lidstaat maakt dezelfde keuzes, maar afwijking op onderdelen hoeft niet in de weg te staan aan de slotsom dat de uitkomst gelijkwaardig is. De codificatie in het de artikelen 67 lid 3 en 82 lid 1 VWEU van het beginsel van wederzijdse erkenning kan als belangrijke uiting van deze gedachte worden gezien. Het Hof van Justitie vertaalt dat zelfs in een verplichting voor de lidstaten om onderling vertrouwen te hebben.1 Gelet evenwel op enkele onderdelen van de vertrouwensagenda was deze gedachte van equivalentie van de verschillende rechtsstelsels, ten tijde van het proclameren van het beginsel van wederzijdse erkenning als hoeksteen van de samenwerking, maar ook thans, nog niet gebaseerd op de daadwerkelijke kenmerken van de rechtsstelsels. Onderdeel van de vertrouwensagenda zijn immers de ontwikkeling van minimumnormen en procedurele waarborgen en de (verdere) ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur en gemeenschappelijke gehechtheid aan mensenrechten en fundamentele vrijheden. De noodzaak met name om een ondergrens van procedurele waarborgen te formuleren duidt erop dat niet in alle rechtsstelsels een bepaald minimaal acceptabel niveau van rechtsbescherming kon worden verondersteld. Dat kan niet anders worden uitgelegd dan als een aanwijzing dat die rechtsstelsels vanuit het gezichtspunt van rechtsbescherming niet werkelijk equivalent waren en, nu deze rechtencatalogus nog volop in ontwikkeling is, zijn. Een vergelijkbare redenering kan worden gevolgd met betrekking tot het agendapunt van verbetering van de detentiepraktijk, zij het op het specifiekere punt van die detentiepraktijk. Gelet evenwel op enkele onderdelen van de vertrouwensagenda was deze gedachte van equivalentie van de verschillende rechtsstelsels, ten tijde van het proclameren van het beginsel van wederzijdse erkenning als hoeksteen van de samenwerking, maar ook thans, nog niet gebaseerd op de daadwerkelijke kenmerken van de rechtsstelsels. Onderdeel van de vertrouwensagenda zijn immers de ontwikkeling van minimumnormen en procedurele waarborgen en de (verdere) ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur en gemeenschappelijke gehechtheid aan mensenrechten en fundamentele vrijheden. De noodzaak met name om een ondergrens van procedurele waarborgen te formuleren duidt erop dat niet in alle rechtsstelsels een bepaald minimaal acceptabel niveau van rechtsbescherming kon worden verondersteld. Dat kan niet anders worden uitgelegd dan als een aanwijzing dat die rechtsstelsels vanuit het gezichtspunt van rechtsbescherming niet werkelijk equivalent waren en, nu deze rechtencatalogus nog volop in ontwikkeling is, zijn. Een vergelijkbare redenering kan worden gevolgd met betrekking tot het agendapunt van verbetering van de detentiepraktijk, zij het op het specifiekere punt van die detentiepraktijk.
Voorts kan voor de EU worden gewezen op het principe van Unietrouw dat thans is neergelegd in artikel 4, derde lid, VWEU. Het verplicht de lidstaten tot loyale samenwerking bij de uitvoering van het recht van de Unie. Op eenzelfde manier als het beginsel van pacta sunt servanda kan deze Unietrouw dienen als principiële grondslag voor wederzijds vertrouwen. Dit werkt twee kanten op. Aan de ene kant kan het gaat om trouwe samenwerking: lidstaten behoren conform de kaderbesluiten en richtlijnen samen te werken en in elk geval geen toetsing uit te voeren waartoe het EU-recht geen ruimte biedt. Ook toetsing op oneigenlijke gronden, zoals het inroepen van een weigeringsgrond uit andere motieven dan waar voor die is geschreven, kan als strijdig met loyale samenwerking worden gezien. Het gaat dan om onderdelen van samenwerkingsinstrumenten die vertrouwen impliceren. Trouwe samenwerking betekent dan dat het vertrouwen dat die onderdelen impliceren wordt verondersteld, althans dat naar verondersteld vertrouwen wordt gehandeld. Aan de andere kant mag ook van lidstaten worden verwacht dat zij onderdelen van het Unierecht die waarborgen bieden aan verdachten trouw naleven. Daar gaat het om maatregelen die vertrouwen genereren en leidt getrouwe naleving tot sterker daadwerkelijk vertrouwen.
Een andere vorm van principieel getint vertrouwen betrof het principe dat een bepaalde verdeling van taken inherent is aan een bepaald rechtshulpinstrument en dat het rechtshulpinstrument van karakter zou veranderen bij toetsing van bepaalde aspecten (uitlevering waarbij de aangezochte staat al inhoudelijk vooruitloopt op de berechting is geen uitlevering, maar eerder overname van vervolging, om een voorbeeld aan te halen). Ook binnen EU-verband blijft sprake van eenzelfde vorm van vertrouwen als principieel beginsel: nog steeds is een bepaalde taakverdeling ‘ingebakken’ in een bepaald rechtshulpinstrument.