Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.2.3.3
15.4.2.3.3 Handeling van de autoriteiten
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497117:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hier kan vooral spelen dat het toezichtsonderzoek achteraf bezien mede betrekking had op de boeteoplegging of strafvervolging.
In deze zin: de redactie van de Cursus Belastingrecht, FBR.8.2.0.F.b.
De redactie trekt een vergelijking met het strafrecht waarin het zwijgrecht is gekoppeld aan de status van verdachte. Art. 27 Sv kent daartoe een objectief criterium, namelijk degene te wiens aanzien uit de feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. De status van verdachte ex art. 27 Sv is daarmee niet afhankelijk van de keuze van een bestuursorgaan om over te gaan tot het uiten van een criminal charge.
Wanneer (meer) zou worden aangesloten bij de subjectieve perceptie van de verdachte, dan betekent dat niet dat het verwachtings- en beïnvloedingscriterium zouden samenvallen. Een tweede potentieel knelpunt in het verwachtingscriterium is mijns inziens dat de HR de objectivering van de verwachting omtrent bestraffing, koppelt aan een handeling van de autoriteiten: zonder (een voor de verdachte kenbare) handeling geen verwachting. Dit ongeacht de bewijsrechtelijke stand van zaken of althans de overtuiging van de autoriteiten dat de betrokkene een bestrafbaar feit heeft begaan. In het uiterste geval betekent dit dat de verdachte in belastingzaken een kennisgeving boeteoplegging ex art. 5:9 Awb of kennisgeving verdere vervolging ex art. 242 Sv kan ontvangen, zonder dat hij ervoor op de hoogte was van enig (voor)onderzoek door de inspecteur of het OM en/of de daaraan ten grondslag liggende verdenking. Dit staat weliswaar los van de vraag wanneer de ‘charge’ plaatsvindt, maar achteraf bezien kan bijvoorbeeld blijken dat het fiscaal toezichtsonderzoek bij de verdachte (= de handeling), (mede) betrekking had op de boeteoplegging of strafvervolging.1
Koppeling redelijke verwachting aan handeling autoriteiten
De redactie van de Cursus Belastingrecht wijst erop dat de door de HR voorgestane koppeling met de handeling van de autoriteiten kan worden verklaard doordat een groot gedeelte van de nationale rechtspraak over de criminal charge niet gaat over de vraag wanneer het zwijgrecht intreedt, maar over de vraag of de berechting binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden.2 Voor berechting binnen redelijke termijn is van belang dat de verdachte op de hoogte is van zijn status als verdachte. Het recht op vervolging binnen redelijke termijn strekt ertoe een verdachte niet onnodig lang te laten lijden onder de (dreiging van) vervolging. Van een dergelijk lijden is geen sprake, aldus de redactie, wanneer de verdachte niet weet dat hij verdacht wordt. Het zwijgrecht is echter een waarborg in het kader van een eerlijk proces. Het ligt in dat kader niet direct voor de hand om die waarborg afhankelijk te stellen van de keuze van het bestuursorgaan om iemand te beschuldigen.3
Hiermee lijkt de redactie – al dan niet bedoeld – te zeggen dat voor het recht tegen gedwongen zelfbelasting een eerder beginpunt hoort te gelden dan voor de redelijke termijn. Dit volgt niet uit de Straatsburgse rechtspraak. Daarin neemt het EHRM voor beide waarborgen de ‘charge’ als uitgangspunt.