Hof Arnhem-Leeuwarden, 21-07-2015, nr. 200.105.072-01
ECLI:NL:GHARL:2015:5532
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
21-07-2015
- Zaaknummer
200.105.072-01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:5532, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 21‑07‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2014:10025, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 23‑12‑2014; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2014:365, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 21‑01‑2014
Uitspraak 21‑07‑2015
Inhoudsindicatie
Vergoeding van schade als gevolg van lekkende douchepijpen. Hof komt niet terug op bindende eindbeslissing in tussenarrest.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.105.072/01
(zaaknummer rechtbank Assen 84272/HA ZA 11-26)
arrest van de eerste kamer van 21 juli 2015
in de zaak van
[appellante] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [geïntimeerde 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. J.A. Venema, kantoorhoudend te Emmen.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 december 2014 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
[appellante] heeft op 3 februari 2015 een akte na tussenarrest, met de producties 34 tot en met 38 genomen, en [geïntimeerden] hebben op 17 maart 2015 een antwoordakte na tussenarrest genomen.
1.2
Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1
Het hof heeft [appellante] bij het tussenarrest van 23 december 2014 in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten naar aanleiding van de rechtsoverwegingen 2.13 en 2.38 van dat arrest, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte mochten nemen.
Vermeerdering van eis
2.2
[appellante] heeft bij akte van 3 februari 2015 haar eis, voor zover nodig zo, gewijzigd dat de door haar gevorderde verklaring voor recht en de veroordeling tot schadevergoeding betrekking hebben op 92 (van de 94 zich voorgedaan hebbende) lekkages, naar de stand van zaken per 3 februari 2015.
2.3
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.
2.4
Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 6.5 tot en met 6.8 van het tussenarrest van 21 januari 2014 zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.
De in het tussenarrest van 23 december 2014 gegeven bindende eindbeslissingen
2.5
[appellante] heeft zich in haar akte niet alleen uitgelaten naar aanleiding van de rechtsoverwegingen 2.13 en 2.38 van het tussenarrest, maar heeft tevens een tweetal in dat tussenarrest vervatte eindbeslissingen ter discussie gesteld. Het hof stelt in dat verband voorop dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).
2.6
[appellante] heeft in haar akte aangevoerd dat het hof in het tussenarrest van 23 december 2014 ten aanzien van de "kosten veroorzaakt door de plaatsing" is uitgegaan van een verkeerde feitelijke voorstelling van zaken die volgens haar leidt tot een onjuiste juridische afweging. Allereerst heeft zij aangevoerd dat het hof in zijn tussenarrest er blijkbaar van is uitgegaan dat de in de handleiding voorgeschreven wijze van plaatsing, die zodanig moet zijn dat “de toegang tot de douchepijpen zonder veel ingrepen gerealiseerd moet kunnen worden”, inhoudt dat de douchepijp in de meterkast kan en moet worden geplaatst en dat die daar (regelmatig) in het volle zicht hangt, en dat zodoende een lekkage zou worden opgemerkt voordat het lekwater de vloer en muren aantast en bruin kleurt. Bovendien zijn volgens [appellante] de regels over stelplicht en bewijslast, en de mate waaraan die aan elkaar dienen te beantwoorden, onjuist toegepast.
2.7
Het hof heeft zowel in het tussenarrest van 21 januari 2014 (r.o. 6.34 en 6.35) als dat van 23 december 2014 (r.o. 2.23) overwogen dat de douchepijpen volgens de handleiding zodanig geplaatst moesten worden dat de toegang zonder veel ingrepen gerealiseerd zou kunnen worden, maar dat de wijze van installatie door [appellante] (namelijk – met uitzondering van de twee gevallen in [project 3] – in een dichte GIBO koker) daaraan niet voldeed. Het hof heeft geoordeeld dat voor zover de door [appellante] gemaakte kosten door de wijze van plaatsen zijn ontstaan, de schade niet kan worden toegerekend aan de door [geïntimeerden] geleverde lekkende douchepijpen.2.8 Het hof heeft vervolgens in zijn tussenarrest van 23 december 2014 overwogen dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat zij de kosten van vocht meten en spuiten/afwerken van de wanden ook zou hebben moeten maken in het geval zij de douchepijpen conform de handleiding zou hebben geplaatst. Daarbij heeft het hof de stelling van [appellante] dat de lekkage ook bij plaatsing in de meterkast niet eerder zou zijn opgemerkt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het hof heeft niet overwogen dat de in de handleiding voorgeschreven wijze van plaatsing noodzakelijkerwijs inhield dat de douchepijp in de meterkast en/of in volle zicht moest worden geplaatst.
Het hof heeft geoordeeld dat [appellante] niet voldoende heeft onderbouwd dat de door haar gestelde kosten voor "vocht meten en spuiten/afwerken wanden" in dezelfde mate zouden zijn gemaakt indien de douchepijpen zouden zijn geïnstalleerd op een plaats waar zij zonder veel ingrepen zouden kunnen worden bereikt, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
2.9
[appellante] heeft in haar akte van 1 juli 2014 gesteld dat de douchepijpen van het project [project 1] evenals die in de woningen van het project [project 2] allemaal waren geplaatst in een afgesloten GIBO-koker, terwijl de douchepijpen in het project [project 3] – waar zich de minste schadegevallen hebben voorgedaan – in een schacht met een afneembaar paneel met GIBO er omheen. UBO heeft in haar laatste akte onder 4.14 opgemerkt dat de informatie in haar akte van 1 juli 2014 niet juist was omdat bij sommige woningtypen in het project [project 4] de pijpen eveneens achter een verwijderbaar paneel in de trapkast waren geplaatst. [appellante] stelt thans dat de schade aan de omliggende vloeren en muren in woningen waarin de douchepijpen waren geïnstalleerd op een plaats die ‘zonder veel ingrepen toegankelijk is’ even hoog is als de schade aan woningen waarin de douchepijp in een dichte koof was geplaatst.
2.10
Wat daarvan ook zij, het hof ziet geen aanleiding om naar aanleiding van de gewijzigde stellingen van [appellante] in haar laatste akte terug te komen op zijn eerdere eindbeslissing, nu [appellante] een en ander in een eerder stadium van deze procedure naar voren had kunnen brengen, maar dat heeft nagelaten.
2.11
[appellante] heeft verder aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft miskend dat [appellante] , voordat zij een loodgieter op pad stuurde, eerst zelf een inspectie moest laten uitvoeren om vast te stellen wat de oorzaak van de gemelde lekkage was. Volgens [appellante] was in een aantal gevallen van onterechte lekkagemeldingen geen sprake van waterschade en zijn er in de loop der jaren wel eens meldingen geweest van waterschade die een andere oorzaak bleek te hebben, zoals een gesprongen waterleiding of een kapotte aansluiting, ter zake waarvan [appellante] de kosten van die inspecties niet heeft gevorderd.
2.12
Het hof heeft in rechtsoverweging 2.16 van het tussenarrest van 23 december 2014 overwogen dat [appellante] , nadat diverse malen bij inspectie was gebleken dat de lekkage in de woningen werd veroorzaakt door een lekkende douchepijp, bij melding van een nieuwe lekkage in een woning waar een dergelijke douchepijp was geïnstalleerd kon volstaan met het inschakelen van de loodgieter die ter plaatse de douchepijp zou inspecteren en vervolgens de aangewezen werkzaamheden - vervanging van de douchepijp of het aanbrengen van een bypass - zou verrichten. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om op deze eindbeslissing terug te komen.
Akte als bedoeld onder 2.13 van voormeld tussenarrest: facturen loodgieter
2.13
Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld in het kader van de onderbouwing van haar kosten de facturen van de loodgieter in het geding te brengen.
2.14
[appellante] heeft bij akte van 3 februari 2015 als productie 34 een factuur van [X] (hierna: [X] ) d.d. 29 december 2014 in het geding gebracht voor een totaalbedrag van € 18.938,75 exclusief btw voor de lekkages genummerd 21 tot en met 75 in project " [project 2] ". Daarnaast heeft [appellante] als productie 35 een factuur van [Y] (hierna: [Y] ) d.d. 27 januari 2015 voor een totaalbedrag van € 6.232,36 overgelegd voor 18 adressen in de projecten " [project 4] " en " [project 3] ", waarvan één douchepijp is vervangen door Technea en in één geval een vergoeding van € 125,- van Technea is ontvangen.
2.15
[appellante] heeft reeds eerder de factuur van [appellante] van 14 juli 2010 van € 5.173,60 exclusief btw voor de lekkages genummerd 1 tot en met 20 in project " [project 2] " in het geding gebracht.
2.16
[geïntimeerden] blijven van mening dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze schade daadwerkelijk heeft geleden. Zij hebben aangevoerd dat de facturen zijn opgesteld in het kader van de onderhavige procedure, waaruit moet blijken dat beide bedrijven vanaf 2010 werkzaamheden hebben verricht die pas achteraf alsnog in rekening zijn gebracht. Volgens hen is de uitdraai van een rekenprogramma overgezet naar beide facturen en is opvallend dat [appellante] geen betalingsbewijzen heeft overgelegd.
2.17
Het hof acht met deze facturen voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] kosten voor het vervangen respectievelijk het aanbrengen van een bypass heeft moeten maken.
2.18
Het hof constateert dat [X] en [Y] voor het vervangen van een douchepijp € 257,25 respectievelijk € 258,68 hebben gefactureerd en dat [X] en Walraven voor het maken van een omleiding € 379,25 respectievelijk € 365,- hebben gefactureerd.
2.19
De door [geïntimeerden] gestelde all-in prijs van [Z] groot € 220,- exclusief btw heeft betrekking op de vervanging van de douchepijpen. Het verschil met voormelde bedragen van € 257,25 en € 258,68 is niet zodanig, dat dit buitenproportioneel moet worden geacht.
2.20
Wat betreft de kosten van het aanbrengen van een bypass heeft [geïntimeerden] niet betwist dat het aanbrengen van een bypass een hier geëigende manier van verhelpen van de lekkage is, zodat het hof hiervan uitgaat. Dat de daarmee gepaard gaande kosten hoger zijn, namelijk € 365,- per keer, heeft [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd betwist. heeft uitsluitend facturen voor het vervangen van douchepijpen in het geding gebracht. Haar berekening van de volgens haar te maken kosten van € 140,- heeft zij niet met stukken onderbouwd.
2.21
Het hof acht de door [X] en [Y] gefactureerde bedragen van € 5.173,60, € 18.938,75 en € 6.232.36 in redelijkheid gemaakt en zal de betaling van deze bedragen aan [appellante] als vergoeding van de door de lekkages voor haar ontstane schade toewijzen.
2.22
[appellante] heeft over de door haar gevorderde bedragen de wettelijke rente gevorderd vanaf 1 juli 2010 althans vanaf 5 april 2012 tot de dag van algehele voldoening.
2.23
[geïntimeerden] hebben de ingangsdatum van de wettelijke rente betwist. Die rente gaat volgens hen pas in op het moment dat de gemaakte kosten werkelijk zijn gemaakt.
2.24
Op grond van artikel 6:119 BW in combinatie met artikel 6:83 sub b BW gaat de wettelijke rente lopen zodra de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Dat is het geval wanneer de schade geacht wordt te zijn geleden. Bij concreet begrote schade ontstaat de opeisbaarheid op het moment dat de benadeelde de kosten verschuldigd wordt. Het hof zal dan ook uitgaan van de vervaldata van de facturen van [X] en [Y] .
2.25
Het hof acht over de door [X] en [Y] gefactureerde bedragen de wettelijke rente als volgt toewijsbaar: vanaf 13 augustus 2010 over het bedrag van € 5.173,60, vanaf 28 januari 2015 over het bedrag van € 18.938,75 en vanaf 26 februari 2015 over het bedrag van € 6.232.36 (overeenkomstig de vervaltermijn in de betreffende facturen).
Akte als bedoeld onder 2.38 van het tussenarrest van 23 december 2014
2.26
[appellante] heeft in haar akte na tussenarrest gesteld dat de verhuurder van de woning aan de [adres 1] te [plaats] een loodgieter heeft ingeschakeld om de lekkage te verhelpen middels een bypass. Deze lekkage is daarom wel opgenomen in het overzicht van de lekkages en is niet opgenomen in de factuur van [X] .
2.27
Het hof zal, overeenkomstig het in r.o. 2.38 van voormeld tussenarrest van 23 december 2014 overwogene, in verband met het aanbrengen van een bypass in deze woning hetzelfde bedrag toewijzen als voor het door [appellante] inschakelen van een loodgieter, te weten € 365,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012, nu [appellante] blijkens productie 6 bij memorie van grieven op die datum tot betaling van de schade aan de woning aan de [adres 1] is aangesproken door de verzekeraar van de verhuurder.
En voorts
2.28
Ter zake de kosten van begeleiding door [appellante] van de vervanging dan wel het aanbrengen van een bypass is overeenkomstig r.o. 2.24 van het tussenarrest van 23 december 2014 een bedrag van € 30,- per geval, zijnde in totaal 92 x € 30,- , ofwel € 2.760,-, toewijsbaar.
2.29
De wettelijke rente over de door [appellante] gemaakte begeleidingskosten zal het hof voor de lekkagegevallen 1-19 en 21, 22, 23 van de factuur van [X] toewijzen (22 x € 30,- ofwel € 660,-) vanaf 1 juli 2010, nu ter zake die lekkages blijkens die factuur voordien actie is ondernomen. Wat betreft de lekkagegevallen 20, 23-51 en 4 gevallen van de factuur van [Y] (34 x € 30,-, ofwel € 1.020,-) is deze rente om dezelfde reden toewijsbaar vanaf 5 april 2012. Wat betreft de overige 36 gevallen van lekkage (36 x € 30,- ofwel€ 1.080,-) gaat die rente in op het moment dat de betreffende lekkage in opdracht van [appellante] is verholpen. Nu dit 36 verschillende ingangsdata zijn en [appellante] dit niet gespecificeerd heeft gesteld, zal het hof de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de akte van [appellante] van 3 februari 2015 toewijzen.
2.30
Daarnaast wordt toegewezen het bedrag van € 1.870,- voor voorrijkosten en kosten van inspectie (rechtsoverweging 2.15 tot en met 2.17 van het tussenarrest van 23 december 2014), alsmede het bedrag van 20 x € 10,-, ofwel € 200,- voor de kosten van begeleiding van [appellante] van deze inspectie (rechtsoverweging 2.24 van voormeld tussenarrest), maakt samen € 2.070,-. De wettelijke rente over € 2.070,- is toewijsbaar vanaf 1 juli 2010, nu uit de factuur van [X] van 14 juli 2010 blijkt dat die schade reeds voorafgaand aan de in de vordering genoemde datum van 1 juli 2010 is geleden.
2.31
Voorts worden toegewezen:
- de bedragen van € 3.214,45 en € 2.224,20, beide exclusief btw, ten aanzien van de facturen van [Q] van 30 juli 2010 en van 17 december 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente voor die bedragen per respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011 (op grond van die facturen 30 dagen na factuurdatum)
- een bedrag van € 1.158,- ten aanzien van de declaraties van [R] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010 (op grond van de eerste factuur 14 dagen na de factuurdatum);
- een bedrag van € 154,87 voor de kosten van het proces-verbaal van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande de dag van het uitbrengen van het beslagexploot op 17 december 2010;
- een bedrag van € 62,56 exclusief btw voor de declaratie van de deurwaarder voor het uitgebrachte beslagexploot, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op de dag van het uitbrengen van 17 december 2010.
2.32
Overeenkomstig rechtsoverweging 6.16 van het tussenarrest van 21 januari 2014 is [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor de tot 11 november 2009 geproduceerde, eventueel gebrekkige douchepijpen in " [project 3] " en [geïntimeerde 1] voor die nadien zijn geproduceerd.
2.33
Nu het hier, blijkens onderdeel 1.1 van de akte na tussenarrest van [appellante] van 3 februari 2015, 2 lekkages betreft, te weten aan de [adres 2] , uitgevoerd op 4 maart 2014 en 22 december 2012 en uit de (na voormeld tussenarrest overgelegde) stukken niet blijkt wie deze douchepijpen in het project " [project 3] " heeft geproduceerd, zal het hof [geïntimeerden] tezamen veroordelen tot vergoeding van het door [Y] gefactureerde bedrag dat betrekking heeft op die 2 lekkages, door het hof gesteld op 2 x (€ 365,-+ € 30,-) is € 790,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015.
2.34
De douchepijpen in de projecten " [project 4] " en " [project 2] " (waaronder die aan de [adres 1] te [plaats] ) zijn voor 11 november 2009 geïnstalleerd en voor die eventueel gebrekkige pijpen is [geïntimeerde 2] aansprakelijk.
2.34
Het hof zal Heidemans respectievelijk [geïntimeerde 1] veroordelen tot vergoeding van de (hierna onder 2.36 opgesomde) op 3 februari 2015 (datum laatste akte [appellante] ) als gevolg van de lekkende douchepijpen reeds door [appellante] geleden schade en voorts voor recht verklaren dat zij ter vergoeding van schade als gevolg van na die datum nog optredende lekkages € 395,- dienen te betalen per aan te brengen bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van€ 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 + € 30,-) per te vervangen douchepijp. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal het hof afwijzen, nu voor toewijzing van een dergelijke vordering de kans op schade aannemelijk moet zijn, terwijl in onzeker is of er in de toekomst nog schade zal optreden.
2.35
Het hof zal [geïntimeerden] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen, te vermeerderen met het nasalaris zoals nader in het dictum bepaald (waaronder 3,5 punten x € 894,- (tarief IV), ofwel € 3.129,- voor salaris advocaat in eerste aanleg en 4,5 punten x € 1.631,- (tarief IV) ofwel € 7.339,50 voor salaris advocaat in hoger beroep).
Slotsom
2.36
De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis wordt vernietigd.Het hof zal [geïntimeerde 2] veroordelen om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van de voor 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " om aan [appellante] te vergoeden:
- een bedrag van € 5.173,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2010;
- een bedrag van € 18.938,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf28 januari 2015;
- een bedrag van € 6.232,36 -/- € 790,- ( [project 4] ) ofwel € 5,442,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;
- een bedrag van € 365,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;
- een bedrag van € 2.070,- + € 660,-, ofwel € 2.730,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010;
- een bedrag van € 1.020,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012;
- een bedrag van € 1.080,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf3 februari 2015.
Het hof zal Hei -Tech c.s. veroordelen om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van de na 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " aan [appellante] te vergoeden:
- een bedrag van € 790,- ( [project 4] ) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;
- een bedrag van € 3.214,45 en van € 2.224,20, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011;
- een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf16 augustus 2010;
- een bedrag van € 154,87 en van € 62,56, ofwel € 217,43 voor de kosten van de beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2010.
Bij een afzonderlijke verklaring voor recht ten aanzien van de reeds geleden schade heeft [appellante] daarnaast geen belang.
2.37
Voor wat betreft de na 3 februari 2015 nog door [appellante] te lijden schade als gevolg van lekkage van de douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en in het project " [project 3] " zal het hof voor recht verklaren dat [geïntimeerde 2] respectievelijk [geïntimeerden] gehouden zijn ter vergoeding van die schade aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 395,- in geval van het aanbrengen van een bypass en een bedrag van € 288,68 in geval van het vervangen van een douchepijp. Het hof zal [geïntimeerden] tot slot in de proceskosten in beide instanties veroordelen.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Assen van 8 februari 2012 en doet opnieuw recht:
veroordeelt [geïntimeerde 2] om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van de voor 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " aan [appellante] te vergoeden:
- een bedrag van € 5.173,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2010;
- een bedrag van € 18.938,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf28 januari 2015;
- een bedrag van € € 5,442,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf26 februari 2015;
- een bedrag van € 365,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2012;
- een bedrag van € 2.730,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2010;
- een bedrag van € 1.020,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012;
- een bedrag van € 1.080,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf3 februari 2015;
veroordeelt [geïntimeerden] om ter zake van de op 3 februari 2015 reeds geleden schade als gevolg van lekkage van de na 11 november 2009 geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " buitengerechtelijke kosten en beslagkosten aan [appellante] te vergoeden:
- een bedrag van € 790,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2015;
- een bedrag van € 3.214,45 en van € 2.224,20, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van respectievelijk 29 augustus 2010 en 16 januari 2011;
- een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf16 augustus 2010;
- een bedrag van € 217,43 voor de kosten van de beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2010;
verklaart voor recht dat [geïntimeerde 2] gehouden is om in geval van na 3 februari 2015 nog optredende lekkages van de door haar geproduceerde douchepijpen in de projecten " [project 2] ", " [project 4] " en van lekkage van de voor 11 november 2009 door haar geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " ter vergoeding van de dientengevolge door [appellante] te lijden schade € 395,- dient te betalen aan te brengen bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van € 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 + € 30,-) per te vervangen douchepijp;
verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] gehouden is om in geval van na 3 februari 2015 nog optredende lekkages van de na 11 november 2009 door haar geproduceerde douchepijpen in het project " [project 3] " ter vergoeding van de dientengevolge door [appellante] te lijden schade € 395,- dient te betalen per aangebrachte bypass (bestaande uit de kosten van de loodgieter van € 365,- en € 30,- voor begeleidingskosten van [appellante] ) en € 288,68 (idem € 258,68 +€ 30,-) per vervangen douchepijp;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 3.129,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.254,89 voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 7.339,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.891,17 voor verschotten, alsmede € 131,00 voor nasalaris van de advocaat,
verklaart dit arrest - behoudens zover het de hierin vermelde verklaringen voor recht - uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. H. de Hek en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op21 juli 2015.
Uitspraak 23‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Vaststelling van de kosten die het gevolg zijn van het lekken van de gebrekkige douchepijpen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.105.072/01
(zaaknummer rechtbank Assen 84272/HA ZA 11-26)
arrest van de tweede kamer van 23 december 2014
in de zaak van
[appellante],
gevestigd te [plaats],
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit mr. C.P. ten Bruggencate, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
gevestigd te [plaats],
hierna: [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
gevestigd te [plaats],
hierna: [geïntimeerde 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. J.A. Venema, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 januari 2014 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
[geïntimeerden] hebben op 4 februari 2014 het hof bericht dat zij afzien van tegenbewijslevering.
1.2
[appellante] hebben vervolgens op 1 juli 2014 een akte na tussenarrest genomen, waarna [geïntimeerden] op 12 augustus 2014 een antwoordakte na tussenarrest hebben genomen.
1.3
Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1
Het hof heeft in rechtsoverweging 6.29 van het tussenarrest [geïntimeerden] toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands voldoende aannemelijk geachte stelling dat ook de latere gevallen van lekkage zijn veroorzaakt doordat die douchepijpen corrodeerden, en dus gebrekkig waren. [geïntimeerden] hebben afgezien van het leveren van dit tegenbewijs. Daarmee staat in rechte vast dat ook de latere gevallen van lekkage zijn veroorzaakt doordat de douchepijpen gebrekkig waren.
2.2
Daarmee is het toerekenbare onrechtmatig handelen van zowel [geïntimeerde 1] als van [geïntimeerde 2] gegeven. Dit betekent dat de grieven 6 en 7 verder onbesproken kunnen blijven.
2.3
In rechtsoverweging 6.35 van voormeld tussenarrest heeft het hof beslist dat [appellante] haar kosten vergoed zal krijgen die het gevolg zijn van het lekken van de douchepijpen en niet van het niet op de daarvoor aangegeven plaats installeren daarvan. Daarbij is overwogen dat [appellante] in de gelegenheid wordt gesteld om bij akte haar kosten in deze zin voor het project "[project]" uit te splitsen en om zich uit te laten over de plaats waar de douchepijpen in de woningen in de projecten "[project]" en "[project]" zijn geïnstalleerd en om voor die projecten eveneens de genoemde uitsplitsing van de door haar gestelde kosten te maken.
2.4
[appellante] heeft na voormeld tussenarrest een akte genomen. Hierin heeft zij verklaard dat zij voor alle drie projecten afziet van haar vordering met betrekking tot de kosten en het materiaal die gepaard zijn gegaan met het verkrijgen van toegang tot de douchepijpen en met het - na vervanging of het aanbrengen van de bypass - netjes wegwerken van de douchepijpen.
2.5
Met inachtneming daarvan heeft [appellante] in geval van vervanging van de douchepijpen in haar akte na tussen arrest de vergoeding van de volgende kosten gevorderd:
a. de kosten van de loodgieter (exclusief btw) € 258,68
b. de door [appellante] gemaakte kosten, naar het hof aanneemt alle exclusief btw, bestaande uit:
- beoordeling lekkage melding
voorrijkosten 1 uur ad € 55,- € 55,-
inspectie 1 uur ad € 55,- € 55,-
- herstel/vervangen d-wtw
beschermen interieur 2 uur ad € 55,- € 110,-
- herstel wanden
vochtmeten 1 uur ad € 55,- € 55,-
- spuiten/afwerken wanden materiaal € 262,50 € 262,50
€ 796,18
- begeleidingskosten € 117,79
€ 913,97
De genoemde kosten van de loodgieter vallen uiteen in:
- 2 uur reistijd à € 57,- € 114,-
- 2 arbeidsuren à € 57,- € 114,-
- materiaal € 30,68
€ 258,68
2.6
[appellante] heeft in haar akte na tussenarrest in geval van het aanbrengen van een bypass gevorderd:
a. de kosten van de loodgieter (exclusief) € 365,-
b. de door [appellante] gemaakte kosten, naar het hof aanneemt alle exclusief btw, bestaande uit:
- beoordeling lekkage melding
voorrijkosten 1 uur ad € 55,- € 55,-
inspectie 1 uur ad € 55,- € 55,-
- herstel/vervangen d-wtw
beschermen interieur 2 uur ad € 55,- € 110,-
- herstel wanden
vochtmeten 1 uur ad € 55,- € 55,-
- spuiten/afwerken wanden materiaal € 262,50 € 202,50
€ 842,50
- begeleidingskosten € 92,96
€ 935,46
De genoemde kosten van de loodgieter vallen uiteen in:
- 2 uur reistijd à € 57,- € 114,-
- 1 uur ontkoppelen waterleiding € 57,-
- 2 arbeidsuren à € 57,- € 114,-
- materiaal € 80,-
€ 365,-
2.7
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellante] haar berekeningen niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Volgens hen blijkt nergens uit dat de werkzaamheden die achter deze getallen schuil gaan werkelijk zijn uitgevoerd. Dit geldt volgens [geïntimeerden] ook voor de werkzaamheden die door loodgieter [loodgieter] zouden zijn uitgevoerd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor omleiden en/of vervangen van douchepijpen en wat de omvang van deze kosten is geweest, aldus [geïntimeerden]
2.8
Verder achten [geïntimeerden] de door [appellante] berekende schadebedragen buitenproportioneel. [geïntimeerden] hebben ten aanzien van de kosten van de loodgieter gesteld dat zij voor het vervangen van een douchepijp aan [Bedrijf x] uit [plaats] een vaste prijs van € 220,- exclusief btw betalen, waarvan zij bewijs aanbieden. [geïntimeerden] hebben van [Bedrijf y] - die de douchepijpen heeft verkocht - vernomen dat andere servicebedrijven vergoedingen rekenen van € 150,- tot € 200,- (naar het hof aanneemt exclusief btw) per douchepijp. [geïntimeerden] hebben een eigen kostencalculatie gemaakt, waarin zij de kosten van de loodgieter voor het vervangen van de douchepijp berekenen op € 110,- exclusief btw en voor het aanbrengen van een bypass op € 135,- exclusief btw.
2.9
[geïntimeerden] hebben tegen de volgens [appellante] door haar zelf gemaakte kosten (voorrijkosten en inspectie, beschermen interieur, herstel wanden, begeleidingskosten) eveneens verweer gevoerd. Daarbij achten zij voor de begeleidingskosten een bedrag van € 30,- per lekkage toewijsbaar.
2.10
[geïntimeerden] komen per saldo voor het vervangen van een douchepijp uit op een totaalbedrag van € 140,- exclusief btw en voor het aanbrengen van een bypass op € 165,- exclusief btw.
Kosten van de loodgieter
2.11
Het hof constateert dat [appellante] als productie 5 bij de dagvaarding in eerste aanleg een factuur van [loodgieter] van 14 juli 2010 van € 5.173,50 exclusief btw heeft overgelegd. Uit de bijgaande specificatie blijkt dat het gaat om (de eerste) 20 gevallen van lekkage in de periode vanaf 8 januari 2010 tot en met 2 juli 2010.
2.12
[appellante] heeft geen facturen van de loodgieter overgelegd van de vervanging van de andere lekkende douchepijpen en van het aanbrengen van de bypasses.
2.13
Het hof is van oordeel dat [appellante] in het kader van de onderbouwing van haar kosten de facturen van de loodgieter in het geding dient te brengen. Het hof zal [appellante] de gelegenheid geven dit bij akte te doen, waarna [geïntimeerden] hierop bij antwoordakte mogen reageren.
Kosten eigen werkzaamheden [appellante]
2.14
Wat betreft de door [appellante] voor eigen werkzaamheden berekende kosten oordeelt het hof als volgt.
Voorrijkosten en kosten van inspectie
2.15
[geïntimeerden] hebben de voorrijkosten en kosten van inspectie niet zozeer betwist, maar zijn van mening dat [appellante] het na de melding van 10 lekkages duidelijk moest zijn wat de oorzaak van de lekkage was. Zij ontkennen dat [appellante] nadien per lekkende douchepijp telkens voorrijkosten en inspectiekosten heeft gemaakt en achten die kosten onnodig in rekening gebracht.
2.16
Het hof is van mening dat [appellante], nadat diverse malen lekkage in de woningen waren gemeld en geïnspecteerd en er steeds sprake bleek te zijn van een lekkende douchepijp, er na de melding van een soortgelijke lekkage in een woning waar een dergelijke douchepijp is geïnstalleerd, kon volstaan met het inschakelen van de loodgieter die ter plaatse actie zou ondernemen en die haar hiervan verslag uit zou brengen. Het hof acht dit na de eerste 20 lekkagegevallen het geval geweest.
2.17
Uit de voormelde factuur van [loodgieter] blijkt dat zij voor een aantal lekkages op dezelfde dag actie heeft ondernomen. Het ligt voor de hand dat [appellante] dit eveneens heeft gedaan, zodat ook [appellante] uitsluitend in die (14) van de 20 gevallen reiskosten kan berekenen. Het hof acht daarom een totaalbedrag van 14 x 1 uur x € 55,- aan voorrijkosten en 20 x 1 uur x € 55,- aan inspectiekosten door [geïntimeerden] aan [appellante] te vergoeden, zijnde € 1.870,-.
Beschermen interieur
2.18
[geïntimeerden] hebben gesteld dat de post "beschermen interieur" groot 2 uur ad € 55,- niet noodzakelijk zou zijn geweest indien een douchepijp normaal toegankelijk zou zijn geweest. Volgens hen bevat de douchepijp 0,7 liter water die gemakkelijk kan worden opgevangen en zijn extra beschermingsmaatregelen overbodig.
2.19
Het hof acht, gezien deze betwisting, onvoldoende door [appellante] onderbouwd dat zij kosten ter bescherming van het interieur heeft moeten maken die in causaal verband staan met de gebrekkige douchepijp en niet met het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijp.
2.20
De vordering tot vergoeding van deze kosten zal daarom niet worden toegewezen.
Vochtmeten en spuiten/afwerken wanden
2.21
De posten "vochtmeten" en "spuiten/afwerken wanden" hebben volgens [appellante] betrekking op de GIBO-wanden in de hal, het toilet en de trapkast. [appellante] heeft aangevoerd dat eerst de anhydriet afwerkvloer in het toilet verzadigd is geraakt en pas daarna het vocht is opgetrokken in de GIBO-wanden en zichtbaar is geworden. In geval van plaatsing in een meterkast geldt volgens [appellante] dat dit geen ruimte is om regelmatig in te kijken en om te onderzoeken of een douchepijp is gaan lekken.
2.22
[geïntimeerden] hebben tegen deze post aangevoerd dat dit herstel van gipswanden erop duidt dat de douchepijp niet conform de handleiding is geïnstalleerd.
2.23
Het hof is van oordeel dat [appellante] aldus onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van het lekken van de douchepijpen en niet van het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijpen. [appellante] heeft haar kosten toegelicht in de huidige situatie, namelijk installatie van de douchepijpen op een onvoldoende toegankelijke plaats. [appellante] heeft niet onderbouwd dat deze kosten ook zouden zijn gemaakt in geval van installatie op een plaats die zonder veel ingrepen kan worden bereikt. Voor zover [appellante] heeft beoogd te stellen dat ook bij plaatsing in een meterkast de lekkage (te) laat zou zijn opgemerkt en dat zij in dat geval dezelfde herstelkosten zou hebben moeten maken, overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat een bewoner van een huis op gezette tijden in het jaar in de meterkast dient te kijken voor het opnemen van de meterstanden, en dat de meterkast in veel huishoudens wordt gebruikt voor het bewaren van voorwerpen, zoals stofzuigers en bezems. In het licht hiervan heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat de lekkage ook bij plaatsing op deze aangegeven plaats niet eerder zou zijn opgemerkt.
2.24
De door [appellante] in onderdeel 6 van haar akte na tussenarrest opgevoerde begeleidingskosten houden naar het oordeel van het hof deels verband met het verrichten van inspectie door [appellante] en het herstel van de GIBO wanden, zodat deze gelet op het vorenstaande grotendeels niet toewijsbaar zijn. Voor zover sprake is van kosten voor het door medewerkers van [appellante] opnemen van de melding en de registratie van de lekkageklacht, het aanmaken van een opdracht voor de onderaannemer, het inplannen van de onderaannemer, het beantwoorden van vragen van bewoners, het verwerken van de terugkoppeling van de onderaannemer, aanmaken opdracht, zal het hof het door
[geïntimeerden] akkoord bevonden bedrag van € 30,- voor begeleiding toewijzen, nu niet voldoende is onderbouwd dat die kosten meer (hebben) bedragen. Voor de eerste 20 gevallen van lekkage zal het hof ex aequo et bono een bedrag van € 10,- per lekkage aan begeleiding van de inspectie rekenen.
2.25
[appellante] heeft verder een bedrag van € 17.809,47 gevorderd voor expertisekosten, juridische bijstand en beslagkosten, alsmede een bedrag van € 5.378,73 in verband met de schade die is ontstaan aan een parketvloer in één van de projecten van [appellante].
2.26
Het bedrag van € 17.809,47 heeft [appellante] onderbouwd met productie 3 bij de memorie van grieven. Deze productie omvat:
- de factuur van [Bedrijf z] aan [Bedrijf q] van 30 juli 2010 groot € 3.214,45 exclusief btw en van 17 december 2010 groot € 2.224,20 exclusief btw;
- de declaratie van [Bedrijf r] van 2 augustus 2010 groot € 6.901,50 exclusief btw en van 4 oktober 2010 groot € 4.950,- exclusief btw;
- de op 21 december 2010 naar [appellante] verzonden acceptgirokaart voor een bedrag van € 560,- in verband met het griffierecht voor het door [appellante] ingediende verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde 1];
- het proces-verbaal van beslaglegging, kosten daarvan € 154,87;
- de declaratie van de deurwaarder voor het uitgebrachte beslagexploot groot € 62,56 exclusief btw.
2.27
In voormeld tussenarrest van 21 januari 2014 heeft het hof beslist dat [appellante] in dit geding genoegzaam heeft aangetoond dat zij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van [Bedrijf s] op te treden (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010 ECLI:NL:HR:2010:BK4995).
2.28
Daarmee komt de toewijsbaarheid van de vordering tot betaling van de facturen van [Bedrijf z] aan de orde.
2.29
[geïntimeerden] hebben tegen deze vordering aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub BW en dat deze pas voor vergoeding in aanmerking komen als er sprake is van schadeplichtigheid van [geïntimeerden] jegens [Bedrijf s], waarvan volgens hen geen sprake is.
2.30
Het hof overweegt dat [geïntimeerden] op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de redelijke kosten van [appellante] ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid aan [appellante] dienen te vergoeden als schade die het gevolg is van het lekken van de douchepijpen.
[Bedrijf s] heeft de facturen van [Bedrijf z] voldaan. Op grond van
artikel 7:962 lid 1 BW zijn de vorderingen van de verzekerde tot schadevergoeding op derden op de verzekeraar overgegaan voor zover deze verzekeraar die schade, al dan niet verplicht, heeft vergoed. Nu niet in geschil is dat de door [Bedrijf z] gefactureerde bedragen kosten vormen als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW, mag [Bedrijf s] derhalve vergoeding hiervan door [geïntimeerden] vorderen. Anders dan
[geïntimeerden] in hun antwoordakte na tussenarrest onder 16 bepleiten, gaat het hier niet om kosten die onder de werking van een eventuele proceskostenveroordeling vallen.
[geïntimeerden] hebben voor het overige niet betwist dat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van de schade. Het hof acht de vordering tot vergoeding van de facturen van
[Bedrijf z] daarom toewijsbaar.
2.31
De declaraties van [Bedrijf r] zien op de periode vanaf 6 juli 2010 tot 22 september 2010 en hebben volgens [appellante] betrekking op de pogingen om buiten rechte tot een oplossing te komen. Deze pogingen zagen volgens [appellante] niet alleen op vergoeding van de geleden schade, maar ook op het overleg over het voorkomen van schade. [appellante] heeft de urenspecificaties van haar advocaat als productie 28 overgelegd bij haar akte na tussenarrest.
2.32
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het gaat om kosten gemaakt ter instructie van de zaak, die niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Indachtig Rapport Voorwerk II zijn de kosten niet redelijk qua omvang. Volgens [geïntimeerden] vallen ook deze kosten onder de werking van een eventuele proceskostenveroordeling.
2.33
Het hof acht met de urenspecificatie in samenhang met het in de dagvaarding in eerste aanleg onder 8 gestelde voldoende aangetoond dat [appellante] kosten heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het hof begroot die kosten aan de hand van het rapport Voorwerk II op basis van 2 punten van het in eerste aanleg toepasselijke liquidatietarief III over de op 28 december 2010 ingediende hoofdsom van de vordering groot € 30.339,90 + € 1.457,08, ofwel € 31.796,98, zijnde 2 x € 579,- ofwel € 1.158,-.
2.34
De door [appellante] gevorderde beslagkosten, bestaande uit het griffierecht, de kosten van het proces-verbaal van beslaglegging en de kosten van het beslagexploot, zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Daarvan zal het griffierecht groot € 560,-, gelet op het bepaalde in artikel 11 Wet griffierechten burgerlijke zaken, in mindering zijn gebracht op het in de procedure in eerste aanleg verschuldigde vastrecht.
2.35
Tot slot heeft [appellante] in hoger beroep een bedrag € 5.378,73 gevorderd aan "schade verzekeraar van een van de bewoners i.v.m. schade aan een parketvloer". [appellante] heeft aangevoerd dat de verzekeraar van een bewoner haar aansprakelijk heeft gehouden voor de kosten die de bewoner zelf heeft gemaakt om een lekkage te verhelpen en overige zaakschade. [appellante] heeft als productie 6 bij memorie van grieven de brief van ASR Schadeverzekering aan [appellante] van 22 mei 2012 overgelegd.
2.36
[geïntimeerden] zijn van mening dat deze vordering moet worden afgewezen. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat er een bedrag aan de schadeverzekeraar is uitgekeerd. Verder wordt in voormeld bericht van 22 mei 2012 in algemene bewoordingen als oorzaak van de schade vermeld "een niet goed aangesloten warmwater installatie in 2009". [appellante] heeft niet aangetoond dat deze schade is veroorzaakt door een door [geïntimeerde 1] geproduceerde douchepijp. Daarbij menen [geïntimeerden] dat de schade - als de omvang correct zou zijn - alleen zo hoog uit kan vallen als de douchepijp niet zichtbaar is weggewerkt en dient deze schade te worden toegerekend aan het verkeerd plaatsen door [appellante].
2.37
Het hof leidt uit de voormelde brief van 22 mei 2012 en het als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegde overzicht van lekkages in het project [project] af dat het gaat om een woning waarin een douchepijp is geïnstalleerd en ter zake waarvan op 14 september 2011 lekkage is gemeld.
2.38
Voor zover deze vordering betrekking heeft op het door de bewoner zelf (en niet door de loodgieter laten) verhelpen van de lekkage zijn deze kosten op dezelfde voet en voor het zelfde bedrag toewijsbaar als de toe te wijzen kosten voor het inschakelen van de loodgieter. [appellante] zal zich nog bij akte erover mogen uitlaten of en voor zover deze vordering betrekking heeft op het door de bewoner zelf verhelpen van de lekkage dan wel of ook deze lekkage is verholpen door een door haar ingeschakelde loodgieter.
2.39
In lijn met hetgeen het hof in het vorenstaande heeft overwogen acht het hof ten aanzien van deze vordering voor het overige, gelet op de hoogte van deze vordering en de aard van de schade (schade aan parketvloer), onvoldoende onderbouwd dat het gaat om kosten die het gevolg zijn van de gebrekkige douchepijp en niet om kosten die van doen hebben met het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijp.
2.40
Het hof zal iedere verdere uitspraak aanhouden in afwachting van de door [appellante] te nemen akte als hiervoor bedoeld onder 2.13 en 2.38, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte mogen nemen.
3. De beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 20 januari 2015 teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten als hiervoor omschreven in rechtsoverweging 2.13 en 2.38;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 december 2014.
Uitspraak 21‑01‑2014
Inhoudsindicatie
Onrechtmatig handelen door het in het verkeer brengen van gebrekkige douchepijpen kan aan de producent worden toegerekend. Van de 21 aan de producent aangeboden douchepijpen staat vast dat deze gebrekkig waren doordat zij lekten door corrosie. Van de latere gevallen van lekkage is dit voorshands voldoende aannemelijk en staat het de producent vrij hiervan tegenbewijs te leveren.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.105.072/01
(zaaknummer rechtbank Assen 84272/HA ZA 11-26)
arrest van de tweede kamer van 21 januari 2014
in de zaak van
UBA Bouw B.V.,
gevestigd te Uithoorn,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: UBA,
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit mr. C.P. ten Bruggencate, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
gevestigd te [woonplaats],
hierna: [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
gevestigd te [woonplaats],
hierna: [geïntimeerde 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. J.A. Venema, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit.
1. Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 6 april 2011, 1 juni 2011 en 8 februari 2012 van de rechtbank Assen, sector civiel recht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 april 2012,
- de memorie van grieven, met producties,
- de memorie van antwoord, met producties,
- een akte overlegging producties en wijziging, althans concretisering van eis, van 12 september 2013;
- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.
2.2
Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.
2.3
De in de memorie van grieven opgenomen vordering van UBA luidt:
"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen van 8 februari 2012 met zaak/rolnummer 84272/HA ZA 11-26 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
I. te verklaren voor recht dat geïntimeerden hoofdelijk, althans geïntimeerde sub 1, althans
geïntimeerde sub 2, aansprakelijk is/zijn voor alle schade die voor UBA het gevolg is van
lekkages van Douchepijpen die zich reeds hebben voorgedaan of die zich in de toekomst
zullen voordoen in woningen in Bovenkerk Zuid, Legmeer West, Tuindorp Zuid of elders, althans dat zij aansprakelijk is/zijn voor dat deel van de schade dat uw Hof in goede justitie redelijk acht; en
II. geïntimeerden hoofdelijk, althans geïntimeerde sub 1, althans geïntimeerde sub 2, te
veroordelen om aan UBA te vergoeden
a. € 88.705,56 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2010 althans vanaf 5 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, en
b. € 17.809,47 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2010 althans vanaf 5 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. geïntimeerden hoofdelijk, althans geïntimeerde sub 1, althans geïntimeerde sub 2, te veroordelen om aan UBA te vergoeden de schade die zij nog zal lijden als gevolg van de lekkages die zich reeds hebben voorgedaan en door lekkages die zich in de toekomst zullen voordoen, nader op te maken bij staat; en
IV. geïntimeerden hoofdelijk, althans geïntimeerde sub 1, althans geïntimeerde sub 2, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties en de nakosten ad € 131,-."
2.4
Bij akte van 12 september 2013 heeft UBA onderdeel II.a. van haar vordering gewijzigd in die zin dat zij in plaats van € 88.705,56 thans € 106.742,92 vordert.
3. De vaststaande feiten
Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.
3.1
UBA heeft in opdracht van Woongroep Holland Projecten B.V. woningen gerealiseerd in het project "Bovenkerk Zuid" te Amstelveen. In het bestek werd voor 172 (van de 373) woningen een zogenaamde douche warmtewisselaar voorgeschreven (hierna: de douchepijp): een pijp waarmee de warmte uit het douchewater gedeeltelijk wordt teruggewonnen.
3.2
[A] heeft eind 2007 en begin 2008 in opdracht van UBA in 99 woningen (in de kwadranten 1 en 2 van het project "Bovenkerk Zuid") douchepijpen geplaatst en in de zomer van 2008 de overige 73 (in de kwadranten 3 en 4 van dat project). De douchepijpen zijn daarbij ingebouwd in GIBO kokers achter het toilet op de begane grond.
3.3
Er zijn tevens douchepijpen geplaatst in andere projecten van UBA, namelijk in 2007 en begin 2008 in 28 hoekwoningen in het project "Legmeer West fase 2" te Uithoorn en in 2009 en 2010 in 72 woningen in het project "Tuindorp Zuid" in Ouderkerk aan de Amstel.
3.4
[A] heeft de douchepijpen gekocht van Technea Nederland B.V.
3.5
De douchepijpen zijn in eerste instantie geproduceerd door (thans) [geïntimeerde 2]
3.6
[geïntimeerde 2] is op 5 juli 1988 opgericht. Op 11 november 2009 zijn haar statuten gewijzigd en heeft zij [geïntimeerde 1] opgericht, waarvan thans zij directeur-enig aandeelhouder is. [X] is directeur/enig aandeelhouder van [geïntimeerde 2]. Sinds de oprichting van [geïntimeerde 1] worden de douchepijpen door [geïntimeerde 1] geproduceerd.
3.7
Technea heeft per mailbericht van 14 november 2006 de installatiehandleiding 2006 aan [A] gemaild. In die handleiding is onder meer vermeld:
"2.2. De plaats van douchepijp.
De ruimte waarin de douchepijp wordt opgesteld moet voldoende groot zijn zodat onderhoudswerkzaamheden en inspectie goed zijn uit te voeren. De toegang moet zonder veel ingrepen gerealiseerd kunnen worden.
Het plaatsen van de douchepijp in de meterkast is toegestaan mits er rekening wordt gehouden met compartimentering (indeling) van de meterkast volgens NEN2768, "Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen". (…)"
3.8
In de daaropvolgende versie van de installatiehandleiding uit 2007 is opgenomen:
"Aandachtspunten
* Let op dat de warmtewisselaar goed toegankelijk is zodat deze eenvoudig gemonteerd en gedemonteerd kan worden.
(…)
2.2.
De plaats van douchepijp.
De douchepijp wordt beschouwd als een apparaat. De ruimte waarin de douchepijp wordt opgesteld moet voldoende groot zijn zodat onderhoudswerkzaamheden en inspectie goed zijn uit te voeren. De toegang moet zonder veel ingrepen gerealiseerd kunnen worden.
Het plaatsen van de douchepijp in de meterkast is toegestaan mits er rekening wordt gehouden met compartimentering (indeling) van de meterkast volgens NEN2768, "Meterkasten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen. (…)"
3.9
Technea heeft de douchepijpen aan [A] in kokers afgeleverd, met in elke koker afzonderlijk een installatiehandleiding.
3.10
Het productieproces van de douchepijp is in september 2007 gewijzigd, in die zin dat de douchepijpen voortaan werden geleverd met drie luchtnokken in plaats van één luchtnok.
3.11
In maart 2008 en in juli 2010 is de spoelmethode van de douchepijpen na solderen gewijzigd.
3.12
[A] is inmiddels failliet verklaard.
3.13
In het voorjaar van 2010 zijn 20 van de 99 douchepijpen in de kwadranten 1 en 2 van het project "Bovenkerk Zuid" gaan lekken. Op 14 december 2010 is lekkage bij een douchepijp in kwadrant 3 van dat project geconstateerd.
3.14
Bij brief van 30 juni 2010 heeft UBA [geïntimeerde 1] aansprakelijk gesteld voor alle schade en gevolgschade inzake het door haar gestelde geleverde product met de productiefout.
3.15
Technea heeft daarop 21 nieuwe douchepijpen geleverd, die UBA heeft doen installeren. UBA heeft hiervoor een factuur van [B] d.d. 14 juli 2010 ontvangen voor een bedrag van € 5.173,50. Daarnaast heeft UBA herstelkosten gemaakt, in die zin dat de kokers waarin de douchepijpen waren geplaatst, weer moesten worden dichtgemaakt.
3.16
[C] heeft in 2010 in opdracht van [geïntimeerde 1] spoelwater doen onderzoeken op corrosieve bestanddelen en heeft in een notitie verslag gedaan van haar bevindingen:
"(…)
De douchewarmtewisselaars worden bij [geïntimeerde 1] in [woonplaats] geproduceerd uit koperen buizen. De koperen buizen dienen hiervoor gesoldeerd te worden. De koperen buizen worden na het solderen voor een bepaalde periode opgeslagen. Tijdens de opslag van de gesoldeerde koperen buizen treedt er putcorrosie van het koper op waardoor de buizen aangetast worden. Voordat de gesoldeerde koperen buizen verder worden verwerkt worden deze gespoeld. [geïntimeerde 1] heeft [C] verzocht dit spoelwater nader te onderzoeken op corrosieve bestanddelen en te vergelijken met de drinkwaterkwaliteit in Emmen. Hiervoor heeft Hel-Tech twee spoelwatermonsters aan [C] verstrekt:
- Spoelwater begin spoelbeurt
- Spoelwater eind spoelbeurt
(…)
Conclusie
Uit de meetresultaten blijkt een verhoogde geleidbaarheid en verhoogde chloride concentratie in de spoelwatermonsters. Putcorrosie van koper is het gevolg van chloride ionen die het oppervlak van het koper wegvreten. Deze chloride ionen kunnen het gevolg zijn van de bij het solderen toegepaste soldeervloeistof (bijvoorbeeld vloeimiddel S-39). Veel van deze middelen bevatten zoutzuur. Het is daarom van belang om het gesoldeerde koper direct na het solderen te spoelen zodat er geen chloride ionen op het oppervlak van het koper achterblijven. Uit een toetsing van de spoelmonsters aan de drinkwaterkwaliteit blijkt dat de spoelbeurt voldoende lang is om de chloride ionen van het koper te verwijderen. Ook de geleidbaarheid van het spoelwater is aan het einde van de spoelbeurt lager dan die van het drinkwater. De pH is aan het einde van de spoelbeurt slechts een fractie lager dan die van drinkwater."
3.17
TNO Bouw en Ondergrond heeft de totale koolstof in de douchepijpen bepaald en hiervan op 8 juli 2010 rapport aan [geïntimeerde 1] uitgebracht.
3.18
Bij brief van 9 september 2010 heeft [X] aan Technea bericht:
"(…)
Uit de statistieken van [geïntimeerde 1] blijkt dat er relatief weinig lekke douchepijpen zijn, namelijk slecht 0,49%. Wij hebben geconstateerd dat er kleine gaatjes in de tussenbuis kunnen ontstaan als gevolg van corrosie. Het gevolg hiervan is lekkage.
In 2009 is een onderzoek gestart naar de mogelijke oorzaken. Er zijn deskundigen, instituten en laboratoria geraadpleegd en er zijn diverse mogelijke oorzaken onderzocht.
Het materiaal van de warmtewisselaars is koper, CU-DHP, en is uitermate geschikt voor toepassingen in combinatie met leidingwater, zodat normaal gesproken dergelijke schades niet zouden kunnen optreden. Ook is, samen met het KWR (Watercycle Research Institute) te Nieuwegein, nagegaan of er een relatie bestaat tussen de waterkwaliteit in de diverse gebieden van Nederland en de daar voorkomende schadegevallen. Hieruit is geconcludeerd dat er geen relatie is tussen waterkwaliteit en schade aan de warmtewisselaar.
Een onzekere factor bij het vinden van de oorzaak is dat we niet weten wat er in de tijd tussen de installatie en de oplevering met de warmtewisselaar is gebeurd. Er zijn twee mogelijke oorzaken waar [geïntimeerde 1] invloed op heeft, namelijk koolstof deeltjes op het oppervlak van de buis en restanten van de soldeervloeistof.
Bij de fabricage van de buizen wordt vet gebruikt. Als een buis na fabricage niet goed
gereinigd wordt en er een warmtebehandeling volgt, kan er koolstof op de buis achterblijven.
Het is bekend dat koolstof een oorzaak van corrosie kan zijn. Wij hebben het koolstofgehalte
laten onderzoeken door TNO te Utrecht. Gebleken is dat de buizen voldoen aan de eis die
hieraan in KIWA richtlijn BRL K656/02 wordt gesteld. Het probleem bij het vaststellen van
koolstofdeeltjes is dat het koolstofgehalte niet meer vast te stellen is nadat de
warmtewisselaar in gebruik is geweest. Onze toeleveranciers hebben verklaard dat in het
verleden de koolstofgehaltes in de buis voldeden aan de richtlijnen van KIWA. Om zeker te
zijn zal in de toekomst regelmatig het koolstofgehalte gemeten worden.
Een tweede mogelijke oorzaak kan gevonden worden in de soldeervloeistof. In
soldeervloeistof zitten chloorverbindingen. Restanten van deze soldeervloeistof die
achterblijven nadat er gesoldeerd is kunnen een oorzaak van corrosie zijn. Na de fabricage
worden de warmtewisselaars schoongespoeld. Het achterblijven van restanten van de
soldeervloeistof kan mogelijk een verklaring zijn waarom corrosie bij bepaalde projecten
optreedt en bij andere projecten niet. De reden kan zijn dat bij sommige projecten het langer
duurt voordat de warmtewisselaar in gebruik wordt genomen en het residu langer in de
warmtewisselaar blijft. In deze periode is een slecht gespoelde warmtewisselaar gevoelig voor corrosie.
De spoelmethodes zijn in de loop der jaren sterk verbeterd. Er wordt nu langer en met vers water dat verwarmd is tot 40°C gespoeld. Het restwater dat in de warmtewisselaar achterblijft voldoet aan de normen voor leidingwaterkwaliteit.
Wij zijn ervan overtuigd dat één van de twee of beide de oorzaak van de corrosie zijn en dat
met de bovenstaande maatregelen de genoemde problemen niet meer zullen voorkomen.
Uit de statistieken blijkt dat de meeste schadegevallen de eerste 3,5 jaar optreden en dat
daarna de kans op lekkage duidelijk afneemt. Verder is het zo dat het aantal lekkages van in
2008 geproduceerde warmtewisselaars beduidend minder is dan de in de daaraan
voorafgaande 2 jaren. De reden hiervoor lijkt te zijn dat er vanaf 2008 veel minder
soldeervloeistof is gebruikt bij de fabricage van de warmtewisselaars. Van de in 2009
geproduceerde douchepijpen zijn tot op heden nog geen lekkages geconstateerd."
3.19
Nadat UBA 32 lekkende douchepijpen heeft vervangen, heeft zij de bij de daarna opgetreden lekkages een bypass om de douchepijp aangebracht, waarbij de douchepijp is blijven zitten.
4. De vordering van UBA en de beslissing in eerste aanleg
4.1
UBA heeft [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en Technea Nederland B.V. voor de rechtbank gedagvaard en heeft - samengevat weergegeven - gevorderd:
I. voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, aansprakelijk zijn voor alle schade die voor UBA het gevolg is van lekkage van douchepijpen die zich reeds hebben voorgedaan of zich in de toekomst zullen voordoen, zowel in het project Bovenkerk Zuid als in andere woningen waarin UBA de douchepijpen heeft laten plaatsen;
II. gedaagden, hoofdelijk of ieder afzonderlijk, te veroordelen om aan UBA te vergoeden (a) € 30.339,90 en (b) € 1.457,08 (b), beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente en (c) € 17.809,47.
III. gedaagden hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, te veroordelen om aan UBA te vergoeden de schade die zij nog zal lijden als gevolg van lekkages die zich reeds hebben voorgedaan of zich in de toekomst nog zullen voordoen, nader op te maken bij staat.
IV gedaagden, hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, te veroordelen in de kosten van het geding en in de nakosten.
4.2
Bij vonnis in incident van de rechtbank van 6 april 2011 heeft de rechtbank [geïntimeerde 1] c.s. toegestaan Reaal Schadeverzekeringen N.V. in vrijwaring op te roepen en Technea Nederland B.V. toegestaan om [geïntimeerde 1] in vrijwaring op te roepen.
4.3
Bij akte van 5 oktober 2011 heeft UBA onderdeel II van haar eis gewijzigd in die zin dat heeft gevorderd UBA te veroordelen om aan haar te vergoeden (a) € 58.283,20 vermeerderd met wettelijke rente, en (b) € 17.809,47.
4.4
UBA heeft bij akte van 10 januari 2012 onderdeel II van haar vordering nogmaals gewijzigd en heeft in plaats van (a) € 58.283,20 en een bedrag van € 61.197,36 gevorderd.
4.5
De rechtbank heeft bij vonnis van 8 februari 2012 de vorderingen afgewezen, met veroordeling van UBA in de kosten in de hoofdzaak en in het incident aan de zijde van [geïntimeerde 1] en Technea Nederland B.V.
5. De grieven
5.1
UBA heeft negen genummerde grieven opgeworpen.
6. De beoordeling
Procespartijen
6.1
Het hof constateert dat UBA niet in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 8 februari 2012, voor zover dat is gewezen tegen Technea Nederland B.V., zodat nog slechts UBA, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] partij zijn in dit hoger beroep.
Wijziging van eis
6.2
UBA heeft onderdeel IIa van haar vorderingen gewijzigd in haar memorie van grieven en vervolgens bij akte van 12 september 2013. UBA heeft haar vordering in hoger beroep voorts op een tweede grondslag (naast die uit onrechtmatige daad) gebaseerd, namelijk op de bijdrageplicht van hoofdelijk schuldenaren en subrogatie (memorie van grieven onder 13 en onderdeel 3.1 van haar pleitaantekeningen).
6.3
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van UBA.
6.4
Het hof overweegt als volgt.
6.5
De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.
6.6
De eiswijzigingen bij memorie van grieven zijn tijdig gedaan.
6.7
Voor wat betreft de bij akte van 12 september 2013 gedane eiswijziging is het hof van oordeel dat hier een uitzondering op voormelde in beginsel strakke regel geldt. De in de akte gewijzigde eis is ingegeven door een aantal recente lekkages en geeft bovendien invulling aan de onder III van het petitum gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade als gevolg van lekkages die zich reeds hebben voorgedaan of nog zullen voordoen. Dit is UBA toegestaan.
6.8
Het hof ziet geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vorderingen van UBA zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.
6.9
De grieven 1 en 2 hebben betrekking op de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Nu het hof de feiten in het voorgaande zelfstandig heeft vastgesteld, waarbij zij acht heeft geslagen op deze grieven, heeft UBA bij de beoordeling van deze grieven als zodanig geen belang meer.
6.10
Voor zover grief 2 opkomt tegen de onder 2.d van de vaststaande feiten opgenomen overweging van de rechtbank dat schade is ontstaan doordat de douchepijpen waren geplaatst in een afgesloten niet-toegankelijke ruimte en dat door die wijze van afwerking niet snel op een optredende lekkage kon worden gereageerd, zodat het lekwater langer aanwezig was, zal hierop, voor zover relevant, nog nader worden ingegaan in het kader van de gestelde schade.
6.11
Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 2] buiten het geschil staat. Volgens UBA moeten zonder nadere toelichting van [geïntimeerde 1] de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden toegewezen. De douchepijpen waar het hier om gaat zijn geproduceerd in 2006 en mogelijk in 2007. [geïntimeerde 2] is opgericht in 1988 en handelde onder de naam "[geïntimeerde 1]". [geïntimeerde 1] is pas in 2009 opgericht en kan dus niet de producent van deze douchepijpen zijn. Volgens UBA moet het er daarom voor gehouden worden dat (in elk geval ook) [geïntimeerde 2] producent was van de douchepijpen.
6.12
Tijdens het pleidooi is van de zijde van [geïntimeerden] erkend dat het [geïntimeerde 2] is geweest die de in het geding aan de orde zijnde douchepijpen heeft geproduceerd. Dit blijkt naar het oordeel van het hof ook afdoende uit de door UBA overgelegde uittreksels uit het handelsregister van Heideman Holding en [geïntimeerde 1]. Dit betekent dat in hoger beroep alsnog de toewijsbaarheid van de vordering jegens [geïntimeerde 2] als producent van de genoemde douchepijpen zal worden beoordeeld.
6.13
De grief slaagt.
6.14
Nu aan de vordering van UBA jegens [geïntimeerde 2] dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen als aan de vordering jegens [geïntimeerde 1] zal het hof allereerst de overige grieven bespreken.
6.15
De grieven 4 tot en met 8 hebben betrekking op de afwijzing door de rechtbank van de vordering van UBA uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) jegens [geïntimeerde 1].
6.16
Het hof overweegt dat nu [geïntimeerde 1] op 11 november 2009 is opgericht, zij uitsluitend aansprakelijk kan zijn voor de pijpen die nadien zijn geplaatst in het project "Tuindorp Zuid". Het hof zal de vorderingen van UBA jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in het onderstaande gezamenlijk bespreken, met dien verstande dat [geïntimeerde 2] aansprakelijk is voor de tot 11 november 2009 geproduceerde, eventueel gebrekkige, douchepijpen en [geïntimeerde 1] voor die daarna.
6.17
Grief 4 klaagt erover dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1]. Het op de markt brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd is, schade veroorzaakt, is onrechtmatig. Toerekenbaarheid voor de schade is gegeven met het feit dat het geleverde ondeugdelijk was. Gezien de jurisprudentie zijn [geïntimeerden] aansprakelijk voor de gestelde schade indien vast komt te staan dat a. zij gebrekkige producten op de markt hebben gebracht, b. UBA schade heeft geleden en c. er een causaal verband bestaat tussen de gebrekkige producten en de schade. Dat is volgens UBA het geval. Ten onrechte heeft de rechtbank extra eisen gesteld aan de aansprakelijkheid van [geïntimeerden], namelijk de wetenschap van [geïntimeerden] dat hun producten gebrekkig zijn, aldus UBA.
6.18
Het hof overweegt als volgt.
6.19
Degene die door een gebrekkig product schade lijdt kan de producent aanspreken uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), mits aan de in dat artikel gestelde vereisten wordt voldaan.
6.20
Het in het verkeer brengen van een product dat schade veroorzaakt bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, is onrechtmatig jegens de gebruikers van het product. Dit onrechtmatig handelen dient aan de producent te kunnen worden toegerekend. Daarvan is sprake indien het onrechtmatig handelen te wijten is aan de schuld van de producent of aan een oorzaak die krachtens de wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een fabrikant zal in het algemeen die maatregelen moeten treffen die van een zorgvuldig fabrikant kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt. Daarbij dient hij zich ervan te vergewissen welk effect een nieuw of vernieuwd product zal hebben in de voor de hand liggende toepassingen daarvan (vergelijk Hoge Raad, 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2994).
6.21
[geïntimeerden] hebben niet betwist dat de eerste 21 lekkende douchepijpen lekten als gevolg van corrosie. De douchepijpen hadden naar het oordeel van het hof aldus een (latent) gebrek op het moment dat zij door hen in het verkeer werden gebracht.
6.22
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat de meest voor de hand liggende oorzaak van de corrosie van de douchepijpen die tot lekkage heeft geleid, is gelegen in de wijze van naspoelen van haar product waarna zij het productieproces heeft aangepast. Deze wetenschap kreeg zij medio 2010. Volgens [geïntimeerden] konden ook de door [geïntimeerde 1] ingeschakelde deskundigen niet direct een oorzaak vinden voor de problemen die ontstonden. Wel is constant gezocht naar mogelijke oorzaken. Volgens [geïntimeerden] is het aan UBA te bewijzen dat [geïntimeerden] kennis hadden van de oorzaak van de lekkages maar desondanks gewoon bleven produceren en het productieproces niet aanpasten. Nadat [geïntimeerden] bekend werden met de meeste waarschijnlijke oorzaak voor de corrosie hebben zij hun productieprocedé aangepast (onderdeel 65, memorie van antwoord).
6.23
Het hof overweegt dat [geïntimeerden] aldus niet hebben aangevoerd dat [geïntimeerden], voordat zij de douchepijpen op de markt hebben gebracht, maatregelen hebben getroffen om zich er voldoende van te vergewissen dat de douchepijpen niet zouden corroderen en (daardoor) lekken en aldus schade voor de gebruiker zouden veroorzaken, zoals thans bij in elk geval 21 van de door haar geproduceerde douchepijpen het geval is geweest. De door [geïntimeerden] gestelde onderzoeken en maatregelen zien immers op de periode nadat de in het geding zijnde douchepijpen reeds in het verkeer waren gebracht. Aldus hebben [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende bestreden dat [geïntimeerden] het in het verkeer brengen van de gebrekkige douchepijpen kan worden verweten.
6.24
Het hof oordeelt dat het onrechtmatig handelen door het in het verkeer brengen van de gebrekkige douchepijpen dan ook aan [geïntimeerde 1] kan worden toegerekend. Het hof overweegt dat, nu vaststaat dat [geïntimeerde 2] als producent van de gebrekkige douchepijpen is opgetreden, zij op dezelfde voet aansprakelijk is uit onrechtmatige daad.
6.25
De grief slaagt.
6.26
Door het slagen van deze grief van UBA brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van [geïntimeerden] in eerste aanleg, voor zover niet al besproken, thans nog beoordeeld moeten worden voor wat betreft de vordering jegens [geïntimeerde 1].
6.27
Zoals overwogen hebben [geïntimeerden] niet betwist dat de 21 douchepijpen waarop de oorspronkelijke vordering in eerste aanleg zag, lekten als gevolg van corrosie. Van de daarna volgens UBA opgetreden lekkages hebben [geïntimeerden] betwist dat de oorzaak lag in gebrekkigheid van die douchepijpen. Daarnaast hebben [geïntimeerden] de gestelde aantallen lekkages betwist. [geïntimeerden] hebben gesteld dat die douchepijpen niet aan hen zijn aangeboden en dat zij dus niet hebben kunnen controleren of die douchepijpen gebrekkig waren of dat de lekkage van die douchepijpen een andere oorzaak heeft gehad.
6.28
Het hof overweegt dat [geïntimeerden] weliswaar de aantallen lekkages hebben betwist, maar dat zij dit niet voldoende gemotiveerd hebben gedaan. [geïntimeerden] hebben gesteld dat zij ten aanzien van 21 geretourneerde douchepijpen de gebreken hebben kunnen constateren en bij de andere niet. Nu UBA zeer gespecificeerd heeft aangegeven bij welke woningen zich lekkages hebben voorgedaan, kunnen [geïntimeerden] niet met een dergelijke blote ontkenning volstaan. [geïntimeerden] hebben ook niet betwist dat UBA overal douchepijpen heeft moeten vervangen. Het hof gaat dan ook aan het verweer ten aanzien van de aantallen lekkages voorbij.
6.29
Het hof acht, gelet op de omstandigheid dat de 21 aangeboden douchepijpen alle lekten door corrosie, voorshands voldoende aannemelijk dat ook de latere gevallen van lekkage zijn veroorzaakt doordat die douchepijpen corrodeerden, en dus gebrekkig waren. Het staat [geïntimeerden] vrij hiervan tegenbewijs leveren. Het hof zal [geïntimeerden] tot dit tegenbewijs toelaten.
6.30
Slagen [geïntimeerden] in het tegenbewijs, dan blijft ingevolge artikel 150 Rv op UBA de bewijslast rusten van haar stelling dat de latere lekkages zijn veroorzaakt door gebrekkigheid van de douchepijpen, aangezien zij zich voor haar vordering beroept op de rechtsgevolgen. UBA dient er dan ook op voorhand rekening mee te houden dat zij de gelegenheid heeft om aan haar bewijslast te voldoen door in tegengetuigenverhoor getuigen te doen horen dan wel bewijs aan te dragen door overlegging van bewijsstukken of door een ander bewijsmiddel.
6.31
UBA heeft per lekkage vergoeding gevorderd van de kosten van de installatie van een nieuwe douchepijp door [B] van gemiddeld € 258,68 en de door haar zelf gemaakte kosten van verwijdering en herstel van de GIBO-koker en het afwerken van het toilet van € 1.198,40, ofwel in totaal € 1.463,57 per vervangen douchepijp. In de gevallen waarin een bypass is aangebracht heeft UBA een bedrag van € 1.155,46 per lekkage gevorderd.
6.32
[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat de douchepijpen niet conform de instructies zijn geïnstalleerd, waardoor de omvang van de schade door de lekkages aanzienlijk groter is dan wanneer dat op de voorgeschreven wijze zou zijn gebeurd. Zij heeft zich daarbij beroepen op de handleiding voor installatie van de douchepijpen, waarbij zij in hoger beroep heeft aangevoerd dat niet de handleiding uit 2006, maar die uit 2007 in de koker met de douchepijp was gevoegd.
6.33
Vast staat dat [A] de douchepijpen heeft geïnstalleerd op de in het bestek voorgeschreven plaats. Vast staat dat de douchepijpen in het project "Bovenkerk-Zuid" werden geplaatst in een GIBO-koker achter het toilet op de begane grond.
6.34
Het hof overweegt dat de - naderhand nog aangescherpte - handleiding uit 2006 reeds de instructie gaf "De toegang moet zonder veel ingrepen gerealiseerd kunnen worden". Vast staat dat om de douchepijpen in het project "Bovenkerk-Zuid" te kunnen bereiken de GIBO-koker achter het toilet op de begane grond opengebroken moest worden en daarna opnieuw opgebouwd waarna het tegel- of stucwerk moest worden hersteld. Dit blijkt ook uit de door UBA overgelegde kostenspecificaties. Dit is naar het oordeel van het hof niet een toegang die zonder veel ingrepen kan worden gerealiseerd. Dit in tegenstelling tot de in de handleiding opgenomen plaatsing van de douchepijp in een meterkast, welke over het algemeen goed toegankelijk is. Dit betekent dat de douchepijpen niet op de daarvoor aangegeven plaats zijn geïnstalleerd, wat aan UBA als hoofdaannemer van het project "Bovenkerk-Zuid" dient te worden toegerekend. Voor zover de door UBA gemaakte kosten door de wijze van plaatsen zijn ontstaan, kan de schade niet worden toegerekend aan de lekkende douchepijpen.
6.35
Dit betekent dat UBA haar kosten vergoed zal krijgen die het gevolg zijn van het lekken van de douchepijpen en niet door het op deze plaats installeren daarvan, een en ander behoudens voormelde tegenbewijslevering door [geïntimeerden]
6.36
UBA zal in een later stadium in dit geding de gelegenheid worden geboden haar kosten in bovengenoemde zin voor het project "Bovenkerk-Zuid" bij akte uit te splitsen.
6.37
UBA zal zich alsdan in die akte tevens moeten uitlaten over de locatie van de douchepijpen die in de woningen in de projecten "Legmeer West Fase 2" en "Tuindorp Zuid zijn geplaatst, nu dit nog onvoldoende is gesteld of gebleken, en eveneens voor die kosten de hiervoor genoemde splitsing moeten maken.
6.38
Grief 5 ziet op de wetenschap van [geïntimeerden] dat de geproduceerde douchepijpen lekkage vertoonden en kan gezien het vorenstaande onbesproken blijven.
6.39
Grief 6 klaagt erover dat de rechtbank heeft aangenomen dat voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] als producent van belang is of de gehele productielijn gebrekkig is. Het hof zal de bespreking van deze grief in afwachting van de tegenbewijslevering aanhouden.
6.40
Hetzelfde geldt voor grief 7 die ageert tegen het - door UBA als zodanig opgevatte -oordeel van de rechtbank dat voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] van belang is of zij bekend was met de oorzaak van de gebreken in haar producten, en dat UBA dit dient te stellen en te bewijzen.
6.41
Een bespreking van grief 8 die betrekking heeft op rechtsoverweging 5.15 en 5.16 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank vordering van UBA niet toewijsbaar achtte vanwege het niet volgen van de handleiding, kan achterwege blijven, omdat dit in het voorgaande reeds aan de orde is geweest.
6.42
Grief 9 klaagt over de overweging van de rechtbank dat de kosten van expertise van Vanderwal & Joosten niet door UBA zijn gemaakt, maar door een verzekeraar teneinde advies te krijgen over haar verplichtingen, en de volgens UBA aldus impliciete beslissing dat zij die kosten niet kan vorderen.
6.43
UBA heeft aangevoerd dat dit kosten zijn die haar verzekeraar Avéro Achmea heeft voldaan en dat zij last heeft gekregen om die kosten in deze procedure op eigen naam op [geïntimeerde 1] te verhalen. Ten bewijze daarvan heeft zij als productie 21 bij memorie van grieven een stuk overgelegd, waaruit blijkt dat Avéro Achmea die last aan UBA heeft gegeven.
6.44
Een lasthebber kan op eigen naam in rechte optreden ten behoeve van een ander (de lastgever) en is niet gehouden in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Pas indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zonodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD9790). Dit heeft UBA in hoger beroep genoegzaam gedaan.
6.45
De grief is terecht opgeworpen.
6.46
Het hof houdt iedere verdere bespreking van de grieven aan in afwachting van de levering van het (tegen)bewijs.
7. De beslissing
Het hof:
laat [geïntimeerden] toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat alle lekkages die zich in de douchepijpen in de projecten "Bovenkerk Zuid", "Legmeer West fase 2" en "Tuindorp Zuid" hebben voorgedaan, het gevolg zijn van corrosie;
bepaalt dat, indien [geïntimeerden] dat tegenbewijs (ook) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.M.A.Wind, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat [geïntimeerden] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen opgeven op dinsdag 4 februari 2014, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;
bepaalt dat [geïntimeerden] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;
verstaat dat de advocaat van [geïntimeerden] uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van UBA alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, I. Tubben en P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
21 januari 2014.