Vgl. bijvoorbeeld HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992, rov. 4.5 en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. H.J.B. Sackers, rov. 2.5.
HR, 02-09-2025, nr. 22/04658
ECLI:NL:HR:2025:1223
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-09-2025
- Zaaknummer
22/04658
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1223, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:595
ECLI:NL:PHR:2025:595, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1223
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0255
SR-Updates.nl 2025-0258
Uitspraak 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorhanden hebben van vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM). Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen (11 stuks munitie, geweer, wapen en overige goederen). Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer, art. 36c en 36d Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel m.b.t. het op beslaglijst onder 8 omschreven voorwerp “1 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL” en faalt middel v.zv. het betrekking heeft op overige op beslaglijst omschreven inbeslaggenomen voorwerpen. CAG: ‘s Hofs kennelijke oordeel dat alle voorwerpen op beslaglijst o.g.v. art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, is ontoereikend gemotiveerd. Voor de onder 1 tot en met 7 genoemde voorwerpen op beslaglijst hoeft dat niet tot cassatie te leiden. Hoewel omschrijving van die inbeslaggenomen voorwerpen zeer beperkt is, kan daaruit wel steeds worden afgeleid dat het gaat om wapens of munitie waarvan zonder meer kan worden gezegd dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet of algemeen belang. Nu verdachte is veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie, kunnen onder 1 tot en met 7 genoemde voorwerpen op beslaglijst dienen tot het begaan van soortgelijk feit, zodat aan alle vereisten voor onttrekking aan het verkeer o.g.v. art. 36d Sr is voldaan. Voor het onder 8 genoemde voorwerp op beslaglijst ligt dat anders. Daarvan is in het geheel niet duidelijk wat voor soort voorwerp het betreft, zodat ook niet gezegd kan worden dat het vatbaar zou zijn voor onttrekking aan het verkeer o.g.v. art. 36d Sr. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer van overige goederen (zonder terugwijzing). Samenhang met 22/04869, 22/04870 en 22/04888 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04658
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2022, nummer 21-002158-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 8 genoemde voorwerp, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat de op de beslaglijst omschreven inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken worden verklaard.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt met betrekking tot het op de beslaglijst onder 8 omschreven voorwerp “1 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL” en het cassatiemiddel faalt voor zover het betrekking heeft op de overige op de beslaglijst omschreven inbeslaggenomen voorwerpen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.
4. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft(i) de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 8 omschreven inbeslaggenomen voorwerp “1 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL” en(ii) het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 90 uren beloopt, subsidiair 45 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
Conclusie 10‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voorhanden hebben wapen en munitie, art. 26 WWM. 1. Falende bewijsklacht medeplegen voorhanden hebben vuurwapen. 2. Falende klacht over gebruik NFI-rapport waarin matchkans DNA-profiel niet is berekend. 3. Slagende klacht over beslissing tot onttrekking aan het verkeer van op beslaglijst voorkomende “1.00 STK Overige goederen”. 4. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging beslissing tot o.a.h.v. en strafvermindering.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04658
Zitting 10 juni 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 december 2022, parketnummer 21-002158-18, het vonnis van de rechtbank Overijssel van 12 april 2018 bevestigd onder aanvulling van gronden en met uitzondering van de strafoplegging. In dat vonnis is de verdachte onder 1 veroordeeld wegens “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”. Het hof heeft de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft het hof de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest. Voorts is van een aantal in beslag genomen voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen en het tweede middel richt zich tegen het gebruik van een NFI-rapport en de bewijskracht daarvan. Het derde middel richt zich tegen de beslissing tot onttrekking aan het verkeer en het vierde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn. Ik geef eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.
2. De bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1
De door het hof bevestigde bewezenverklaring van de rechtbank houdt in dat de verdachte:
“op 2 februari 2016 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (revolver, SBF officer, kaliber .38) en munitie van categorie III, te weten 6 patronen kaliber .38 GFL Fiocchi, voorhanden heeft gehad.”
2.2
Deze bewezenverklaring heeft de rechtbank doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d. 2 februari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisanten (zaaksdossier 3, p 1418-1419):
Op dinsdag 2 februari 2016 om 05:01 uur, hebben wij de [verdachte] aangehouden in [A] , gelegen aan de [a-straat 1] , kamer [nummer] . Tijdens de aanhouding werd door [verbalisant] onder het kussen van de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 3 februari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant (zaaksdossier 3, p 1422-423):
Op dinsdag, 2 februari 2016, omstreeks 05.10 uur, werd door mij, verbalisant voor een doorzoeking ter inbeslagneming van vuurwapens en of munitie binnengetreden in hotelkamer nummer [nummer] , in perceel [a-straat 1] [plaats] .
Kort te voren was de echtgenoot van [medeverdachte] aangehouden door het arrestatieteam. Door het arrestatieteam was vastgesteld dat onder het hoofdkussen van de [verdachte] een vuurwapen onder handbereik van beiden lag.
Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:
1 Vuurwapen (revolver) (...)
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant (Zaaksdossier 3, p. 1427-1436):
Op dinsdag 2 februari 2016 omstreeks 05:00. Uur werd bij verdachte een vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen.
Wapenomschrijving 1:
Goednummer: PL0600-2016054947
Categorie omschrijving: Wapens/munitie/springstof
Object: Vuurwapen (revolver)
Aantal/eenheid: 1 st
Merk/type: SBF, officer
Kleur: zilverkleurig
Land van herkomst: onbekend
Wapennummer: 065
Kalibers: 38
Bijzonderheden: geladen met 6 patronen.
Juridische beschrijving revolver: Dit revolver is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Munitieomschrijving 1:
Goednummer: PL0600-2016054947
Categorie omschrijving: Wapens/munitie/springstof
Object: Vuurwapen (revolver)
Aantal/eenheid: 6 st
Merk/type: GLF Fiocchi
Kleur: messingkleurig
Land van herkomst: Italië/Duitsland
Kalibers: 38
Bijzonderheden: patronen komen uit het voornoemde revolver
Juridische omschrijving munitie: Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2, lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie.
4. Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] d.d. 2 februari 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (Zaaksdossier 3, p. 1457-1461):
V: U bent aangehouden op een hotelkamer in [plaats] . Met wie deelde u de kamer daar?
A: Met [betrokkene 1] :
(...)
V: In de hotelkamer is een vuurwapen aangetroffen. Van wie is dit vuurwapen?
A: Dit vuurwapen is van mij.
(…)
V: Waar komt de munitie vandaan?
A: Die heb ik bij het wapen gekregen.
(…)
V: Waar lag het wapen in de hotelkamer.
A: Dat heeft u toch zelfgezien op de plaats van het kussen. (...).”
2.3
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Het voorhanden hebben van het vuurwapen
De rechtbank overweegt ten aanzien van voorhanden hebben van het vuurwapen en de daarin aanwezige kogelpatronen als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 Wet Wapens en Munitie vereist is dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.
Zoals hiervoor is overwogen, werd onder het hoofdkussen van verdachte een vuurwapen met daarin zes patronen aangetroffen.
[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat het wapen aan haar toebehoort, dat het wapen onder het kussen lag aan de kant van het bed waar zij eerst zelf wilde gaan liggen, maar dat verdachte daar is gaan liggen. Verdachte wist echter niets van het wapen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat een voorganger in de hotelkamer het wapen kan hebben achtergelaten, vervolgens heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet wist dat het wapen in de hotelkamer lag. Bij de raadkamerzitting heeft verdachte verklaard dat het wapen van [medeverdachte] is.
Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de plek waar het vuurwapen is aangetroffen, te weten onder het hoofdkussen van verdachte onder handbereik van zowel verdachte als [medeverdachte] , geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte en [medeverdachte] zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie en dat zij dan ook over dat wapen en die munitie gezamenlijk de beschikking hebben gehad.
Aldus is tussen verdachte en [medeverdachte] dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie. De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde dus wettig en overtuigend bewezen.
De verklaring van verdachte en [medeverdachte] dat verdachte niet wist dat het wapen in de hotelkamer lag acht de rechtbank, gelet op de plek waar het vuurwapen is aangetroffen, niet geloofwaardig.”
2.4
Het hof heeft deze bewijsmiddelen en bewijsoverweging van de rechtbank als volgt aangevuld:
“5. Het proces-verbaal van sporenonderzoek (pagina 1437 tot en met 1440), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
Ik zag dat het een revolver van het merk ‘S.B.F.’ betrof. Ik heb de binnenzijde van de loop bemonsterd met een wattenstaafje.
Biologische sporen
Spoornummer: PL0600-201 6054947-67258
Sin: AAJL9762NL
Plaats veiligstellen: Binnenzijde loop
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI van 5 april 2016 (pagina 1441 t/m 1444) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
Sin | Beschrijving DNA-profiel/ celmateriaal kan afkomstig zijn van | Matchkans DNA-profiel |
AAJL9762NL#01 | onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man - [verdachte] - minimaal één onbekend persoon | Niet berekend |
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof overweegt dat het in de loop van het wapen aangetroffen DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Ondanks het feit dat de matchkans ervan niet is berekend, komt daar naar het oordeel van het hof bewijskracht aan toe.”
3. Het eerste middel
3.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring en bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie en dus ook niet dat hij tezamen en in vereniging met een ander over het vuurwapen en de munitie de beschikking heeft gehad.
3.2
Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte op 2 februari 2016 om 05:01 uur is aangehouden in zijn hotelkamer. In die hotelkamer, waar ook de [medeverdachte] zich bevond, is kort na de aanhouding onder het hoofdkussen van de verdachte een geladen vuurwapen aangetroffen. Het hof heeft met de rechtbank geoordeeld dat er – gelet op die plaats waar het vuurwapen is aangetroffen – geen andere conclusie mogelijk is dan dat zij zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie en daarover dus gezamenlijk de beschikking hadden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.1.Dat het hof de verklaring dat de verdachte niet wist dat het vuurwapen in de hotelkamer lag als niet geloofwaardig heeft aangemerkt, is – gelet op de omstandigheid dat het vuurwapen onder zijn hoofdkussen is aangetroffen – evenmin onbegrijpelijk.
3.3
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt dat het hof bewijswaarde heeft toegekend aan een NFI-rapport, terwijl de verdediging heeft aangevoerd dat daaraan geen bewijswaarde kan worden toegekend omdat de matchkans van het DNA-profiel niet is berekend.
4.2
In de door het hof aangevulde bewijsmiddelen wordt beschreven dat er in de loop van het vuurwapen een onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen, waarvan één DNA-profiel afkomstig kan zijn van de verdachte. De matchkans – dat wil zeggen: de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het aangetroffen DNA-profiel2.– is niet berekend. Op zichzelf kan aan de stellers van het middel worden toegegeven dat de matchkans van het DNA-profiel een belangrijke indicator is voor de bewijswaarde van het DNA-spoor. Hoe kleiner de kans is dat de overeenkomsten tussen de DNA-kenmerken van de verdachte en het aangetroffen DNA-spoor op toeval berusten, hoe aannemelijker het is dat de verdachte daadwerkelijk degene is die het spoor heeft achtergelaten. Maar dat een DNA-onderzoek mét een berekende matchkans meer bewijswaarde kan worden toegekend, wil natuurlijk nog niet zeggen dat een onderzoek waarin dat niet is gebeurd van al zijn bewijskracht is ontdaan. Dan blijft immers nog steeds staan dat na onderzoek is gebleken dat alle DNA-kenmerken van de verdachte zichtbaar zijn in het DNA-profiel van het aangetroffen spoor.
4.3
Het oordeel van het hof dat aan het NFI-rapport bewijskracht kan worden toegekend getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen verder uit de bewijsvoering blijkt, namelijk dat het vuurwapen in de hotelkamer van de verdachte is aangetroffen onder zijn hoofdkussen, is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal – en dus ook de waardering van dit NFI-rapport – in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter. Bovendien heeft het hof in dit specifieke geval de beperkingen van het NFI-rapport onder ogen gezien door te overwegen dat de matchkans van het DNA-profiel niet is berekend, en vervolgens geoordeeld dat er desondanks bewijskracht aan het NFI-rapport toekomt. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, was het hof daarbij niet gehouden om nader te motiveren hoeveel bewijskracht aan het NFI-rapport wordt toegekend. Die opvatting vindt geen steun in het recht en zou zich bovendien slecht verhouden met de hiervoor benoemde vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter.
4.4
Het middel faalt.
5. Het derde middel
5.1
Het middel klaagt over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.
5.2
Het dictum van het arrest van het hof houdt ten aanzien van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer het volgende in:
“Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de op de aan dit arrest gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 8.”
5.3
De in het dictum genoemde beslaglijst is aan het arrest van het hof gehecht en houdt het volgende in:
Voorwerpen | |
1 | 7.00 STK Munitie kaliber .5 PL0600-2016000138-G1043939 |
2 | 1.00 Geweer - PL0600-2016000138-G1043947 |
3 | 1.00 STK Munitie patronen PL0600-2016000138-G1043955 |
4 | 1.00 STK Munitie - PL0600-2016000138-G1043961 |
5 | 1.00 STK Munitie - PL0600-2016000138- G1043976 |
6 | 1.00 STK Munitie met munitie PL0600-2016000138-G1043981 |
7 | 1.00 STK Wapen NORINCO .75 PL0600-2016000138-1043931 |
8 | 1.00 STK Overige goederen fragment AAJJ3131NL PL0600-2016000138-1007192 |
5.4
5.5
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen relevant.
- Artikel 36b lid 1, aanhef en onder 1° en 3°, Sr:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1° bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;”
- Artikel 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1° die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
3° met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4° met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5° die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
- Artikel 36d Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
5.6
Op de beslaglijst staan in totaal elf stuks munitie, een niet nader omschreven geweer, een wapen van het merk NORINCO en één stuk “overige goederen”. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij een revolver van het merk SBF voorhanden heeft gehad met zes patronen van het kaliber .38.
5.7
De duidelijkheid van de beslaglijst laat in de onderhavige zaak te wensen over. Ook wreekt zich hier dat het hof zijn beslissing tot onttrekking aan het verkeer niet heeft gemotiveerd. Noch uit het arrest van het hof, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid of – en, zo ja, welk – verband er bestaat tussen de op de beslaglijst genoemde voorwerpen en de in de bewezenverklaring genoemde .38 revolver en de bijbehorende zes patronen van het kaliber .38. Dit vuurwapen en de munitie komen niet met zoveel woorden op de beslaglijst voor. En alle voorwerpen die op de beslaglijst wel van een nadere omschrijving zijn voorzien, zijn op hun beurt weer niet te relateren aan de bewezenverklaring. Het kennelijke oordeel van het hof dat alle voorwerpen op de beslaglijst op grond van art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, is ontoereikend gemotiveerd.
5.8
Voor de onder 1 tot en met 7 genoemde voorwerpen op de beslaglijst hoeft dat naar mijn oordeel niet tot cassatie te leiden. Hoewel de omschrijving van die inbeslaggenomen voorwerpen zeer beperkt is, kan daaruit wel steeds worden afgeleid dat het gaat om wapens of munitie waarvan zonder meer kan worden gezegd dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Nu de verdachte is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, kunnen de onder 1 tot en met 7 genoemde voorwerpen op de beslaglijst dienen tot het begaan van een soortgelijke feit, zodat aan alle vereisten voor onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36d Sr is voldaan.
5.9
Voor het onder 8 genoemde voorwerp op de beslaglijst ligt dat anders. Daarvan is mij in het geheel niet duidelijk wat voor soort voorwerp het betreft, zodat ook niet gezegd kan worden dat het vatbaar zou zijn voor onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36d Sr. Het middel slaagt in zoverre.
6. Het vierde middel
6.1
Het middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn.
6.2
Op 12 december 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 december 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de in dit geval geldende inzendtermijn van acht maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
6.3
Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
6.4
Het voorgaande dient te leiden tot strafvermindering.
7. Slotsom
7.1
Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt ten dele en het vierde middel slaagt.
7.2
Naast hetgeen ik hiervoor onder 6.3 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het op de beslaglijst onder 8 genoemde voorwerp, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑06‑2025
Zie B. Kokshoorn, L.H.J. Aarts, J.H.A. Nagel en J. Koopman, ‘Bewijskracht van onderzoek naar biologische sporen en DNA’, Expertise en Recht 2014, afl. 6, p. 205.