Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/5.3.6
5.3.6 Houdbaarheid van de uitkeringstoets
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406888:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
“General creditors are better off in these situations than they would have been if cash or other property had been paid out for the shares or distributed (which is proper under the statute), and no worse off than if cash had been paid or distributed and then lent back to the corporation, making the shareholders (or former shareholders) creditors. The parity created by section 6.40(f) is logically consistent with the rule established by section 6.40(e) that these transactions should be judged at the time of the issuance of the debt.” (Commentaar RMBCA, 6-235). Opmerkelijk genoeg wordt de vordering van een aandeelhouder die voortvloeit uit een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap, in de regel wel geacht te zijn achtergesteld bij de vorderingen van de overige crediteuren. Zie over dit verschil Cox & Hazen 2011, § 20.08.
Uit § 6.40(e)(3) volgt dat uitkering in beginsel 120 dagen ‘houdbaar’ is. Beide uitkeringstesten moeten plaatsvinden op de dag dat het bestuur tot de uitkering besluit. Als de daadwerkelijke uitkering later dan 120 dagen na de besluitvorming plaatsvindt, moeten de testen opnieuw worden uitgevoerd op de dag van de betaalbaarstelling. Heeft de uitkering de vorm van koop, aflossing of een andere manier van verkrijging van eigen aandelen, dan geldt als peildatum de dag waarop geld of andere goederen worden overgedragen, of de vennootschap een schuld is aangegaan in verband met de uitkering. Als de aandeelhouder reeds voor die dag zijn aandeelhouderschap verliest ten aanzien van de door de vennootschap verkregen aandelen, dan geldt de dag van dat verlies als de dag waarop aan de twee uitkeringstesten dient te worden voldaan.
De uitkering kan ook de vorm hebben van een schuld aan de aandeelhouders die door de vennootschap wordt aangegaan. In dat geval is de dag waarop deze schuld wordt aangegaan het peilmoment: op dat moment moet de uitkering aan de twee uitkeringstesten voldoen. De regeling bepaalt dat een dergelijke schuld aan de aandeelhouder te gelden heeft als een normale vordering die in een eventueel faillissement als concurrent moet worden geverifieerd, tenzij op het moment van uitkering achterstelling van de vordering is overeengekomen.1