HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.1.2.
HR, 03-12-2024, nr. 22/03021
ECLI:NL:HR:2024:1782, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-12-2024
- Zaaknummer
22/03021
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1782, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1039
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:3015, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:PHR:2024:1039, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1782
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen poging tot zware mishandeling door een ander (met fles) op diens hoofd en lichaam te slaan en hem meermalen met kracht tegen zijn lichaam te schoppen en te trappen (art. 302.1 Sr). Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. Had aangever een mes bij zich? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03021
Datum 3 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2022, nummer 22-003028-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.E.M.C. Koudijs, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2024.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Medeplegen van poging tot zware mishandeling, art. 45 jo. 47 jo. 302(1) Sr. Falend middel over verwerping beroep op noodweer(exces). Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03021
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juli 2022 de verdachte wegens het subsidiair ten laste gelegde “medeplegen van poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A.E.M.C. Koudijs, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte heeft verworpen, nu het hof volgens de steller van het middel heeft miskend dat de aangever bij zijn aanval jegens de verdachte een mes bij zich had. Ik vat het middel zo op dat het zich louter richt op het feitelijk oordeel van het hof over de aanwezigheid van het mes en niet op mogelijke rechtsopvattingen van het hof over noodweer(exces).
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“subsidiair
hij op 3 juni te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met kracht met een fles, tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en
- meermalen met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en
- meermalen met kracht tegen het lichaam heeft geschopt en getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022 zijn aldaar op verzoek van de raadsman camerabeelden getoond. Naar aanleiding daarvan heeft het hof vaststellingen gedaan en heeft de raadsman over de aanwezigheid van een mes bij de aangever het volgende opgemerkt:
“Op verzoek van de raadsman worden de camerabeelden met de bestandsnaam " [bestandsnaam] " vanaf minuut 02.45 getoond.
De voorzitter deelt mede dat op de getoonde beelden onder meer het navolgende is te zien: Er zijn drie mannen op de beelden te zien en het kennelijke slachtoffer ligt op straat. Één van de mannen die het slachtoffer slaat heeft een mondkapje op en de andere man heeft een fles in zijn hand.
(…)Ten aanzien van de getoonde beelden merkt de raadsman op:
Wat ik heb gezien op de beelden is dat mijn cliënt uit de auto komt en dat hij dan vervolgens twee keer wordt aangevallen door aangever [aangever] . Vervolgens komt de medeverdachte [betrokkene 1] erbij. Ik beschouw het incident in twee delen. In het eerste deel is mijn cliënt dus zelf het slachtoffer en in het andere deel gaat hij samen met [betrokkene 1] over tot de aanval. Voorts is in de tweede fase te zien dat aangever [aangever] iets laat vallen op straat. De rechtbank achtte het niet waarschijnlijk dat dit een mes is geweest, terwijl mijn cliënt persisteert bij zijn verklaring dat het een mes betrof dat aangever [aangever] op straat liet vallen, en dat mijn cliënt dit in zijn broekzak heeft gedaan. Mijn cliënt betwist ook niet dat hij aangever [aangever] op zijn hoofd heeft geslagen.”
2.4
Bij pleidooi heeft de raadsman een beroep op noodweer(exces) gedaan dat niet meer inhoudt dan door het hof is samengevat, waarin een verwijzing naar het eerder wel genoemde mes ontbreekt, en door het hof als volgt is verworpen:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Beroep op noodweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich, subsidiair, op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld vanuit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het dreigend gevaar daarvoor, nu hij door de aangever werd aangevallen en uitgedaagd.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de aangever weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf van de verdachte, maar is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren tot de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf.
In dat verband acht het hof met name van belang dat de aanranding van het lijf van de verdachte al ten einde was gekomen op het moment dat de verdachte met de fles sloeg, nu de aangever - op het moment dat de verdachte begon met het slaan van de aangever - al door de medeverdachte was beetgepakt, bij de verdachte was weggetrokken en - zoals te zien is op de foto op blz. 80 in het dossier - van hem stond afgewend doordat aangever door de medeverdachte was beetgepakt. Er bestond voor de verdachte dan ook geen enkel beletsel om zich te onttrekken aan de situatie teneinde het conflict te de-escaleren.
Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen (…)”
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging, meer subsidiair, aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Nu het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces reeds om die reden niet.
Het beroep op noodweerexces wordt verworpen. (…)”
2.5
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer of noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg te staan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.1.
2.6
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt - anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring - niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.2.
2.7
Voor de feitelijke toedracht die door het hof is vastgesteld verwijs ik ook naar een aantal door het hof gebezigde bewijsmiddelen en naar de nadere bewijsoverweging van het hof. Het gaat om de volgende bewijsmiddelen:
“Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juni 2021 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL-1500-2021155836-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 16 tot en met 18) :
Als de op 3 juni 2021 afgelegde verklaring van [aangever] :
Ik ben op 2 juni 2021 samen met mijn vriend [betrokkene 2] , een man genaamd [betrokkene 3] en een voor mij onbekende Somalische man met mijn personenauto naar Den Haag gereden. [betrokkene 2] reed en in Den Haag aangekomen kreeg ik ruzie met deze drie mannen.
Op een gegeven moment stopte [betrokkene 2] mijn auto in een straat in Den Haag. U vertelt mij dat deze straat [a-straat] heet. Ik ben uit de auto gestapt. Ik zag en voelde dat [betrokkene 3] en de Somalische man tegen mijn hoofd sloeg. Ik voelde hierdoor direct pijn op mijn hoofd.
2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 3 juni 2021 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. 7, Onderzoek Voute/DH1R021036. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 28 tot en met 33):
als de op 3 juni 2021 afgelegde verklaring van [aangever] :
Vraag verbalisant :
Hoe ben je naar Den Haag gereden?
Antwoord aangever :
Met mijn auto, een Honda, type Accord, (het hof begrijpt: welke werd gereden door " [betrokkene 2] ").
Vraag verbalisant :
Hier in Den Haag. Wat gebeurde er nou precies?
Antwoord aangever :
Ik had ruzie met ze en zij hebben mij mishandeld.
Vraag verbalisant :
Wie heeft er op je hoofd geslagen?
Antwoord aangever :
Dat was die [betrokkene 3] met zijn Somalische kennis. Met een Bacardifles.
Vraag verbalisant :
En aan de voorkant van je hoofd?
Antwoord aangever :
Ik ben van boven naar beneden mishandeld.
(…)
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2021 van de Politie Eenheid Den Haag met BVH nummer 2021155836, met fotobijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 77 tot en met 82):
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant] :
Naar aanleiding van de mishandeling die plaatsvond op 3 juni 2021 omstreeks 02:45 uur bekeek ik de beelden van het Team Technisch Toezicht. De beelden beginnen, om 02:39 uur en eindigen om 03:00 uur. Ik bekeek de beelden van camera [bestandsnaam] . De camera is gericht richting [b-straat] . Op de [a-straat] , voor de hoek van de [b-straat] , staat een grijze auto, welke later een Honda blijkt, te zijn. Dit is de auto waar aangever en de verdachten uit komen en waar later de verdachten in wegrijden.
02.39.59
uur:
De rechterachterportier van de grijze auto, gaat open. Een man stapt uit en loopt naar de overkant. Ik herken deze man als verdachte 2.
02.42.31
uur:
Aangever stapt uit. Na een aantal meters loopt hij weer terug naar de grijze wagen. Hij gebaart met zijn armen. Hij loopt dan weer terug naar de auto.
02.42.50
uur:
Aangever is bij het linker achterportier. Hij beweegt geagiteerd en wijst naar het portier. Het portier gaat open en een man stapt uit die ik uit latere beelden herken als verdachte 1 (het hof begrijpt: de verdachte). Verdachte 2 rent op de mannen af. Terwijl verdachte 1 nog net is uitgestapt geeft aangever hem met zijn rechterbeen en voet een trap tegen zijn bovenlichaam waardoor verdachte 1 weer in de auto valt. Als verdachte 1 weer overeind komt vanuit de achterbank geeft, aangever hem weer een schop. Verdachte 2 rent op de mannen af. Aangever wil verdachte 1 slaan met zijn rechterarm maar wordt dan van achter beetgepakt door verdachte 2 en naar achteren getrokken.
Verdachte 1 stapt uit de auto met een voorwerp dat de vorm van een fles kan hebben. Verdachte 1 slaat aangever met de fles op zijn hoofd. Aangever en verdachte 2 gaan vechtend naar de overkant. Verdachte 2 slaat aangever met zijn rechterhand tegen het hoofd. Verdachte 1 komt hen achterna. Verdachte 2 slaat aangever met zijn rechterhand tegen zijn hoofd en zijn bovenlichaam. Aangever staat gebogen. Verdachte 2 geeft hem met zijn rechterknie een stoot tegen zijn bovenlichaam.
Verdachte 1 is erbij gekomen en slaat de gebogen aangever hard op de rug met de fles. Aangever wordt naar de grond gewerkt. Hierna wordt aangever veelvuldig geslagen met de hand, de fles, en geschopt. Als aangever ligt, schopt verdachte 2 hem, terwijl verdachte 1 de fles tot achter zijn hoofd brengt en dan voorover bukt en met volle kracht daarmee op de romp van aangever slaat. Daarna slaat verdachte 1 nog twee keer met de fles.
Verdachte 2 schopt de aangever dan nog 4 keer als deze op de grond ligt, tegen, zijn zijkant en romp aan. Inmiddels is men midden op de rijbaan beland. Als aangever op zijn rug op de grond ligt, tilt verdachte 1 zijn rechtervoet op en trapt dan opzettelijk en met volle kracht op de borst van aangever. Beide verdachten lopen naar de auto en stappen in.
02.44.07
uur:
Van het incident heb ik, verbalisant, een aantal screenshots hieronder in het proces-verbaal gezet:
[screenshot]
(blz. 80:) 02.43.01uur; Vd1 slaat met de fles op hoofd aangever. Verdachte 2 heeft aangever vastgepakt.
4. De verklaring van de verdachte afgelegd op de ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2021, inhoudende :
Ik was bij het incident betrokken. [betrokkene 1] stond aan de andere kant van de straat. Ik heb [aangever] (het hof begrijpt: aangever [aangever] ) een paar keer met de fles geslagen.
Ik ben degene die de verbalisant als verdachte 1 heeft aangeduid; de persoon in het zwart met de fles. [betrokkene 1] was degene die de verbalisant als verdachte 2 heeft aangeduid.
Het klopt dat ik de fles in mijn hand had op het moment dat ik uit de auto stapte.
(…)
5. De eigen waarneming van het hof met betrekking tot de camerabeelden d.d. 3 juni 2021 (met [bestandsnaam] die op de terechtzitting van dit hof op 14 juli 2022 zijn getoond:
Het hof neemt op de beelden (vanaf 02.45) waar dat de aangever richting het linker achterportier van de grijze auto loopt. Het portier gaat open en de verdachte stapt uit met een voorwerp in zijn rechterhand. De aangever maakt een trappende beweging richting de verdachte. De medeverdachte rent op de verdachte en de aangever af. De aangever maakt een tweede trappende beweging, richting de verdachte. De verdachte maakt een slaande beweging naar de aangever. De aangever wordt beetgepakt door de medeverdachte en weggetrokken naar het midden van de straat. De aangever staat niet meer gekeerd naar de verdachte, maar naar de medeverdachte. Op dat moment slaat de verdachte de aangever met het voorwerp op het achterhoofd.”
2.8
Het arrest bevat verder – voor zover hier relevant – de volgende bewijsoverweging:
“Het hof overweegt omtrent het subsidiair tenlastegelegde als volgt.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de aangever - nadat de verdachte uit de auto kwam - twee trappen tegen de verdachte heeft gegeven. Vervolgens werd de aangever beetgepakt door de medeverdachte en naar achteren getrokken, waarna de verdachte de aangever eenmaal met een glazen fles tegen het achterhoofd heeft geslagen. Het hof acht aannemelijk dat de aangever als gevolg hiervan de verwondingen aan zijn hoofd heeft opgelopen. Voorts heeft de verdachte samen met de medeverdachte de aangever andermaal - toen het incident zich al had verplaatst naar het trottoir en het midden van de straat - veelvuldig geslagen, geschopt en getrapt. De verdachte gebruikte bij het slaan tegen de romp de glazen fles. Blijkens de geneeskundige verklaring heeft de aangever bij dit incident een hoofdwond opgelopen die gehecht is met 3 hechtingen.”
2.9
Gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de onder 2.8 weergegeven bewijsoverweging is het hof kennelijk uitgegaan van een feitelijke toedracht waarbij de aanwezigheid van een mes (bij de aangever) niet aannemelijk is geworden. Aldus is het hof tot een andere feitenvaststelling gekomen dan de verdachte volgens zijn raadsman voor ogen stond. Die vaststelling over de omstandigheden waarin de verdachte zijn gedragingen heeft verricht, zijn niet onbegrijpelijk, ook in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd, te weten niet meer dan dat de verdachte op enig moment heeft verklaard over het mes en de stelling dat op de beelden te zien is dat de aangever “iets” laat vallen, terwijl ook uit de beschrijving van de waarneming van de beelden door het hof niet volgt dat het daarbij zou gaan om een mes.
2.10 ‘
‘s Hofs oordeel dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden ertoe leiden dat het beroep op noodweer(exces) dient te worden verworpen, acht ik verder, mede gelet op de zeer summiere inhoud en geringe indringendheid van dat beroep en in aanmerking genomen dat de schriftuur daarover (verder) geen inhoudelijke argumenten bevat, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt ook in zoverre.
Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 11 augustus 2022. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
3.3
Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, rov. 2.3.3.