Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.6.1
4.6.1 Niet-aanmerkelijk belang wordt aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454154:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Onder het oude tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime gold dit ingevolge HR 3 november 1976, BNB 1976/273 op dezelfde wijze.
Onder de oude tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling ontstond als gevolg van HR 3 november 1976, BNB 1976/273 nog wel een potentieel aanmerkelijkbelangverlies.
Blijkens de memorie van toelichting zou dit op eenvoudige wijze kunnen door het verkrijgen van een aanmerkelijk belang in een bepaalde soort. Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 44. Voorts kan volgens de memorie van toelichting de maximering van de verkrijgingsprijs tot de waarde in het economische verkeer op één lijn worden gesteld met de tot 1 januari 1997 geldende bepaling van art. 39, derde lid, derde volzin, (oud), Wet IB inhoudende dat de soortaanmerkelijkbelangregeling niet gold voor de toepassing van (de belastingreductieregeling van art. 59 (oud) Wet IB en) het verlies uit aanmerkelijk belang ex art. 60 Wet IB, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 57.
Deze afbakening is te vinden in het nieuwe art. 20c, vijfde lid, Wet IB. Zodra een aandeelhouder op enig moment voldoet aan de criteria voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang, stapt hij over van de bron 'inkomsten uit vermogen' naar de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Vanaf dit moment is niet langer het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal relevant voor de belastingheffing doch de tegenprestatie bij de verkrijging (art. 20c, derde lid Wet IB), oftewel de historische verkrijgingsprijs.1 Nadrukkelijk geldt dus niet als regel dat de verkrijgingsprijs steeds wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, zodra de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren. Dit betekent dat latente winsten die zijn ontstaan in de situatie waarin (nog) geen sprake was van een aanmerkelijk belang en toen nog onbelast onder het regime van de inkomsten uit vermogen konden worden gerealiseerd, in één keer beclaimd raken op grond van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' zodra de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren.
De hieruit voortvloeiende consequentie dat dan ook latente verliezen die in de periode waarin (nog) geen sprake was van een aanmerkelijk belang, als een verlies uit aanmerkelijk belang ten laste van het inkomen zouden moeten kunnen worden gebracht, wordt echter blijkens art. 20c, vijfde lid, Wet IB niet getrokken. De verkrijgingsprijs van de nu tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen wordt blijkens genoemde bepaling ten hoogste gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van ontstaan van het aanmerkelijk belang.2 Deze regeling moet worden gezien als een antimisbruikregeling teneinde te voorkomen dat belastingplichtigen in geval van latente verliezen bewust de (soort)aanmerkelijkbelang-regeling opzoeken.3 Overigens wordt in die situatie in zoverre geen winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen als de inmiddels tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden vervreemd voor een (overdrachts)prijs die lager is dan de oorspronkelijke, historische verkrijgingsprijs (art. 20c, vijfde lid, eerste volzin, slot, Wet IB). Het latente verlies is dan wel niet aftrekbaar, maar tot de oorspronkelijke verkrijgingsprijs wordt ook geen winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.