Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/5.3
5.3 De oorzaak en de veroorzaker van de fout
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418083:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335; toepassing onjuist waarderingsstelsel.
Zie bijvoorbeeld HR 23 november 1966, BNB 1967/35; als gevolg van een vergissing werden jarenlang bedragen gepassiveerd als ‘uitgestelde nabetaling leveranciers’.
In deze zaak betoogde de belanghebbende dat de foutenleer niet is ontwikkeld om rekenfouten te herstellen.
Zie o.m. HR 23 februari 1955, BNB 1955/158. De wijze waarop de foutenleer in dat geval wordt toegepast wordt echter wel beïnvloed door de omstandigheid dat het onjuiste waarderingsstelsel jarenlang met de uitdrukkelijke instemming van de belastingadministratie werd gevolgd (zie hiervoor hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1).
Vgl. Brüll (blz. 49), die stelt dat indien de inspecteur een fout maakt juist door van de aangifte af te wijken, dan zal navordering noch verschuiving naar volgende jaren mogelijk zijn. Indien de inspecteur een fout maakt juist door de aangifte te volgen, dan mag hij, zelfs indien de foutieve aangifte in overleg met hem is opgesteld, bij de jaarwinstberekening van volgende jaren deze fout rechttrekken, en wel om het even, of het hierbij dwaling inzake de feiten dan wel dwaling inzake het recht betreft.
In r.o. 3.2.2 van dit arrest is vermeld dat het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een als ambtelijk verzuim te kwalificeren fout van de inspecteur.
Zie ook Jacobs (FED IB ’64 : Art. 9 : 101).
Bij navordering – waarbij een fout (in beginsel) niet kan worden hersteld indien aan deze fout een ambtelijk verzuim van de inspecteur ten grondslag ligt – wordt belang toegekend aan de oorzaak en de veroorzaker van de fout. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een fout in de zin van de foutenleer zijn deze factoren niet relevant. Het is mitsdien niet van belang of een fout als oorzaak heeft de onjuiste toepassing van de fiscale regels1 of het gevolg is van het gebruik van onjuiste (feitelijke) gegevens, bijvoorbeeld door vergissingen2 of rekenfouten. Vgl. A-G Van Soest, die in zijn conclusie voor HR 4 januari 1995, BNB 1995/1293, stelt (onderdeel 5.5):
Door welke oorzaak de Inspecteur het bedrag van de vordering anders vastgesteld heeft, staat in dit geding niet vast, maar dat is voor de toepassing van de foutenleer ook niet van belang.
Evenmin is van belang wie de veroorzaker van de fout is. Vaak zal een fout zijn terug te voeren op een door de belastingplichtige (of zijn gemachtigde) veroorzaakte onjuistheid in de aangifte die door de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag niet is gecorrigeerd. De jurisprudentie laat echter ook gevallen zien, waarin een fout het gevolg is van de toepassing van een (onjuist) waarderingsstelsel dat jarenlang met de uitdrukkelijke instemming van de belastingadministratie werd gevolgd. De omstandigheid dat een fout aldus met instemming van de belastingadministratie is gemaakt, staat niet eraan in de weg deze fout aan te merken als fout in de zin van de foutenleer4. Lange tijd was het onduidelijk of de belastingadministratie een beroep kon doen op de foutenleer voor het herstel van onjuistheden die volledig zijn toe te schrijven aan fouten van de inspecteur. Jacobs (blz. 38) merkt in dit kader op5:
Het feit dat een fout is gemaakt door bijv. de inspecteur, wil niet anders zeggen dan dat de fout van de zijde van de inspecteur is opgekomen. Met schuld in de zin van verwijtbaarheid heeft dit niet te maken. De inspecteur maakt alleen een fout in de hier bedoelde zin, indien hij een rechtens juiste waardering van de belastingplichtige zó verandert, dat dit een lager belastingbedrag ten gevolge heeft. De inspecteur wijkt dan af van de aangifte in benedenwaartse richting.
Waarschijnlijk kan worden aangenomen dat in dit geval een herstel in latere jaren van deze fout uitgesloten is. Het beginsel der balanscontinuïteit wordt geschonden, maar hierin dient te worden berust.
Het arrest BNB 1995/129 heeft op dit punt duidelijkheid gebracht: de foutenleer kan ook worden toegepast op fouten die zijn veroorzaakt door de inspecteur. De belanghebbende had met betrekking tot een vermogensbestanddeel in zijn aangifte een onjuiste waarderingswijze gevolgd. De inspecteur heeft die fout slechts gedeeltelijk hersteld door weliswaar uit te gaan van een juist waarderingsstelsel, doch bij de toepassing van dat stelsel een onjuiste waarde in aanmerking te nemen6. Deze onjuiste waardering werd aangemerkt als een fout in de zin van de foutenleer.
Of de fout is ontstaan bij het opmaken van de balans, het doen van aangifte of het vaststellen van de aanslag is derhalve niet relevant. Het begrip ‘fout’ is neutraal in die zin, dat verwijtbaarheid daarbij geen rol speelt7. Dit betekent dat ook opzettelijk begane onjuistheden fouten in de zin van de foutenleer kunnen zijn.