Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.3.2:9.3.2 New Holland Belgium/Oosterhof
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.3.2
9.3.2 New Holland Belgium/Oosterhof
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346074:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. J.M.M. Maeijer (New Holland Belgium/Oosterhof).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede arrest is het in 2000 gewezen arrest New Holland Belgium/ Oosterhof.1 In dat arrest verwees de Hoge Raad naar Van Dullemen/Sala en Beklamel en herhaalde de Hoge Raad de daarin geformuleerde normen. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat:
in een ‘Beklamel-geval’ “behoudens (…) rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden moet worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad”; en
in een ‘Van Dullemen/Sala-geval’ aansprakelijkheid kan bestaan, maar dat het van “de concrete omstandigheden van het geval [zal] afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden”.
De Hoge Raad overwoog letterlijk:
“In de rechtspraak zijn gevallen aan de orde geweest, waarin aan een bestuurder van een vennootschap werd verweten dat hij in naam van de vennootschap verplichtingen was aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van die niet- nakoming door de wederpartij te lijden schade. In een dergelijk geval zal in het algemeen – behoudens door de bestuurder aan te voeren, zijn handelwijze rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden – moeten worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen (vgl. onder meer HR 6 oktober 1989, nr. 13 618, NJ 1990, 286). Klaarblijkelijk heeft het Hof deze regel op het oog gehad en geoordeeld dat hij te dezen toepassing mist bij gebreke van de vereiste wetenschap aan de zijde van Oosterhof.”
en:
“In deze zaak doet zich evenwel een andere situatie voor, namelijk de situatie dat aan Oosterhof als bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent. Ook in een dergelijk geval kan weliswaar sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen (vgl. HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251), maar zal het van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.”