Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.4.3
4.4.3 Gebondenheid consoliderende rechtspersoon op basis van een eenzijdige verklaring
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 122.
Zie ten aanzien van de werking der verklaringen en de onderscheiden theorieën onder andere Van Cassel-van Zeeland, aant. 1.6.0 e.v.; Hijma & Valk 2016; De Vries 2016; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 122-128; Bakker 2012, p. 21; Breedveld-de Voogd 2009, p. 66-67; Engelhard & Van Maanen 2008; Van Laarhoven 2006, p. 27; Ernes 2000, p. 65; Lokin 2000, p. 30 (noot 37); Storme 1993, p. 63; Nieskens-Isphording 1991, p. 7; Hijma 1988, p. 15-22; Nieuwenhuis 1979, p. 15 en Parl. Gesch. Boek 3, p. 169.
Het afleggen van een 403-verklaring is geduid als een eenzijdige en ongerichte rechtshandeling en het is begrijpelijk dat het afleggen van een 403-verklaring niet vrijblijvend is. Toch is de vraag waardoor partijen die deelnemen aan het rechtsverkeer worden gebonden en de vraag waaruit verbintenissen kunnen ontstaan lange tijd onderwerp van discussie geweest binnen het privaatrecht. Binnen de hieromtrent ontwikkelde theorieën vallen drie stromingen te onderscheiden. Geen van de theorieën kan als dominante theorie worden aangemerkt. Geen van de theorieën kan zonder enige nuance worden toegepast.1 De te onderscheiden theorieën ten aanzien van het al dan niet juridisch gebonden zijn van een partij zijn onderscheidenlijk gebaseerd op:
de wil;
de verklaring; of
het vertrouwen.
Indien de wil, de verklaring en het vertrouwen met elkaar overeenstemmen, is er geen reden voor discussie. Is er wel een discrepantie dan ontstaat de vraag of en in welke mate een partij aan een gedane verklaring is gebonden. Bij de wilsleer wordt de gebondenheid teruggevoerd op de (interne) wil van de partij die een verklaring heeft gedaan. Wordt uitgegaan van de (zuivere) verklaringsleer, dan is alleen de verklaring van de partij van belang voor de beantwoording van de vraag of die partij is gebonden. Ook als die verklaring niet overeenstemt met de wil van de betreffende partij. Bij de vertrouwensleer komt er een verbintenis tot stand wanneer door het doen van een verklaring het (gerechtvaardigd) vertrouwen is gewekt bij de wederpartij dat een bepaalde prestatie zal worden verricht.
De Nederlandse wet maakt geen duidelijke keuze voor een van de voornoemde theorieën. Het wettelijk systeem van het Nederlands Burgerlijk Wetboek komt het sterkst overeen met een combinatie van twee theorieën; de wilsleer en de vertrouwensleer. De theorie die als dominant wordt beschouwd in het Nederlandse recht, is dan ook een mix van twee stromingen en wordt aangeduid als de wilsvertrouwensleer.2
Een 403-verklaring is een verklaring waarbij de consoliderende rechtspersoon haar wil heeft geopenbaard. Deze wilsverklaring is gericht op het intreden van bepaalde rechtsgevolgen. Andere partijen mogen erop vertrouwen dat hetgeen de consoliderende rechtspersoon heeft verklaard op een juiste wijze de wil weergeeft van de consoliderende rechtspersoon en mogen dus op deze verklaring en de gevolgen van die verklaring vertrouwen. Als gevolg daarvan kan terecht worden geconcludeerd dat de verklaring voor de consoliderende rechtspersoon bindend is. Jegens partijen die een beroep op deze verklaring kunnen doen, ontstaat een verbintenis.