Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Rb. Amsterdam, 28-10-2022, nr. 13/230471-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:5066
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-10-2022
- Zaaknummer
13/230471-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2023:5066, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑07‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:6561, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑10‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig, Proces-verbaal)
Uitspraak 14‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Dagvaarding partieel nietig wegens te algemeen geformuleerde beschuldiging voor feit 2 en 3. Veroordeling voor medeplegen van handel in 120 kilo harddrugs ogv chatgesprekken die verdachte via verschillende Sky-ECC en Encrochat-accounts met diverse gebruikers voerde over de aan- en verkoop van boli en colo. Voldaan aan het bewijsminimum. GS 4 jaar. Vrijspraak voor witwassen; voldoende concrete en verifieerbare verklaring die onvoldoende is onderzocht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/230471-21 (Promis)
Datum uitspraak: 14 juli 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 mei 2022, 9 augustus 2022, 28 oktober 2022 en 30 juni 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.
2. Inleiding
Het onderzoek Barren is gestart naar aanleiding van onderschepte en ontsleutelde berichten van de communicatiedienst Encrochat. Deze berichten zijn in onderzoek Lemont geanalyseerd aan de hand van de zoektermen colo, boli en stamp. Uit deze analyse zijn berichten naar voren gekomen die duiden op handel in verdovende middelen. Deze berichten zijn verstuurd door de accounts [naam account 1] en [naam account 2] . Informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) heeft vervolgens geleid tot het vermoeden dat [verdachte] de gebruiker van deze accounts is. Ook blijkt uit TCI-informatie dat [verdachte] vermoedelijk de Sky-ID’s [sky-ID 1] , [sky-ID 2] en [sky-ID 3] gebruikte om met anderen te communiceren over de aan- en verkoop van blokken cocaïne. Op 1 februari 2022 is [verdachte] aangehouden als verdachte in deze zaak en is een Google Pixel telefoon aangetroffen. Deze telefoon is onderzocht en blijkt ook gesprekken en foto’s met betrekking tot de handel in verdovende middelen te bevatten. Verdachte ontkent de gebruiker te zijn geweest van de genoemde Encrochat- en Sky-accounts en stelt dat de Google Pixel telefoon niet van hem is.
3. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – zoals op de zitting van 9 augustus 2022 nader is omschreven ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 20 december 2019 t/m 1 februari 2022 schuldig heeft gemaakt aan
medeplegen van handel in cocaïne, althans het aanwezig hebben daarvan, in Amsterdam en/of Liverpool;
medeplegen van het voorbereiden van handel in en/of in- en/of uitvoer van cocaïne in Amsterdam en/of Liverpool;
medeplegen van handel in hasjiesj, althans het aanwezig hebben daarvan, in Amsterdam.
en dat hij zich in de periode 1 januari 2018 t/m 1 februari 2022 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
4. witwassen van € 45.134,- contant geld, een horloge van het merk Rolex t.w.v. € 14.000,- en een hoeveelheid cryptovaluta t.w.v. € 9.156,-.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
4. Geldigheid van de dagvaarding
3.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft bij preliminair verweer bepleit dat de dagvaarding voor wat betreft feit 2 en feit 3 nietig moet worden verklaard, omdat de daarin vervatte beschuldiging onvoldoende specifiek is omschreven. Gelet op de omvang van het dossier, de hoeveelheid chatgesprekken die daarin zijn opgenomen en de lengte van de tenlastegelegde periode, is het voor verdachte op basis van deze algemene beschrijving van gedragingen onvoldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Ten aanzien van feit 2 is concreet weergegeven waaruit de voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan en voor wat betreft feit 3 is het op basis van het dossier duidelijk waar de verdenking op ziet en waartegen verdachte zich moet verdedigen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak sprake is van een omvangrijk dossier, waarin veel chatgesprekken zijn weergegeven die binnen een periode van ruim twee jaar zijn gevoerd door verschillende SkyECC- en Encrochat-accounts die door de politie aan verdachte worden gekoppeld. Onder feit 1 is duidelijk uiteengezet op welke specifieke momenten verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig zou hebben gemaakt aan de handel, dan wel het aanwezig hebben van een concrete hoeveelheid cocaïne. Gelet op de wijze waarop de gedragingen onder feit 2 en feit 3 ten laste zijn gelegd, krijgt de rechtbank de indruk dat het Openbaar Ministerie daarmee doelt op alle overige mogelijke transporten van cocaïne en hasj waarvan in het dossier melding wordt gemaakt. Deze omschrijving is te algemeen en maakt dat het voor verdachte onduidelijk is waartegen hij zich moet verdedigen.
De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.
Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 2 en feit 3.
5. Overige voorvragen
Verder is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
6. Waardering van het bewijs
6.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van cocaïnehandel (feit 1) en het witwassen van het contante geldbedrag, het horloge en de cryptovaluta (feit 4).
Volgens de officier van justitie heeft verdachte in de tenlastegelegde periode als gebruiker van de in zijn fouillering aangetroffen Google Pixel-telefoon, de Encrochat-accounts [naam account 2] en [naam account 1] en de Sky-ID’s [sky-ID 3] , [sky-ID 1] en [sky-ID 2] , veelvuldig gesprekken gevoerd over de handel in blokken cocaïne. In deze gesprekken wordt gesproken over coli, boli, pap en driver en worden foto’s gedeeld van wit poeder en witte blokken al dan niet voorzien van een logostempel. Omdat het dossier gesprekken bevat tussen verdachte en diverse gebruikers middels verschillende PGP-communicatiediensten en ook gebruik wordt gemaakt van andere chatdiensten zoals Signal, is naar het oordeel van de officier van justitie aan het bewijsminimum voldaan.
Ten aanzien van het witwassen heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven die de witwasverdenking kan weerleggen. Uit het financieel onderzoek naar verdachte is immers niet gebleken van een legale inkomstenbron die de contante stortingen, de aanschaf van het horloge of de aankoop van de cryptovaluta kan verklaren. De verklaring van verdachte dat hij contant geld ontving uit zijn onderneming en dat hij cryptovaluta heeft gekocht van het geld dat hij had gewonnen op een gokwebsite aangevuld met geld uit zijn onderneming, is onvoldoende onderbouwd.
De officier van justitie verzet zich tegen opheffing van de voorlopige hechtenis, omdat de ernstige bezwaren tegen verdachte en de recidivegrond nog aanwezig zijn.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten eerste kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de belastende gesprekken heeft gevoerd. Verdachte kan namelijk niet worden aangemerkt als de gebruiker van de Encrochat-accounts [naam account 2] en [naam account 1] , de Sky-ID’s [sky-ID 3] , [sky-ID 1] en [sky-ID 2] , en de Google Pixel-telefoon die bij de aanhouding zou zijn aangetroffen. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat deze accounts door meerdere personen zijn gebruikt.
In de tweede plaats is niet voldaan aan het bewijsminimum, omdat het wettig bewijs enkel bestaat uit de inhoud van PGP-communicatie. Er is ook geen bewijs voor de aanname dat sprake was van handel in (echte) cocaïne, zoals een laboratoriumrapport.
Ten derde kunnen de chatgesprekken niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de inhoud daarvan onbetrouwbaar is en de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om de gesprekspartners als getuige te horen. Mocht de rechtbank feit 1 bewezen verklaren, verzoekt de raadsman (voorwaardelijk) alsnog om de tegencontacten van de aan verdachte toegeschreven accounts als getuige te horen.
Ten aanzien van het witwassen heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat het contante geld winst uit zijn onderneming is en hij deze bedragen op zijn bankrekening heeft gestort. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van zijn [zakenpartner] . Over de cryptovaluta heeft verdachte verklaard dat hij zijn investering heeft bekostigd met een bedrag dat hij heeft gewonnen met gokken, aangevuld met geld uit zijn onderneming. Ook het Rolex-horloge heeft hij gekocht met geld dat hij met zijn onderneming heeft verdiend. Deze verklaringen zijn voldoende concreet en verifieerbaar, maar niet verder door het Openbaar Ministerie onderzocht. Omdat het Openbaar Ministerie niet aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig (eigen) misdrijf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1.
6.3.1.
De gebruiker van de Encrochat-accounts en Sky-ID’s
[naam account 1] en [naam account 2]
Uit de informatie die vanuit het onderzoek Lemont met het onderzoek Barren is gedeeld, volgt dat met de Encrochat-accounts [naam account 1] en [naam account 2] gesprekken worden gevoerd over colo, boli en stamps; zoektermen die wijzen op de handel in cocaïne.2.
Daarnaast blijkt uit onderzoek dat het account [naam account 2] actief was in de periode 26 maart 2020 t/m 1 juni 2020 en gebruik maakte van onder andere de bijnamen [bijnaam 1], [bijnaam 2], [bijnaam 3] en [bijnaam 4] .3.Het account [naam account 1] was actief in de periode 28 april 2020 t/m 13 juni 2020 en hanteerde onder andere de bijnamen [bijnaam 5], [bijnaam 1], [bijnaam 6], [bijnaam 7], [bijnaam 8] en [bijnaam 9] .4.Verder kan uit de inhoud van chatgesprekken van 28 april 2020 worden afgeleid dat [naam account 1] het opvolgende Encrochat-account was van de gebruiker van [naam account 2] . [naam account 1] stuurt immers naar andere Encrochat-gebruikers dat dit “nieuwe pin” is en dat de “oude [naam account 2] ” was.5.
Op basis van deze chatberichten en de overeenkomsten in de door de accounts gebruikte bijnamen stelt de rechtbank vast dat de accounts [naam account 2] en [naam account 1] (achtereenvolgens) in gebruik zijn geweest bij dezelfde persoon.
[sky-ID 3] , [sky-ID 1] en [sky-ID 2]
Op 11 juni 2020 vindt een chatgesprek plaats tussen [naam account 1] en het Encrochat-account [naam account 3] , waarin aan [naam account 1] wordt gevraagd of hij ook een Sky-ID heeft. [naam account 1] antwoordt bevestigend en stuurt een schermafbeelding van zijn gegevens. Uit deze gegevens blijkt dat [naam account 1] gebruik maakt van het Sky-ID [sky-ID 3] .6.
Uit onderzoek blijkt dat het Sky-ID [sky-ID 3] actief was in de periode 26 juni 2019 t/m 18 oktober 2021 en onder andere gebruik maakte van de bijnamen [bijnaam 10] en [bijnaam 11] : [sky-ID 1].7.Het Sky-ID [sky-ID 1] was actief van 21 september 2020 t/m 3 maart 2021 en gebruikte onder andere de bijnamen [bijnaam 12] , [bijnaam 10] en [bijnaam 13] : [sky-ID 2].8.Het Sky-ID [sky-ID 2] was actief van 8 januari 2021 t/m 3 maart 2021 en maakte onder andere gebruik van de bijnamen [bijnaam 12] en [bijnaam 14] . 9.
Omdat de genoemde Sky-ID’s elkaar in tijd opvolgen en in de bijnamen wordt verwezen naar de naam van de nieuwe Sky-ID’s, stelt de rechtbank vast dat deze drie accounts achtereenvolgens in gebruik zijn geweest bij dezelfde persoon.
Identificatie van de gebruiker
Gelet op de voorgaande overwegingen dat enerzijds de accounts [naam account 1] en [naam account 2] , en de Sky-ID’s [sky-ID 3] , [sky-ID 1] en [sky-ID 2] anderzijds, bij één persoon in gebruik zijn, in combinatie met de vaststelling dat de gebruiker van het account [naam account 1] ook de gebruiker is van het Sky-ID [sky-ID 3] , stelt de rechtbank vast dat alle vijf genoemde accounts door dezelfde persoon worden gebruikt.
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of verdachte als de gebruiker van de genoemde accounts kan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordt deze vraag op basis van het volgende bevestigend.
Uit onderzoek van de politie naar aanleiding van TCI-informatie, inhoudende dat “een man met de bijnaam [bijnaam 1] op dit moment dringend op zoek is naar [naam 1] vanwege een ripdeal die recentelijk heeft plaatsgevonden, waarbij [bijnaam 1] door [naam 1] geript is van een partij verdovende middelen” is gebleken dat [verdachte] vermoedelijk betrokken is bij deze dreiging. De politie heeft op 16 april 2020 de zus van [verdachte] verzocht contact met het onderzoeksteam op te nemen zodat zij [verdachte] kunnen waarschuwen geen ernstige delicten te plegen. Hierna heeft [verdachte] het onderzoeksteam teruggebeld.10.Vervolgens heeft het Encrochat-account [naam account 2] dezelfde dag, op 16 april 2020, contact met gebruiker [naam 2] waarin hij bericht: “Me zus is ook gebelt (…) zijn bij haar langs geweest was niet huis. Heb ze gebelt. Waarschuwde me en zei je bent verdachte en denken dat je te maken hebt met iets erg zou wat gaan we beuren en we zeggen niet doen. We waarschuwen je om niks te doen.”11.
Daarnaast is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van de IMEI-nummers die zijn gekoppeld aan de Encrochat- en Sky-accounts en de gegevens van de bankrekening op naam van verdachte. Hieruit is onder andere gebleken dat het telefoonnummer dat wordt gebruikt door het IMEI-nummer dat is gekoppeld aan het Sky-ID [sky-ID 3] van 4 juli 2020 t/m 31 juli 2020 gebruik maakt van een netwerk in Spanje.12.Uit de gegevens van het Travel Information Platform volgt dat [verdachte] een vliegticket heeft geboekt van Schiphol naar Malaga met vertrekdatum 3 juli 2020 en dat hij voor 31 juli 2020 een retourticket heeft aangeschaft.13.Ook hebben in juli 2020 verschillende transacties op de bankrekening op naam van [verdachte] plaatsgevonden die erop duiden dat hij zich op dat moment in Spanje bevond.14.Bovendien heeft verdachte op de zitting verklaard dat hij in juli 2020 in Spanje kan zijn geweest.
Verder hebben vanaf de bankrekening van verdachte op 8, 9 en 10 februari 2020 en 3 en 5 maart 2020 transacties plaatsgevonden met in de omschrijving [naam hotel 1] te Badhoevedorp. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat één van de IMEI-nummers die is gekoppeld aan het Sky-ID [sky-ID 3] (op 9 februari en 5 maart 2020) en het IMEI-nummer verbonden aan het Encrochat-account [naam account 2] (op 3 maart 2020), rondom het tijdstip van de transacties aanstralen op het cell-ID op de [adres 2] in Badhoevedorp. Het [naam hotel 2] Amsterdam is gevestigd op dit adres.15.Verdachte heeft hierover op zitting verklaard dat hij wel eens een hotel voor een ander heeft geboekt, maar weet desgevraagd niet of de transacties bij het [naam hotel 2] op genoemde data zo’n vriendendienst betroffen. Deze verklaring is te weinig specifiek en het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de bewuste transacties ten behoeve van een vriend waren. De rechtbank leidt uit de genoemde banktransacties en historische verkeersgegevens af dat verdachte op de genoemde data op dezelfde plek was als waar zich de telefoons met het Sky-ID [sky-ID 3] en het Encrochat-account [naam account 2] zich bevonden.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker was van het Encrochat-account [naam account 2] en het Sky-ID [sky-ID 3] , en daarmee (gelet op het onder 6.3.1. overwogene) ook als gebruiker van de rest van de genoemde Encrochat- en SkyECC-accounts. Daarmee wordt het eerste verweer van de raadsman verworpen. Ook het verweer dat de accounts mogelijk door meerdere personen werden gebruikt slaagt niet, omdat dit op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.
6.3.2.
De gebruiker van de Google Pixel telefoon ( [goednummer] )
Ten aanzien van de inbeslaggenomen Google Pixel telefoon stelt de rechtbank het volgende vast. De politie heeft in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal beschreven dat verdachte op 1 februari 2022 buiten heterdaad is aangehouden, dat bij de insluitingsfouillering in het cellencomplex is gebleken dat hij twee cryptotelefoons van het merk Google Pixel bij zich had en dat deze cryptotelefoons onder hem in beslag zijn genomen voor verder onderzoek.16.De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud van dit proces-verbaal te twijfelen en daarmee is de stelling van verdachte dat de telefoons niet onder hem zijn aangetroffen, weerlegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de Google Pixel telefoon met [goednummer] van verdachte is. Dat wordt ook bevestigd door het feit dat de politie de stem van verdachte heeft herkend als de persoon die op deze telefoon diverse spraakberichten heeft ingesproken.17.
Onderzoek aan de Google Pixel telefoon met [goednummer] toont aan dat met deze telefoon tussen 24 en 29 januari 2022 met verschillende personen via Signal chatgesprekken zijn gevoerd over de aan- en verkoop van cocaïne. Daarbij zijn ook foto’s van blokken verstuurd. Tevens bevat deze telefoon video’s waarop verdovende middelen te zien zijn.18.
6.3.3.
Algemene verweren
De verdediging heeft ook betoogd dat niet aan het bewijsminimum is voldaan omdat het bewijs afkomstig is uit één bron, namelijk de inhoud van de chatberichten. De rechtbank overweegt dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van meerdere gesprekken die verdachte op verschillende tijdstippen, via meerdere communicatiediensten (Encrochat, SkyECC en Signal) en met verschillende gebruikers heeft gevoerd. Daarnaast wordt de inhoud van deze chatgesprekken ondersteund door het versturen van foto’s van witte blokken. Bovendien wordt de inhoud van de afzonderlijke chatgesprekken door de inhoud van andere chatgesprekken ondersteund. Verder worden diverse andere processen-verbaal van politie voor het bewijs gebruikt. Daarmee is dus sprake van meerdere bewijsmiddelen uit meerdere bronnen en is aan het bewijsminimum voldaan. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Dat geldt ook voor het verweer van de raadsman dat het dossier geen laboratoriumrapport bevat op basis waarvan kan worden vastgesteld dat (echte) cocaïne is verhandeld. Het ontbreken van een drugsrapport is het logische gevolg van het feit dat er geen verdovende middelen in beslag zijn genomen. Dat hoeft echter niet zonder meer aan het bewijs voor handel in cocaïne in de weg te staan. Dat de chatberichten gaan over (echte) cocaïne vindt de rechtbank bewezen op basis van de inhoud van de chatgesprekken en de daarin gedeelde foto’s van witte blokken.
De verdediging heeft tenslotte aangevoerd dat de chatgesprekken niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het dossier bevat niet het volledige berichtenverkeer tussen de gebruikers, de informatie is dus beperkt en gemankeerd en daarom niet betrouwbaar. Dit verweer slaagt niet. Dat het dossier niet het volledige berichtenverkeer tussen de gebruikers bevat, betekent niet dat de berichten die wel beschikbaar zijn niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank beoordeelt de bewijswaarde van de berichten per onderdeel van de beschuldiging.
6.3.4.
Feit 1: handel in en aanwezig hebben cocaïne
Op basis van de inhoud van de chatgesprekken die verdachte met de genoemde Encrochat-accounts, Sky-ID’s en de Google Pixel telefoon heeft gevoerd, vindt de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de periode 26 maart 2020 tot en met 1 februari 2022 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne.19.In de chatgesprekken worden foto’s gestuurd van witte blokken, al dan niet met gedrukte stempels en heeft verdachte veelvuldig contact over de aan- en verkoop colo en boli. Van deze begrippen is inmiddels algemeen bekend dat deze worden gebruikt om Colombiaanse en Boliviaanse cocaïne aan te duiden. Ook worden in de gesprekken prijzen van blokken genoemd die overeenkomen met de marktprijs voor een kilo cocaïne.
Uit de chatberichten volgt dat verdachte voor de verkoop, aflevering, het verstrekken en/of vervoeren van cocaïne nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt. Voor het aanwezig hebben van cocaïne ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor medeplegen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Voorwaardelijk verzoek tegengebruikers als getuigen te horen
In geval van bewezenverklaring van feit 1 heeft de raadsman verzocht om de gebruikers van de tegencontacten van de chatgesprekken te horen als getuige. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het horen van deze personen niet noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek.
6.3.5.
Feit 4: (gewoonte)witwassen
De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Gelet op de bewezenverklaring voor betrokkenheid bij cocaïnehandel en de hoeveelheid contante stortingen in dezelfde periode, is er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen voor het gestorte geld, de aangekochte cryptovaluta en het Rolex-horloge. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat in de drugshandel voornamelijk met contant geld wordt betaald. Het is dan aan verdachte om een concrete min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de legale herkomst van het geld, de cryptovaluta en het Rolex-horloge. Verdachte heeft hierover verklaard dat het contante geld afkomstig is uit zijn horecaonderneming en dat hij dat geld in delen op zijn bankrekening heeft gestort om zijn vaste lasten te kunnen betalen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van zijn [zakenpartner] . Hij heeft verklaard dat ongeveer 30% van de bestellingen contant werden betaald en dat zij dat bedrag onderling verdeelden als uitkering van de winst. Met betrekking tot het Rolex-horloge heeft verdachte verklaard dat hij dit een aantal jaren geleden heeft gekocht van het contante geld dat hij uit zijn onderneming ontving. Dit is een concrete min of meer verifieerbare verklaring die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het geldbedrag over een langere periode op de bankrekening is gestort en niet in onevenredige verhouding staat tot de jaarcijfers van de onderneming. Ook betekent het beëindigen van de onderneming op 1 januari 2020 niet zonder meer dat verdachte in de periode daarna niet meer over contant geld uit deze onderneming kon beschikken.
Ten aanzien van de cryptovaluta heeft verdachte verklaard dat hij in maart 2021 op het account van een vriend € 4.008,- heeft gewonnen op een gokwebsite en dat hij dat bedrag aangevuld met geld uit zijn onderneming heeft geïnvesteerd in cryptovaluta. Deze verklaring heeft verdachte onderbouwd met de bevestiging van de winst door de gokwebsite [naam site] , de overschrijving van [naam site] naar de bankrekening van [naam 3] en de overschrijving van [naam 3] naar de bankrekening op naam van verdachte. Ook dit betreft een concrete en verifieerbare verklaring die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Omdat deze verklaringen van verdachte niet door de onderzoeksresultaten van het Openbaar Ministerie worden ontkracht, kan de rechtbank niet vaststellen dat het contante geldbedrag, de cryptovaluta en het Rolex-horloge (on)middellijk afkomstig zijn uit enig (eigen) misdrijf. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van witwassen.
7. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten in de rubrieken 6.3 en 7 zijn weergegeven, bewezen dat verdachte
in de periode van 26 maart 2020 tot en met 1 februari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- in de periode van 26 maart 2020 tot en met 30 maart 2020, 19 blokken cocaïne20., en
- in de periode van 31 maart 2020 tot en met 1 april 2020, 12 blokken cocaïne21., en
- in de periode van 5 april 2020 tot en met 6 april 2020, 22 blokken cocaïne22., en
- in de periode van 7 april 2020 tot en met 8 april 2020, 16 blokken cocaïne23., en
- in de periode van 26 maart 2020 tot en met 30 maart 2020, 5 blokken cocaïne24., en
- in de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 maart 2020, 7,5 blokken cocaïne25., en
- in de periode van 29 maart 2020 tot en met 2 april 2020, een hoeveelheid cocaïne26., en
- in de periode van 29 maart 2020 tot en met 3 april 2020, een hoeveelheid cocaïne27., en
- op 11 juni 2020, 10 blokken cocaïne28., en
- op 22 september 2020, 2 blokken cocaïne29., en
- in de periode van 17 november 2020 tot en met 18 november 2020, 14 blokken cocaïne30., en
- in de periode van 29 december 2020 tot en met 2 januari 2021, 2 blokken cocaïne31., en
- op 12 december 2020, 7 blokken cocaïne32., en
- in de periode van 28 januari 2022 tot en met 30 januari 2022, een hoeveelheid cocaïne33.,
en alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- op 18 juni 2020, 6 blokken cocaïne34., en
- op een tijdstip in de periode van 1 februari 2021 tot en met 2 februari 2021, een hoeveelheid cocaïne35., en
- op 24 januari 2022, een hoeveelheid cocaïne36..
8. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
9. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
10. Motivering van de straf
10.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich - onder verwijzing naar straffen die in andere zaken worden opgelegd - op het standpunt gesteld dat in geval van een bewezenverklaring maximaal drie jaar gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Daarnaast is verzocht het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van gronden dan wel de voorlopige hechtenis bij einduitspraak opnieuw te schorsen voor onbepaalde tijd, zodat verdachte de eventuele procedure in hoger beroep in vrijheid kan afwachten.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende bijna twee jaar schuldig gemaakt aan de handel in en het bezit van cocaïne. Cocaïne is zeer schadelijk voor de volksgezondheid en handel in harddrugs leidt tot allerlei andere vormen van criminaliteit, waaronder zware geweldsmisdrijven. Het is algemeen bekend dat met de handel in harddrugs enorme sommen geld worden verdiend. Dat blijkt ook uit de prijzen die in de chatgesprekken door verdachte worden genoemd voor de aan- en verkoop van blokken cocaïne. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de risico’s van zijn gedrag voor anderen en enkel oog gehad voor zijn eigen snelle financiële gewin.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 juli 2022. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor drugsdelicten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 6 januari 2023. De reclassering constateert enige instabiliteit op het gebied van dagbesteding en de psychische gesteldheid van verdachte. Vanwege zijn ontkennende houding en het ontbreken van relevante documentatie kan echter niet worden beoordeeld of een verband bestaat tussen deze criminogene risicofactoren en het delictgedrag. Daarom ziet de reclassering geen noodzaak voor het inzetten van interventies of een toezicht. .
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank allereerst naar de oriëntatiepunten die de rechtbanken in Nederland hebben vastgesteld. Voor de handel in meer dan 20 kilogram harddrugs, de hoogste categorie in de huidige oriëntatiepunten, is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 50 maanden. Op basis van het in de bewezenverklaring vermelde aantal blokken en de ambtshalve kennis dat met een blok in feite een kilo wordt bedoeld, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte tenminste 122 kilo cocaïne heeft verhandeld en/of aanwezig heeft gehad. Daarom is in deze zaak enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie.
Ook houdt de rechtbank rekening met de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Daarin ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de strafeis van de officier van justitie van 7 jaar gevangenisstraf. De rechtbank vindt het niet passend om voor deze hoeveelheid een straf in de buurt van de maximumstraf van 8 jaar gevangenisstraf op te leggen. In Nederland worden regelmatig verdachten veroordeeld voor de handel in honderden kilo’s cocaïne. Een straf zoals door de officier van justitie is gevorderd, moet worden gereserveerd voor deze nog ernstigere gevallen.
Alles overwegend vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis is vanaf 29 oktober 2022 tot de datum van de einduitspraak geschorst. Niet is gebleken dat verdachte zich in deze periode met criminele zaken heeft bezig gehouden. De rechtbank ziet daarom geen concrete aanwijzingen meer voor het eerder aangenomen recidivegevaar. Bij gebrek aan gronden, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte daarom opheffen.
11. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen en geldbedragen in beslag genomen:
6916,88 EUR (Omschrijving: opbrengst cryptovaluta);
7423,50 EUR (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147470);
4. 8280 EUR (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147500);
5. 1 STK Personenauto, [kenteken] (Omschrijving: PL1300-2021155107
G5838628, grijs, merk: Seat, chassisnummer: [chassisnummer] );
6. 1 STK Horloge (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147615, Rolex);
7. 1 DS Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6170443, 1 Doos met 13 x
2 telefoons, Apple);
8. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147408, Zwart, merk:
Apple);
9. 420 EUR; (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147470; restbedrag).
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de items 1, 2 en 4 t/m 7 en item 9 kunnen worden teruggegeven aan verdachte dan wel de andere rechthebbenden.
Voor de onder item 8 vermelde iPhone heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd, omdat die kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Op de telefoon is geen PGP-software geïnstalleerd en hierop zijn geen gegevens aangetroffen die wijzen op handel in verdovende middelen. Daarom beslist de rechtbank dat ook de telefoon aan verdachte wordt teruggegeven.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.
Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van een in artikel 2 onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd, en
overtreding van het in artikel 2 onder C gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
- -
6916,88 EUR (Omschrijving: opbrengst cryptovaluta);
- -
1 STK Personenauto, [kenteken] (Omschrijving: PL1300-2021155107-G5838628, grijs, merk: Seat, chassisnummer: [chassisnummer] );
- -
1 STK Horloge (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147615, Rolex);
- -
1 DS Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6170443, 1 Doos met 13 x 2 telefoons, Apple);
- -
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147408, Zwart, merk: Apple);
- -
420 EUR; (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147470; restbedrag).
Gelast de teruggave aan [naam 4] van:
8280 EUR (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147500);
Gelast de teruggave aan [naam 5] van:
7423,50 EUR (Omschrijving: PL1300-2021155107-G6147470);
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt en ondertekend.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. P.P.C.M. Waarts en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2023.
[...]
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑07‑2023
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15881694 van 19 januari 2022, p. B8.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B11-B12, onder “Verstrekking data [naam account 1] en [naam account 2] ”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15881694 van 19 januari 2022, p. B8; Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B11-B12, onder “Verstrekking data [naam account 1] en [naam account 2] ”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B12-B13, onder “Communicatie Encro [naam account 2] en [naam account 1] ”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B15-B16, onder “SKY-ECC”.
Een proces-verbaal ter beschikking stelling Argus data, met documentcode 15670562 van 2 december 2021, p. D4-D5, onder “4.2 Onderzoek metadata onderzoek Werl”.
Een proces-verbaal ter beschikking stelling Argus data, met documentcode 15670562 van 2 december 2021, p. D4-D5, onder “4.2 Onderzoek metadata onderzoek Werl”.
Een proces-verbaal ter beschikking stelling Argus data, met documentcode 15670562 van 2 december 2021, p. D4-D5, onder “4.2 Onderzoek metadata onderzoek Werl”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B13, onder “ [naam 1] ”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15810880 van 5 januari 2022, p. B14 (gesprek [naam account 2] en [naam 2] ).
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 16047576 van 2 maart 2022, p. B22, onder “SKY-ID [sky-ID 3] – [IMEI-nummer] ”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15882294 van 19 januari 2022, p. 23, onder “Travel Information Platform (TRIP)”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 16051410 van 2 maart 2022, p. B26.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 16051410 van 2 maart 2022, p. B26-B27.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15967758 van 7 februari 2022, p. 75.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 558 van 7 juli 2022, p. 98 onder “Vaststellen gebruiker”.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 558 van 7 juli 2022, p. 102-107.
Zie de bewijsmiddelen in de voetnoten 22 tot en met 38.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15869030 van 17 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 4] ), p. B1-2, 2020-03-26 21:20:24-23:39:42; p. B1-6, 2020-03-29 17:10:03 – 2020-03-30 18:08:35.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15869030 van 17 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 4] ), p. B1-6 tot B1-8, 2020-03-31 19:19:33 – 20:41:08; 2020-04-01 07:43:43 – 07:49:32.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15869030 van 17 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 4] ), p. B1-8, 2020-04-05 17:02:39 – 19:09:05; p. B1-12, 2020-04-06 07:25:07 – 08:20:50.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15869030 van 17 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 4] ), p. B1-12 en B1-13, 2020-04-07 18:12:51 – 21:31:46; 2020-04-08 09:38:52; p. B15, 2020-04-08 11:14:00; p. B1-17, 2020-04-08 14:16:09 – 14:51:08.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15835143 van 10 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 5] ), p. B1-53, 2020-03-27 13:16:54 – 13:26:09; p. B1-54, 2020-03-27 15:53:21 – 18:36:29; B1-55, 30-3-2020 17:25:19 – 17:26:39.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15839356 van 11 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 6] ), p. B1-65, 2020-03-31 10:30:50 – 16:47:51.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15860173 van 14 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 7] ), p. B1-81, 2020-03-29 17:10:27 – 20:54:27; p. B1-83 en B1-84, 2020-04-02 12:01:11 – 21:42:31.
Een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 15861359 van 14 januari 2022 ( [naam account 2] vs. [naam account 8] ), p. B1-90 en B1-91, 2020-03-31 18:18:27 – 19:21:47; p. B1-92, 2020-04-03 16:17:57 – 19:04:33.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15879084 van 18 januari 2022 ( [naam account 1] vs. [naam account 3] ), p. B2-31 tot B2-34, 2020-06-11 12:19:18 – 15:20:07.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15860049 van 13 januari 2022 ( [sky-ID 1] vs. [sky-ID 4] ), p. D1-20, 2020-09-22 12:06:56 – 16:27:20.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15764570 van 22 december 2021 (Groepschat [sky-ID 1] , [sky-ID 5] en [sky-ID 6] ), p. D2-10, 2020-11-17 17:42:42 – 18:02:43; p. D2-11 tot D2-14, 2020-11-17 18:53:34 – 2020-11-18 15:54:50.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15740319 van 12 januari 2022 ( [sky-ID 1] vs. [sky-ID 7] ), p. D2-27, 2020-12-29 11:14:50 – 2021-01-01 22:32:20; p. D2-29, 2021-01-02 13:25:52 – 13:36:06; p. D2-30, 2021-01-02 13:43:00 – 18:37:23.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15777130 van 25 december 2021 ( [sky-ID 1] vs. [sky-ID 8] ), p. D2-56, 2020-12-12 13:48:49 – 13:59:59; p. D2-57, 2020-12-12 16:44:46 – 17:18:22.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 558 van 7 juli 2022 (Uitlezen Google telefoon [goednummer] , chatgesprek Owner vs. [naam 6] ), p. 116-118, 29-1-2022 16:37:59 – 18:37:56.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 15772438 van 23 december 2021 ( [sky-ID 3] vs. [sky-ID 9] ), p. D1-32, 2020-06-18 16:28:54.
Een proces-verbaal van bevindingen, documentcode 15757926 van 12 januari 2022 ( [sky-ID 2] vs. [sky-ID 10] ), p. D3-3, 2021-02-01 22:06:08 – 2021-02-02 19:20:45.
Een proces-verbaal van bevindingen, met documentcode 558 van 7 juli 2022 (Uitlezen Google telefoon [goednummer] , chatgesprek Owner vs. [initialen] ), p. 135, 24-1-2022 17:16:21 – 17:36:31.
Uitspraak 28‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Sky-ECC/Encrochat. Beslissingen op onderzoekswensen. Verzoek tot aanhouding in afwachting prejudiciële vragen rb Noord-Nederland afgewezen. Verzoek tot stellen prejudiciële vragen afgewezen. Jurisprudentie uit Frankrijk en Italië geen reden tot herbeoordeling eerder genomen beslissingen.
proces-verbaal
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/230471-21
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken op 28 oktober 2022.
Tegenwoordig zijn:
mr. M. Smit, voorzitter,
mr. E. Slager en mr. J. van Zijl, rechters en
mr. D. Middelburg, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. F.R. Bons, officier van justitie.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
Verdachte antwoordt op de vragen van de voorzitter, gesteld ten behoeve van het vaststellen van de identiteit van verdachte, te zijn:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in Amsterdam,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op wat hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
Alle verklaringen in dit proces-verbaal zijn een zakelijke weergave van wat er is verklaard.
De officier van justitie draagt de tenlastelegging voor, maakt melding van de vordering tot ontneming en van het klassiek en conservatoir beslag.
De voorzitter deelt mede welke stukken de rechtbank voorafgaande aan de zitting heeft ontvangen. Deze stukken zijn als bijlagen aan dit proces-verbaal gehecht. De raadsman heeft zijn onderzoekswensen inclusief bijlagen op 24 oktober 2022 aan de rechtbank en de officier van justitie doen toekomen (bijlage I). Deze onderzoekswensen zijn deels herhaalde verzoeken waarvan de raadsman herbeoordeling verzoekt op grond van recente buitenlandse jurisprudentie. De officier van justitie heeft zijn reactie op de onderzoekswensen op 25 oktober 2022 aan de rechtbank en de raadsman verzonden (bijlage II). Op 26 en 27 oktober 2022 heeft de officier van justitie zijn standpunt per e-mail aangevuld (bijlage III). De verdediging en de officier van justitie stemmen in met het voorstel van de voorzitter om de inhoud van deze stukken als voorgehouden te beschouwen. Zij krijgen allebei nog een termijn om op elkaars standpunten te reageren.
De raadsman voert het woord:
De reden dat ik kort voor de inhoudelijke behandeling deels herhaalde onderzoekswensen heb ingediend zijn nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot Encrochat en SkyECC. Het Franse Hof van Cassatie heeft op 11 oktober 2022 geoordeeld dat Encrochat niet als bewijs kan worden gebruikt, althans niet voordat er meer duidelijkheid is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt met zich dat moet worden vertrouwd op de uitspraak van de Franse rechter. Hetzelfde probleem speelt mogelijk ook voor SkyECC.
In het kader van de rechtsbescherming moet worden getoetst of het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen. Daarvoor is van belang dat het bewijsmateriaal betrouwbaar is. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 juni 2022 blijkt dat een derde van de Encrochat-berichten niet leesbaar is. In het geval van SkyECC is onbekend hoeveel berichten onleesbaar zijn, maar zijn er vermoedens dat het de helft betreft. Mogelijk zijn dus berichten weggevallen waaruit een andere interpretatie van gesprekken blijkt. De verdediging wil daarom de betrokken verbalisanten en officieren van justitie vragen stellen over de volledigheid van de berichten.
Ik stel mij op het standpunt dat uw rechtbank alle onderzoekswensen kan toewijzen. Indien u twijfelt over de vraag hoe met de materie moet worden omgegaan, verzoek ik u daarover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Ik verwijs daarvoor naar mijn schriftelijke standpunt. In het belang van de rechtseenheid verzoek ik ook de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbank Leeuwarden door de Hoge Raad af te wachten. Verschillende rechtbanken hebben om die reden de behandeling van zaken aangehouden. Daarnaast heeft een rechtbank in Duitsland prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. In mijn schriftelijke standpunt heb ik uiteengezet waarom ik vind dat de beantwoording daarvan ook moet worden afgewacht. Bovendien heb ik zelf prejudiciële vragen aan het Hof geformuleerd.
De officier van justitie voert het woord:
Mijn primaire standpunt is dat niet aan rechtsvergelijking wordt gedaan. De kennis om een vergelijking te maken met Franse en Italiaanse rechtspraak ontbreekt. Subsidiair is mijn standpunt dat de Franse en de Italiaanse uitspraak niet kunnen leiden tot het oordeel dat er iets mis is met de vergaring van de PGP-data. Het Franse Hooggerechtshof heeft niet geoordeeld dat de Encrochat-data onrechtmatig zijn verkregen. Het heeft de zaak terugverwezen om het ‘certificaat van oprechtheid’ te laten voegen. De cassatiemiddelen met betrekking tot de rechtmatigheid zijn niet gehonoreerd. De PGP-data zijn rechtmatig verkregen in een Frans onderzoek onder leiding van Frankrijk.
Daarnaast is onduidelijk welk belang van verdachte is geschonden. De verdediging heeft allerlei verzoeken en verweren met betrekking tot de PGP-data, maar verdachte heeft niet verklaard dat hij de gebruiker van de accounts is. Verdachte zwijgt.
De rechtbank Leeuwarden heeft het voornemen geuit om prejudiciële vragen te stellen. Ik zie geen reden om de behandeling van de zaak hiervoor aan te houden. De rechtbank Amsterdam heeft gisteren in onderzoek Amirante bekendgemaakt geen reden tot heropening van de zaak te zien. De rechtbank Den Haag heeft de behandeling in onderzoek Taxus ook niet aangehouden om de beantwoording van eventuele prejudiciële vragen af te wachten. Ik verzet mij dan ook tegen aanhouding van de zaak.
De voorzitter deelt met betrekking tot onderzoekswens 6 mede dat in het proces-verbaal van bevindingen op pagina D1 t/m D6 van het procesdossier staat dat de rechter-commissaris op 1 december 2021 aanvullende toestemming heeft gegeven. De voorzitter vraagt de officier van justitie naar zijn standpunt omtrent het verzoek van de verdediging om voeging van deze aanvullende toestemming in het dossier.
De officier van justitie voert het woord:
In een op ambtseed opgesteld proces-verbaal staat dat de rechter-commissaris aanvullende toestemming heeft verleend. Dit proces-verbaal is voldoende. Er is niets op tegen om daarnaast de aanvullende toestemming in het dossier te voegen. Echter, de raadsman komt nu voor het eerst met dit verzoek, terwijl de omstandigheden ten opzichte van eerdere zittingen niet zijn gewijzigd.
De voorzitter vraagt de raadsman waarom het verzoek niet eerder is ingediend.
De raadsman voert het woord:
Aanvankelijk was het idee dat het onderzoek naar SkyECC een Frans onderzoek was. Later bleek dat Nederland heeft aangestuurd op het onderzoek, de tool heeft ontwikkeld en de servers na inbeslagname naar Nederland heeft laten brengen om deze hier uit te lezen. Ook is gebleken dat Nederland informatie aan Frankrijk heeft verstrekt die niet klopte. Door deze ontwikkelingen vind ik dat er kritischer moet worden getoetst. Daarom heb ik op dit punt een aanvullend verzoek gedaan.
De oudste rechter merkt op dat de raadsman heeft verzocht om de aanvullende toestemming met betrekking tot het onderzoek van de SkyECC-data en dat een soortgelijk verzoek niet is gedaan ten aanzien van de Encrochat-data.
De raadsman voert het woord:
De vragen die over SkyECC worden gesteld zullen ook moeten worden beantwoord met betrekking tot Encrochat.
De voorzitter vraagt wat de raadsman verstaat onder de ‘volledige SkyECC dataset’, zoals verwoord in onderzoekswens 8.
De raadsman voert het woord:
Ik verzoek om inzage in de data van alle contactpersonen die in dit strafdossier voorkomen. Het gaat dus om de chats van de tegencontacten. Daarmee bedoel ik de accounts waarmee is gecommuniceerd door de Sky-ID’s die aan cliënt worden toegerekend. De reden voor het verzoek is dat ik de volledigheid van de data wil toetsen. Ik kan daarvan een beter beeld krijgen als ik de chats van de tegencontacten in kan zien. Daarnaast kan het dienen ter onderbouwing van mijn verweer dat de Sky-ID’s in dit strafdossier ten onrechte aan cliënt worden toegerekend.
De officier van justitie voert het woord:
De gehele Encrochat- of SkyECC-dataset wordt nooit verstrekt en is niet van belang voor de beantwoording van een van de vragen van artikel 348 of 350 van het Wetboek van Strafvordering. Uitgangspunt is dat alleen inzage wordt verstrekt in de eigen lijnen. Dat is hier ook gebeurd en de verdediging is daar op de vorige zitting mee akkoord gegaan. Er is geen verzoek gedaan om een specifiek chatgesprek te voegen in het dossier. Primair vind ik dat het verzoek moet worden afgewezen. Indien de rechtbank het verzoek wel toewijst, kan inzage in de secundaire dataset worden verleend.
De oudste rechter vraagt de officier van justitie wat de secundaire dataset meer omvat dan de eigen lijnen.
De officier van justitie voert het woord:
De chats in het procesdossier zijn de processtukken. De gehele dataset waar de raadsman om verzoekt is alles waar de politie in heeft gezocht en de relevante gesprekken uit heeft geselecteerd. Volgens mij zijn alle beschikbare data al aan de verdediging verstrekt.
Verdachte verklaart:
U, voorzitter, vraagt mij of ik iets wil zeggen voordat de rechtbank op de onderzoekswensen beslist. Ik sluit mij volledig bij mijn advocaat aan. Op uw vraag of de accounts van mij zijn, antwoord ik: nee, de accounts zijn niet van mij.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraadslaging door de rechtbank.
De voorzitter hervat het onderzoek in de stand waarin het zich voor de onderbreking bevond.
De voorzitter deelt mede dat de officier van justitie tijdens de onderbreking per e-mail een brief aan de rechtbank en de raadsman heeft verstrekt. Deze brief is als bijlage IV aan dit proces-verbaal gehecht. De voorzitter vraagt de officier van justitie om een toelichting.
De officier van justitie voert het woord:
Ik heb zojuist de brief met het officiële standpunt van het Openbaar Ministerie ontvangen en aan u verstrekt. Het standpunt is vastgesteld door de recherche officieren van justitie van het Landelijk parket en zaaksofficieren van justitie van de onderzoeken Argus en 26Lemont. Het sluit aan bij wat ik eerder heb ingebracht. Ik vraag u de brief van het Openbaar Ministerie mee te nemen in uw beslissing.
De voorzitter deelt mede dat zij uit de toelichting van de officier van justitie opmaakt dat de brief in lijn is met het standpunt dat de officier van justitie op deze zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot nadere beraadslaging in raadkamer. De raadsman laat daarop weten geen behoefte te hebben om te reageren op de brief.
De voorzitter deelt de volgende beslissingen van de rechtbank mee:
De rechtbank wijst toe het verzoek (genummerd onder 6), zoals ter zitting aangevuld, tot voeging van de aanvullende toestemmingen van de rechter-commissaris om de Encrochat- en SkyECC-data in onderhavige zaak te gebruiken. De processen-verbaal van bevindingen op pagina’s B1 t/m B7 en D1 t/m D6 van het procesdossier beschrijven op basis van welke informatie de rechter-commissaris aanvullende toestemming heeft verleend voor het gebruik van de Encrochat- en SkyECC-data. Uit die processen-verbaal blijkt dat de rechter-commissaris in beide gevallen op 1 december 2020 aanvullende toestemming heeft verleend. De rechtbank bepaalt dat zij van de rechters-commissarissen informatie wenst te krijgen waarin wordt bevestigd dat er inderdaad aanvullende toestemming is gevraagd en dat die toestemming is verleend. Het wordt aan de rechters-commissarissen gelaten op welke wijze aan deze informatieverstrekking invulling wordt gegeven.
De rechtbank wijst af het verzoek om de beslissingen van 9 augustus 2022 tot afwijzing van de verzoeken genummerd onder 1, 9, 10, 11 en 12 te herbeoordelen. De rechtbank deelt de uitleg die de verdediging aan de aangehaalde Franse en Italiaanse rechtspraak geeft en de conclusies die hij daaraan verbindt niet. Naar het oordeel van de rechtbank geven deze uitspraken dan ook geen aanleiding tot herbeoordeling van de eerder genomen beslissingen.
De rechtbank wijst af het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet daar op dit moment geen aanleiding toe.
De rechtbank wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in afwachting van de uitkomst van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (van de rechtbank Leeuwarden) of het Hof van Justitie van de Europese Unie (van de rechtbank in Duitsland). De recente ontwikkelingen rondom de prejudiciële vragen geven op dit moment onvoldoende aanleiding om de behandeling van de zaak daarvoor aan te houden.
De rechtbank wijst af het verzoek (genummerd onder 2) tot het horen van de Franse rechter-commissaris, Franse officier van justitie en teamleider van het Franse Skyteam over het certificaat van oprechtheid. De onderbouwing van het verzoek is gegrond op de betekenis die de verdediging geeft aan het arrest van het Franse Hof van Cassatie. De rechtbank verwijst naar wat hierover onder 2 is overwogen.
De rechtbank wijst af het verzoek (genummerd onder 3) tot het horen van de verbalisanten [verbalisant] en R824. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank wijst af het verzoek (genummerd onder 4) om inzage in de volledige BOB- en zaaksdossiers in de zaken Yucca, Werl en Argus. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd waarom inzage van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank wijst af het verzoek (genummerd onder 5) om de processen-verbaal van bevindingen omtrent de Nederlandse ondersteuning bij de uitvoering van de Nederlandse EOB’s en de JIT-overeenkomst. De rechtbank ziet niet waarom de verzochte processen-verbaal van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de data, zoals de verdediging heeft aangevoerd.
De rechtbank wijst af het verzoek (genummerd onder 8) tot inzage in de dataset van de tegencontacten van de Encrochat- en SkyECC-accounts die aan verdachte worden toegeschreven. Vooralsnog is onduidelijk of de data waarom wordt verzocht beschikbaar zijn. Daarnaast is niet gebleken dat inzage van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter deelt, na een korte onderbreking, mede dat de zaak vandaag niet meer inhoudelijk zal worden behandeld. De reden daarvoor is dat voor deze zaak een dagdeel is gereserveerd en de bespreking van de onderzoekswensen en het nemen van de beslissingen daarop de hele ochtend in beslag hebben genomen. Daarnaast geldt dat de officier van justitie heeft aangegeven dat de aanvullende toestemmingen (zie punt 1 hierboven) niet aanstonds in het dossier kunnen worden gevoegd. Ook dat staat in de weg aan een inhoudelijke behandeling vandaag.
De griffier belt op verzoek van de voorzitter met de verkeerstoren om te informeren naar een mogelijke nieuwe zittingsdatum. De eerstvolgende mogelijkheid is 6 januari 2023. De raadsman geeft aan dat hij niet beschikbaar is op deze datum.
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid een standpunt in te nemen over de voorlopige hechtenis.
De raadsman voert het woord:
Er zijn geen ernstige bezwaren voor witwassen. Cliënt heeft een concrete en onderbouwde verklaring bij de rechter-commissaris afgelegd over de legale herkomst van het vermogen waar de verdenking op ziet. Het Openbaar Ministerie kan deze verklaring nader onderzoeken. Cliënt heeft een bedrijf gehad en maakte jaarlijks tussen de € 70.000 en € 90.000,- winst. De inkomsten op de rekening werden gebruikt om de vaste lasten te betalen. De contante inkomsten werden als winst uitgekeerd aan cliënt en zijn bedrijfspartner. Cliënt heeft vervolgens het geld op zijn rekening gestort en uitgegeven. Uit de verkoop van het bedrijf heeft cliënt € 25.000,- contant uitbetaald gekregen. De verklaring van de getuige [getuige] ondersteunt de verklaring van cliënt.
Ook ontbreken de ernstige bezwaren voor de drugsfeiten. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 september 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:5151) een verdachte vrijgesproken omdat de rechtbank vindt dat een bewezenverklaring niet alleen kan rusten op SkyECC-berichten zonder andere feiten en omstandigheden die deze berichten ondersteunen. Ik vind dat een terecht oordeel. Alleen op basis van de berichten kun je niet vaststellen of het gaat om drugs. In deze strafzaak kan dan ook niet langer worden volgehouden dat het gaat om harddrugs.
Bovendien is de toerekening van de Encrochat- en SkyECC-accounts aan cliënt te mager om ernstige bezwaren aan te nemen. Geen van de PGP-toestellen zijn bij cliënt aangetroffen. Niemand heeft een rechtstreeks belastende verklaring afgelegd. Er wordt niet gesproken over verjaardagen waaruit zou kunnen blijken wie de gebruiker van de accounts is. De bijnamen kunnen ook niet aan cliënt worden gekoppeld. Ook is de stemherkenning door de verbalisant onvoldoende. Stemherkenning kan niet worden gedaan door een agent die constateringen doet op zijn eigen subjectieve manier. De spraakfragmenten aan de hand waarvan de herkenning is gedaan zijn bovendien niet langer dan een minuut.
De herhalingsgrond kan niet worden aangenomen. Het gerechtshof Den Bosch is zeer kritisch over de voorlopige hechtenis en geeft regelmatig aan dat de herhalingsgrond na verloop van tijd afneemt. In de literatuur wordt ook kritiek geleverd op de toepassing van de herhalingsgrond in het licht van de rechtspraak van het EHRM. Het komt erop neer dat je de herhalingsgrond niet kunt aannemen zonder concreet strafblad. In het geval van cliënt geldt bovendien dat zijn omgeving weet van het strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Personen die buiten het zicht van justitie willen blijven zullen afstand van hem houden. Cliënt kan opnieuw aan het werk bij de heer [getuige] . De familie van cliënt is zeer betrokken en zal extra op hem letten.
Mocht u het anders zien, dan verzoek ik de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan de einduitspraak. Ik verzoek u rekening te houden met artikel 5 van het EVRM. Een verdachte heeft recht op tijdige berechting en het uitgangspunt is dat de berechting in vrijheid mag worden afgewacht. Zelfs in drugszaken waarin de twaalfjaarsgrond is aangenomen wordt na verloop van tijd geschorst. Er zijn voldoende redenen voor een schorsing: het ging en gaat psychisch niet goed met cliënt in detentie, hij kan als hij uit detentie komt aan het werk en daarnaast is nog onduidelijk wanneer de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
Verdachte verklaart:
U, voorzitter, vraagt hoe het met mij gaat.
Ik zit inmiddels al een jaar in voorlopige hechtenis. Ik heb het zwaar gehad. Ik ben in verwarde toestand aangehouden en op de crisisafdeling opgenomen. Lange tijd ben ik met mijzelf in gevecht geweest, omdat ik niks met deze zaak te maken heb. Uiteindelijk ben ik naar een andere zorgafdeling overgeplaatst waar ik langzamerhand heb kunnen opkrabbelen, maar ik ben er nog niet helemaal. Ik heb veel hulp en steun van mijn familie. Dat heb ik nodig. Ik vraag u dan ook mij weer bij mijn familie te laten zijn. Ik woon thuis bij mijn ouders en zussen. Ik wil de uitkomst van mijn strafproces thuis afwachten, dat is beter voor mijn gezondheid. Als ik vrijkom wil ik eerst zorgen dat ik mentaal weer helemaal in orde ben. Daarna wil ik weer aan het werk.
De oudste rechter vraagt mij hoe ik denk over begeleiding vanuit de reclassering.
Ik sta daarvoor open. Ik ben in april niet in gesprek met de reclassering gegaan omdat ik in zeer verwarde toestand was. Ik wist niet wat ik zei.
De officier van justitie voert het woord:
De ernstige bewaren zijn aanwezig. De processen-verbaal met betrekking tot de identificatie van verdachte als gebruiker van de Encrochat- en SkyECC-accounts zijn zeer overtuigend. De identificatie berust op meer dan bijnamen. Zo is verdachte door het onderzoeksteam via zijn zus gewaarschuwd om [persoon] niets aan te doen en spreekt ‘ [bijnaam 1] ’ daar diezelfde dag over op Encrochat. Ook wordt op enig moment gesproken over de verjaardag van verdachte. Vervolgens is er het gesprek tussen [bijnaam 1] en [bijnaam 2] , waarin [bijnaam 1] zegt dat hij thuis is en dat hij er binnen 1 minuut is. Er wordt een foto gestuurd van [adres] in Amsterdam, waar verdachte woont. Verder blijkt uit de historische verkeersgegevens dat de PGP-telefoons zich telkens op dezelfde plaats bevinden als waar verdachte pintransacties doet. Als verdachte zich op basis van gegevens van het Travel Information Platform (TRIP) in Spanje blijkt te vinden, bevindt de telefoon zich ook in Spanje. Ook zijn er de Signal-berichten op de Google Pixel telefoon die bij verdachte is aangetroffen, waarin over drugs wordt gesproken.
Het feit dat er geen cocaïne bij verdachte is aangetroffen, staat niet aan bewezenverklaring in de weg. In de Encrochat- en SkyECC-berichten worden prijzen genoemd die overeenkomen met de prijzen voor cocaïne. Er worden foto’s gestuurd van blokken. Ook blijkt dat iemand het test en zegt dat het goed spul is. Het gaat om cocaïne. Het bewijs volgt niet slechts uit één proces-verbaal, maar uit vele gesprekken en berichtenwisselingen. Bovendien zijn de gesprekken niet alleen gevoerd via SkyECC, maar ook via Encrochat en Signal.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij en verdachte van 2018 tot eind 2021 een hamburgerzaak hebben gehad. De onderneming is echter begin 2020 al opgeheven. Verdachte heeft in de jaren na de opheffing van de hamburgerzaak € 23.000,- euro op zijn rekening gestort, waarvan hij zegt dat het de opbrengst uit de verkoop van de onderneming is. Het is de vraag waarom hij dat bedrag in 24 losse transacties zou storten. Ook heeft verdachte geen verklaring voor de Rolex gegeven. Verdachte is in de onderzoeksperiode geobserveerd. Hij was een groot deel van de tijd in Marokko en in Nederland reed hij voornamelijk ’s nachts rond met zijn auto. Hij was dus geen hamburgers aan het bezorgen. Ik zie niets wat op een legale inkomstenbron wijst.
De herhalingsgrond is onverkort van toepassing. Verdachte heeft zich tot op de dag van de aanhouding met grootschalige cocaïnehandel beziggehouden. Op Encrochat heeft ‘ [bijnaam 1] ’ gezegd dat hij 100 tot 200 blokken per week omzet, hoewel dat niet ten laste is gelegd. Verdachte had geen legale dienstbetrekking. Verdachte toont geen spijt en ontkent of zwijgt.
Het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen. Het strafvorderlijk belang weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte. Ik stel mij op het standpunt dat het herhalingsgevaar niet door voorwaarden kan worden ondervangen. Mocht uw rechtbank daar anders over denken dan stel ik mij subsidiair op het standpunt dat kan worden gedacht aan voorwaarden als een meldplicht en locatiegebod voor ’s nachts met elektronische monitoring, omdat verdachte vaak ’s nachts actief was.
Verdachte heeft aangegeven dat hij met de reclassering wil spreken. Ik zal de reclassering vragen een reclasseringsrapport op te stellen voor de inhoudelijke behandeling.
De raadsman voert het woord:
Anders dan de officier van justitie zegt is verdachte niet uitgebreid geobserveerd. Daarnaast betekent mede-eigenaar van een fastfoodzaak zijn niet dat je de hele dag hamburgers aan het bakken bent. Het is te kort door de bocht om te stellen dat cliënt niet werkte. Verdachte heeft het contante geld in kleinere transacties gestort omdat de bank anders vragen zou gaan stellen. Daar is niets mis mee.
Met betrekking tot het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis merk ik op dat cliënt belang heeft bij verdragsconforme toepassing van de voorlopige hechtenis. De uitspraken die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van Nederland heeft gedaan moeten serieus worden genomen. Mogelijke schorsingsvoorwaarden zijn melden bij de politie en het inleveren van het paspoort.
De voorzitter stelt verdachte in de gelegenheid iets te zeggen voordat de rechtbank een beslissing neemt over de voorlopige hechtenis. Verdachte geeft aan dat hij niets heeft toe te voegen.
Nadat de rechtbank in raadkamer heeft beraadslaagd, deelt de voorzitter de volgende beslissingen van de rechtbank mee.
De rechtbank wijst af het verzoek tot het opheffen van het bevel tot voorlopige hechtenis. De ernstige bezwaren en de herhalingsgrond, zoals in eerdere beslissingen gemotiveerd, zijn nog onverkort aanwezig. De verklaringen van verdachte en getuige [getuige] nemen de ernstige bezwaren voor witwassen nog niet weg. Het is verder aan de rechtbankcombinatie die de zaak inhoudelijk behandelt om te beoordelen welke betekenis aan de verklaringen moet worden gegeven.
De rechtbank wijst toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk van dit proces-verbaal geminuteerd. De persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat de zaak niet op korte termijn inhoudelijk zal kunnen worden behandeld, maken dat op dit moment het persoonlijk belang van verdachte om zijn zaak in vrijheid af te wachten zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang om verdachte in voorlopige hechtenis te houden.
De rechtbank schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.
De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen een nader te bepalen dag en tijdstip.
De rechtbank bepaalt dat voor de behandeling van de zaak op de volgende zitting ten minste 210 minuten dienen te worden gereserveerd.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.