Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.2.1.1
6.2.1.1 Het recht van reclame
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90765:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1.
MvA I Inv.,Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1262-1266.
HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank); HR 12 juni 1970, NJ 1971, 203 (Philippens/OMSA); HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (Hoogovens/Matex).
HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank).
Zie hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.1.1. Vgl. MvA. IInv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1332; Steneker 2012, nr. 35, 42; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/ 760, 770; Snijders & Rank-Berenschot 2017/ 531, 533-534.
Het Nederlandse recht geeft de leverancier de bevoegdheid om de door hem overgedragen zaken te reclameren indien de koper de koopprijs niet betaalt. Het reclameren heeft tot gevolg dat de koper zijn eigendom verliest (art. 7:39 lid 1 BW). Het recht van reclame heeft goederenrechtelijk effect. De zaken kunnen in de periode tussen de overdracht van de zaken en het inroepen van het recht van reclame echter door de koper zijn verpand aan een andere schuldeiser. Art. 7:39 lid 1 BW bepaalt voor dit geval dat de leverancier het recht van reclame mede kan inroepen jegens de rechtsverkrijgers van de koper, waaronder begrepen pandhouders, en dat zij hun rechten op de zaak eveneens verliezen.1
De wetgever acht het echter billijk om de pandhouder te goeder trouw te beschermen tegen de uitoefening van het recht van reclame.2 Daarom kent de wet een regel van derdenbescherming in art. 7:42 lid 2 BW. Voor een geslaagd beroep op derdenbescherming is ten eerste vereist dat de schuldeiser een vuistpandrecht op de zaak heeft, want de zaak mag niet ‘in handen van de koper’ zijn gebleven volgens art. 7:42 BW. Daarnaast dient hij te goeder trouw te zijn op het moment van vestiging van het vuistpandrecht of, indien een vuistloos pandrecht is gevestigd, op het moment dat hij de zaken in vuistpand neemt. Hij is te goeder trouw indien hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het reclamerecht zou worden uitgeoefend. Dit is een codificatie van rechtspraak van de Hoge Raad.3 De Hoge Raad overwoog dat deze invulling van de goede trouw volgt uit ‘het verkeersbelang dat naast de overwegingen van redelijkheid en billijkheid ten grondslag ligt aan de derdenbeschermingsbepalingen.4 Aangezien de zaken meestal vuistloos worden verpand en pas in vuistpand worden genomen nadat de pandhouder wetenschap heeft gekregen van de slechte financiële situatie van de pandgever, moet hij op dat moment redelijkerwijs niet behoeven te verwachten dat het recht van reclame wordt uitgeoefend. Hiervan is niet zonder meer sprake. Of en zo ja, in welke mate de pandhouder in dat geval onderzoek moet doen, hangt af van de omstandigheden van het geval.5 Blijkt de pandhouder vervolgens redelijkerwijs niet te hoeven verwachten dat het reclamerecht wordt uitgeoefend, dan slaagt het beroep op derdenbescherming en herkrijgt de leverancier weliswaar de eigendom van de zaak, maar is deze wel bezwaard met een derdenpandrecht.