Einde inhoudsopgave
De beveiliging van persoonsgegevens (O&R nr. 135) 2022/4.3.2
4.3.2 OESO-richtlijnen
mr. J.A. Hofman, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. J.A. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS660857:1
- Vakgebied(en)
Privacy (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Howard Patrick 1981 voor meer informatie over deze richtlijnen.
De OESO-richtlijnen zijn in 2013 herzien (OESO-guidelines Governing The Protection of Privacy and Transborder Flows of Personal Data (9 september 2013)). Omdat deze herziening geen gevolgen heeft gehad voor de beveiligingsnorm, ga ik niet op haar in. Binnen de EU hebben de OESO-richtlijnen, gezien haar werking en de van toepassing wording van de AVG, geen relevantie meer. Doordat de OESO echter ook niet-Europese leden heeft, zijn de OESO-richtlijnen nog steeds relevant.
De OESO-richtlijnen omvatten meer dan slechts deze beginselen. Zo bepalen zij ook hoe ze moeten worden geïmplementeerd. Het materieelrechtelijke deel wordt echter vormgegeven aan de hand van deze beginselen. Gezien de doelstelling van dit hoofdstuk, beperk ik mij tot een bespreking hiervan.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 2.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 19-20 en woord vooraf.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 6. Dit minimumniveau kan worden aangevuld met extra regels ter bescherming van de privacy.
OESO-richtlijnen 1980, explanatory memorandum, pt. 25 (‘while accepting certain restrictions to free transborder flows of personal data, they (de richtlijnen) seek to reduce the need for such restrictions and thereby strengthen the notion of free information flows between countries’. Zie ook Tzanou 2017, §1.II.A.i.
OESO-richtlijnen 1980, voorwoord. Wel beoogt de OESO dit te doen ‘while upholding such human rights’.
Cuijpers 2004, §5.2.2. Zie verder OESO-richtlijnen 1980, nr. 7 en 25.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 6 en 19. Leden mogen aanvullende maatregelen ter waarborging van de privacy treffen. Nederland heeft overigens geen regeling aangenomen als reactie op de OESO-richtlijnen.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 18, OESO-richtlijnen 1980, Explanatory memorandum, pt. 68. Naleving van de door de Raad van Europa geformuleerde acht beginselen is daarbij voldoende voor de waarborging van een minimumniveau van gegevensbescherming.
OESO-richtlijnen, Explanatory memorandum, pt. 37.
OESO-richtlijnen 1980, nr. 11 (‘reasonable security safeguards’).
OESO-richtlijnen 1980, Explanatory memorandum, pt. 56 (‘such safeguards include…’).
OESO-richtlijnen 1980, Explanatory memorandum, pt. 56. Niet wordt gespecificeerd waarvan de vertrouwelijkheid moet worden gewaarborgd. Zie t.a.v. vertrouwelijkheid en gegevensbescherming §3.3.2.
OESO-richtlijnen (23 september 1980), nr. 14 jo. nr. 1 sub a.
Zie t.a.v. deze resoluties §2.2.3.2.
In 1980, zeven resp. vijf jaar nadat de Raad van Europa de hierboven besproken resoluties in 1973 en 1975 vaststelde, presenteerde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) haar ‘Guidelines on the Protection of Privacy and Transborder Flows of Personal Data’.1 Ook uit deze richtlijnen, die ook tegenwoordig nog (in aangepaste vorm) gelden,2 volgen enkele privacybeginselen die nationale wetgevers dienen te waarborgen.3 Deze beginselen moeten onder meer de misbruik en openbaarmaking van gevoelige data voorkomen en datasubjecten rechten geven ten aanzien van gegevens die over hen gaan.4 De richtlijnen zijn niet bindend.5
Net als de privacy-resoluties van de Raad van Europa zijn de OESO-richtlijnen bedoeld om een minimumniveau van gegevensbescherming te creëren en gegevensbeschermingsregimes gelijk te trekken.6 Het verschil met de resoluties van de Raad is dat aan de OESO-richtlijnen nadrukkelijk economische redenen ten grondslag liggen.7 De richtlijnen dienen er in het bijzonder toe de barrières voor het grensoverschrijdende verkeer van persoonsgegevens weg te nemen, en zo verstoringen van de economie te voorkomen.8 Dit verschil is te verklaren vanuit de doelstellingen van enerzijds de Raad van Europa en anderzijds de OESO. Deze laatste is primair gericht op economische samenwerking, terwijl de Raad zich vooral bezighoudt met fundamentele rechten en vrijheden. Overigens zijn grondrechten in dit kader van de OESO-richtlijnen wel van belang: om de economische doelstellingen te bereiken bevatten deze richtlijnen een internationale consensus over de verhouding tussen het fundamentele recht op privacy en het voorkomen van een belemmering van het vrije grensoverschrijdende verkeer van persoonsgegevens.9
Voor wat betreft de inhoud van de OESO-richtlijnen zijn in het bijzonder de privacybeginselen van belang. Nationale wetgevers worden verzocht deze minimumstandaarden in hun (al dan niet nog in te voeren) gegevensbeschermingsrecht te implementeren.10 Verder worden zij ontmoedigd om het grensoverschrijdende gegevensverkeer verder te beperken dan nodig is om het recht op privacy te waarborgen.11 De in de richtlijn overeengekomen beginselen zijn van toepassing op iedere verwerking van persoonsgegevens (anders dan de beginselen uit de privacy-resoluties van de Raad, die zijn beperkt tot verwerkingen met betrekking tot elektronische databanken).12
Een van de beginselen uit de OESO-richtlijnen betreft de beveiliging van persoonsgegevens. Dit security safeguard principle bepaalt dat persoonsgegevens door middel van redelijke beveiligingsmaatregelen zouden moeten worden beschermd (‘should be protected’) tegen risico’s als verlies, ongeautoriseerde toegang, vernietiging, gebruik, aanpassing en openbaarmaking.13 Deze bescherming kan worden geboden met onder meer fysieke maatregelen (zoals afgesloten deuren), organisatorische maatregelen (zoals beperkte toegang aan de hand van autorisatieniveaus) en informationele maatregelen (zoals het monitoren van ongebruikelijke activiteiten).14 Uit de toelichtingen op de richtlijnen blijkt dat het beveiligingsbeginsel in ieder geval meebrengt dat personen die zich bezighouden met dataverwerking de vertrouwelijkheid moet behouden.15 De verantwoordelijkheid voor het uitvoering geven aan de privacybeginselen zou moeten liggen bij de data controller; degene die volgens het nationale recht kan beslissen over de inhoud en het gebruik van persoonsgegevens.16 Er wordt, anders dan in de resolutie voor de private sector van de Raad van Europa, nergens in de richtlijnen gesproken over een mogelijke beveiligingsplicht voor ontwikkelaars van software en hardware.17