Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/8.2.1.b.i
8.2.1.b.i Keuze voor lokale autonomie
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461624:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo speelde bijvoorbeeld bij het ontstaan van het auteursrecht in het privilege-tijdperk nog de mogelijkheid om te censureren een rol (zie alinea 42 hiervoor), thans niet meer.
Zo speelt bijvoorbeeld bij de 'creatieve' intellectuele-eigendomsrechten als het auteursrecht en het octrooirecht de beloning van intellectuele prestaties mede een rol, terwijl die factor bij een 'commercieel' intellectuele-eigendomsrecht als het merkenrecht nauwelijks van belang is; daar speelt het voorkomen van verwarring bij het publiek een belangrijke rol.
Zie in dit verband bijvoorbeeld Alexander 1993 en Brinkhof 2003.
Vgl. Den Hertog 1976, p. 35; Alexander 1993, p. 8; Brinkhof 2003, p. 372-373.
Zo ook Polak 1998 (Preadvies), p. 101-102 jo. p. 95 en Polak (Antwoord), p. 60. In de negentiende eeuw zou men zeggen: de enige conflictregel die aan die norm voldoet, is het formele-territorialiteitsbeginsel. Formele territorialiteit is heden echter een gepasseerd station in het (privaatrechtelijke) intellectuele-eigendomsrecht, zij wordt terecht onwenselijk gevonden (zie par. 5.3.1), en zij blijft in dit hoofdstuk daarom buiten beschouwing.
Droz 1885 (Réponse), p. 163-164.
Beier 1983, p. 343.
De hegemonie van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, heeft nog twee aspecten. In de eerste plaats: in deze opvatting is unificatie of harmonisatie het geëigende middel wanneer men de verschillen in opvatting tussen rechtsgemeenschappen bezwaarlijk vindt. Het staat rechtsgemeenschappen immers vrij — het is een eigen keuze — om hun exclusiviteitsopvattingen onderling af te stemmen (althans dat behoort een eigen keuze te zijn; vgl. in dit verband over de TRIPs-Overeenkomst, Alexander 1993; Brinkhof 2003, p. 372). In de tweede plaats: consequent doorgeredeneerd is het in deze opvatting ook mogelijk dat een rechtsgemeenschap voor haar eigen rechtsgebied een andere conflictregel toepast. Immers, iedere rechtsgemeenschap is heer en meester over de intellectuele-eigendomsrechtelijke bescherming op het eigen grondgebied, en dat betekent dat iedere rechtsgemeenschap in beginsel ook de vrijheid heeft om voor de bescherming in het eigen rechtsgebied een andere conflictregel te kiezen als haar dat geraden voorkomt. Vertaald naar de gevonden lex loci protectionis-verwijzingsregel betekent dit dat deze conflictregel een `Gesamtverweisung' zou moeten zijn: de lex loci protectionis heeft de vrijheid om door te verwijzen naar een ander rechtsstelsel. In de praktijk zal zich dat niet vaak voordoen; men pleegt immers voor het eigen grondgebied de eigen exclusiviteitsopvattingen te prefereren. Het is dus een voornamelijk theoretische aangelegenheid. Hoe dan ook, Gesamtverweisung is m.i. onwenselijk. Zij is sowieso onwenselijk voor zover voor de hierna te bespreken centrale aanknoping zou kunnen worden gekozen (zie par. (ii)). Die keuze ligt — als men al voor het eigen grondgebied een afwijkende conflictregel zou willen opstellen — het meest voor de hand, en die conflictregel is, zo komt in de volgende paragraaf aan de orde, onwenselijk. Dat zou betekenen dat Gesamtverweisung nog wel toelaatbaar is wanneer centrale aanknoping wordt geëcarteerd. Dan zou de lex loci protectionis dus nog wel kunnen doorverwijzen naar bijvoorbeeld een door partijen gekozen recht (partijautonomie), naar het recht van de geadieerde rechter (lex fori), of naar het gunstigst geachte recht (begunstigingsbeginsel) — voor alle duidelijkheid: uiteraard alléén voor wat betreft de bescherming in het eigen rechtsgebied. Het is evenwel onwaarschijnlijk dat een rechtsgemeenschap voor dergelijke doorverwijzingen zou kiezen. Maar hoe dan ook, Gesamtverweisung is m.i. überhaupt onwenselijk. Hier laten zich de tegenwoordig algemeen erkende bezwaren tegen Gesamtverweisung (renvoi) gelden; zie Strikwerda 2008 (Inleiding), p. 60-61. Dat betekent dat de rechtspolitieke zoektocht de exclusieve toepassing van de lex loci protectionis-verwijzing oplevert. Dat is dus hetzelfde resultaat als vanuit de in par. 8.2.1 onder (a) besproken conflictenrechtelijke invalshoek werd gevonden.
1128. Lokale autonomie. Mijn voorkeur gaat uit naar de laatstgenoemde opvatting. Intellectuele-eigendomsrechten zijn exclusiviteitsrechten, en in de vormgeving van die exclusiviteit ligt een bepaalde afweging besloten van de belangen van de rechthebbende enerzijds en de `Allgemeinheit' anderzijds. Aan die belangenafweging liggen bepaalde doel- en waardevoorstellingen ten grondslag. Intellectuele-eigendomsrechten zijn, veel sterker dan 'gewoon' privaatrecht, de resultante van politieke, economische en culturele opvattingen. Die opvattingen en hun onderlinge afweging verschillen in tijd1, zij verschillen per intellectuele-eigendomsrecht2, en zij verschillen per rechtsgemeenschap. Weliswaar zijn de verschillen tussen de rechtsgemeenschappen in de loop der tijd kleiner geworden — met name onder invloed van het eenvormige recht van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs —, verdwenen zijn zij zeker niet. Zo houden ontwikkelingslanden bijvoorbeeld doorgaans een lager beschermingsniveau aan dan landen met een grote en/of hoogwaardige productie van intellectuele voortbrengselen. De achterliggende gedachte is dat dit hun ontwikkeling ten goede komt: een lager beschermingsniveau betekent goedkopere productie, meer namaak, maar ook een gemakkelijkere en/of goedkopere verspreiding van kennis, informatie, medicijnen, enz. Landen met een grote en/of hoogwaardige productie van intellectuele voortbrengselen hebben daarentegen belang bij een hoger beschermingsniveau.3 Zo is het nu, en zo was het vroeger. Nederland koos in de negentiende eeuw bijvoorbeeld bewust voor een laag beschermingsniveau — de Nederlandse industrie profiteerde daar van4 —, terwijl Frankrijk met zijn grote en hoogwaardige productie van intellectuele voortbrengselen voor een hoog beschermingsniveau koos.
1129. Iedere rechtsgemeenschap kiest dus haar eigen `exclusiviteitsbalans', en zo meen ik — iedere rechtsgemeenschap heeft er recht op dat op haar rechtsgebied alléén haar opvattingen dienaangaande heersen. Niet alleen op wetgevend vlak, maar óók op conflictenrechtelijk vlak. De enige conflictregel die aan die norm voldoet, is — zo zal duidelijk zijn — de lex loci protectionis-verwijzing.5
1130. Van deze rechtspolitieke opvatting, dus de opvatting dat in ieder land uitsluitend de lokale exclusiviteitsopvattingen hebben te heersen, gingen ook de verdragsopstellers van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs uit. Droz, de voorzitter van de Berner conferenties van 1884-1886, verwoordde het respect voor de lokale exclusiviteitsopvattingen als volgt:
"Chaque loi répond à un degré de culture et de science juridique aussi bien qu'à la satisfaction d'intérêts qui varient suivant les pays."
"(...) comme personne (...) n'a le droit d'imposer sa volonté aux autres (...), une convention ne peut avoir d'autre but que de réaliser une conciliation sur un minimum de droits que chaque Etat contractant s'engage à recommitre aux autres. Telle est la pensée qui a inspiré les auteurs de la convention de Berne (...)."6
1131. De lex loci protectionis-verwijzing verklaart dan ook het succes van deze verdragen. Zoals Beier op de honderdste verjaardag van het Verdrag van Parijs vaststelde, heeft deze conflictregel het mogelijk gemaakt dat "Under aus den verschiedensten Rechtskreisen mit unterschiedlichster Sozial- und Wirtschaftsstruktur und unterschiedlichem Schutzniveau beitreten konnten."7
1132. Deze rechtspolitieke opvatting bevestigt dus hetgeen wij eerder vanuit de conflictenrechtelijke invalshoek hadden gevonden, namelijk: de lex loci protectionis is exclusief van toepassing.8 Het zal duidelijk zijn dat deze opvatting neutraal is; zij kiest niet voor de belangen van de rechthebbende noch voor de belangen van de `Allgemeinheit'.