Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/1.5.3
1.5.3 Geen schade voor rekening van derden zonder verwijt
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS410167:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Ik spreek hier over een beginsel dat grenzen stelt aan het leerstuk van schuldeisersbenadeling en niet over een rechtsregel die zelfstandig rechten en verplichtingen bepaalt. Met name spreek ik hier niet over de vereisten voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. In de verschillende hoofdstukken zal nog ingegaan worden op de verhouding tussen de onrechtmatige daad en het leerstuk van aantastbaarheid van handelingen wegens schuldeisersbenadeling, Zie voor algemene beschouwingen omtrent de verhouding tussen onrechtmatigheid, schuld en toerekening ten aanzien van de onrechtmatige daad C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad (diss. Groningen 2000). Zij schrijft (o.a. p. 5, 9 en 247) dat de vraag of schade vergoed moet worden, beheerst wordt door de gezichtspunten 'ieder draagt zijn eigen schade' en 'berokken een ander geen schade'. Het uitgangspunt 'ieder draagt zijn eigen schade' werkt ook hier door. Bij aantastbaarheid wegens schuldeisersbenadeling speelt echter niet zozeer de vraag of schade vergoed moet worden, maar de vraag voor wiens rekening het verlies dat de schuldeisers in het faillissement lijden, uiteindelijk komt. Bij vernietiging van de rechtshandeling bij een overdracht gaat het immers niet om een plicht tot schadevergoeding. Hoewel hier geen sprake is van een schadeplichtigheid, geldt wel het beginsel dat schade niet afgewenteld mag worden zonder dat de wederpartij bij de paulianeuze handeling een verwijt gemaakt kan worden. Zie ten aanzien van het aannemen van schadeplichtigheid in het algemeen en de noodzaak van schuld daarbij, W.C.L. van der Grinten, `Aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid en schuld', RM Themis 1940, p. 428: 'Onze slotconclusie is derhalve, dat de rechtspraak schuld en onrechtmatigheid als grondslag voor aansprakelijkheid eischt en dat dit systeem bevredigend werkt. Niet de schade behoort tot vergoeding te verplichten, maar de schuld. Dit groote beginsel van elk schaderecht, dat den primitieven grondslag van zijn kindsheid is ontgroeid, wordt terecht door de rechtspraak vastgehouden.'
Zie over de vraag naar de verhouding tussen het leerstuk van aantastbaarheid van handelingen wegens schuldeisersbenadeling en het leerstuk van de onrechtmatige daad § 2.4, § 3.4 en § 4.4 van de landenhoofdstukken en van het rechtsvergelijkend hoofdstuk § 5.2.3.
In geval van insolventie zijn er schuldeisers die, veelal tegen hun verwachting in, hun vordering niet voldaan krijgen. Een succesvol beroep op aantasting van een handeling wegens schuldeisersbenadeling zal leiden tot een toename van de boedel. Het verlies van de schuldeisers op hun vordering wordt daarmee beperkt. De partij tegen wie de vordering wordt ingesteld zal echter slechter af zijn. Een uitgangspunt dat ook grenzen aan het leerstuk van schuldeisersbenadeling stelt, is dat men niet het verlies van de gezamenlijke schuldeisers mag afwentelen op een derde voor zover deze daardoor per saldo slechter af is en deze derde geen verwijt gemaakt kan worden.
De waardering van de positie van de wederpartij en met name of deze per saldo slechter af is, leidt tot gecompliceerde vragen. Een daarvan is welke vergelijking men relevant acht. Is dit de vergelijking van de positie van de wederpartij waarin deze verkeert voor en na een geslaagd beroep op aantasting van de handeling? In deze vergelijking zal de wederpartij altijd slechter af zijn. Een andere vergelijking is de positie van de wederpartij na aantasting te vergelijken met de positie waarin deze verkeerd zou hebben indien deze de gewraakte handeling niet zou hebben verricht. Dit zijn twee verschillende benaderingen die tot geheel andere uitkomsten kunnen leiden.
Neem het geval waarin een schuldeiser hangende een aanvraag tot insolventverklaring en in de wetenschap van deze aanvraag nog betaald wordt. Indien een bewindvoerder hier de betaling zou vernietigen, is de schuldeiser aanzienlijk slechter af na vernietiging dan voor vernietiging. Indien men de posities van de schuldeiser waarin deze verkeert na vernietiging vergelijkt met de positie waarin deze verkeerd zou hebben zonder de gewraakte betaling in ontvangst te hebben genomen, zal deze in de regel echter in dezelfde positie verkeren; namelijk die van concurrent schuldeiser. Na vernietiging van de betaling kan de schuldeiser immers nog gewoon opkomen voor zijn vordering en deze ter verificatie indienen. Zo zijn er dus gevallen waarbij de wederpartij na vernietiging uiteindelijk niet slechter af is, indien men zijn positie vergelijkt met die waarin deze verkeerd zou hebben indien hij het verrichten van de handeling achterwege had gelaten.
Geheel anders kan de situatie zijn wanneer de benadelende handeling niet de betaling van een schuld was, maar een overdracht door de schuldenaar tegen een prestatie met een waardeverschil. Neem het geval waarin de schuldenaar in de maand voorafgaand aan de insolventverklaring een hem toebehorend goed overdraagt tegen betaling van slechts 25% van de marktwaarde. De uitkomst van de vergelijking van de positie van de wederpartij waarin deze na de vernietiging verkeert, met de positie waarin deze verkeerd zou hebben indien de wederpartij de handeling achterwege gelaten zou hebben, hangt af van wat met de 25% gebeurt die betaald is. Indien de wederpartij voor deze door hem geleverde prestatie een boedelvordering zou hebben (en het teruggeven van het door hem ontvangen goed kan opschorten totdat deze boedelvordering voldaan is), is de wederpartij niet slechter af. De wederpartij is in beginsel ook niet wezenlijk slechter af indien deze veroordeeld zou worden om de 75% bij te betalen. Indien de sanctie beperkt zou zijn tot de verplichting het waardeverschil bij te betalen of het goed af te staan waarbij hij zijn eigen prestatie terugontvangt, is de wederpartij per saldo niet slechter af. De situatie verandert geheel indien men de wederpartij dwingt het goed af te staan en hem achterlaat met een concurrente vordering voor de door hemzelf geleverde prestatie. De wederpartij verkeert na vernietiging in een aanzienlijk slechtere positie dan waarin deze verkeerd zou hebben indien deze het verrichten van de gewraakte transactie achterwege had gelaten.
Indien men de derde in een positie brengt die per saldo slechter is, brengt men de schade van de gezamenlijke schuldeisers voor rekening van de wederpartij. Hiervan kan in beginsel slechts sprake zijn indien men de derde een verwijt kan maken.1 De relevante vergelijking is daarbij in de eerste plaats de vergelijking van zijn positie zoals die zou zijn na aantasting van de handeling en zijn positie zoals die zou zijn geweest indien hij deze handelingen nooit zou hebben verricht.
Hiermee wordt uitdrukkelijk niet gesteld dat de wederpartij altijd een verwijt gemaakt moet kunnen worden voor een beroep op aantastbaarheid wegens schuldeisersbenadeling Immers, in veel gevallen is de wederpartij uiteindelijk niet slechter af indien men zijn positie na aantasting vergelijkt met de positie waarin hij zou hebben verkeerd zonder de gewraakte handeling. Verder wordt hiermee ook niet gezegd dat in die gevallen waarin de wederpartij wel in een slechtere positie komt te verkeren, het verwijt altijd zo groot moet zijn dat de wederpartij een zelfstandige onrechtmatige daad heeft gepleegd.'2