HR, 07-06-2013, nr. 12/05459
ECLI:NL:HR:2013:CA2316
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-06-2013
- Zaaknummer
12/05459
- LJN
CA2316
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA2316, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑06‑2013; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑11‑2012
- Vindplaatsen
FED 2013/68 met annotatie van J.W.J. De Kort
Belastingadvies 2013/16.4
BNB 2013/184 met annotatie van E.J.W. Heithuis
NTFR 2014/58
NTFR 2013/1409 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
FutD 2013-1424
Viditax (FutD) 2013060705
Uitspraak 07‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 3.111, lid 6, Wet IB 2001. Eigen woning. Uitzendregeling. Kraakwacht.
Partij(en)
7 juni 2013
Nr. 12/05459
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 oktober 2012, nr. BK-11/00746, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot nihil. Voorts heeft de Inspecteur bij beschikking het bedrag aan in volgende jaren te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 22.181.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 11/2197) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het bedrag aan in volgende jaren nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 26.894. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft met haar gezin tot 1 september 2007 de haar in eigendom toebehorende woning aan de a-straat 1 te Z bewoond (hierna: de woning). Zij stond tot die datum op dat adres ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: de GBA).
3.1.2.
Per 1 september 2007 is belanghebbende met haar gezin in het kader van een tijdelijke uitzending door haar werkgever verhuisd naar Q. Zij heeft de gemeente Z verzocht haar gegevens in de GBA dienovereenkomstig te wijzigen. Belanghebbende is op 1 april 2010 teruggekeerd in de woning.
3.1.3.
De woning, een rijksmonument, is door de ligging en vanwege haar ouderdom braak- en kraakgevoelig. Ter voorkoming van inbraak in en/of kraak van de woning is in de periode van uitzending een student, A, als kraakwacht aangesteld. A (hierna: de kraakwacht) heeft zich op 25 september 2007 in de GBA op het adres van de woning laten inschrijven en heeft een logeerkamer op de eerste etage van de woning betrokken. De kraakwacht heeft geen huur betaald, maar een bijdrage in de energiekosten van € 1250 voor een periode van twee en een half jaar.
3.1.4.
Gedurende de uitzending naar het buitenland is de woning door belanghebbende en haar echtgenoot, mede vanwege werkzaamheden ten behoeve van haar werkgever, meerdere keren gebruikt.
3.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende de woning met ingang van 25 september 2007 aan een derde ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 3.111, lid 6, letter a, van de Wet IB 2001, met als gevolg dat die woning sindsdien niet kan worden aangemerkt als eigen woning van belanghebbende.
3.2.2.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen dat de kraakwacht geen huurbescherming geniet en het pand zal (moeten) verlaten op het moment dat belanghebbende dat noodzakelijk acht, dat belanghebbende gedurende de uitzending de volledige beschikkingsmacht over de woning heeft behouden, dat de woning gedurende die periode haar tot gebruik ter beschikking stond, en dat zij ook daadwerkelijk in die periode de woning meerdere keren heeft gebruikt. De bewoning door de kraakwacht moet dan naar het oordeel van het Hof worden aangemerkt als een bewoning ten behoeve van belanghebbende. Van een terbeschikkingstelling van de woning aan derden is onder die omstandigheden geen sprake, aldus nog steeds het Hof. Hiertegen keert zich het middel.
3.3.1.
Volgens artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001 geldt als voorwaarde voor de kwalificatie 'eigen woning' dat de woning de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Ingevolge artikel 3.111, lid 6, van de Wet IB 2001 kan een woning die door de belastingplichtige niet als hoofdverblijf wordt gebruikt, en die hem voorheen als eigen woning ter beschikking heeft gestaan, onder bepaalde voorwaarden toch als eigen woning worden aangemerkt. Een van die voorwaarden is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld.
3.3.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de laatstgenoemde bepaling (Kamerstukken II 2000/2001, 27 466, nr. 7, blz. 10 e.v.) volgt dat met de voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld, bedoeld is dat de woning niet wordt verhuurd en dat ook niet wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken (vgl. HR 21 december 2012, nr. 11/04685, LJN BX9090, BNB 2013/82).
3.3.3.
Van zodanige verhuur aan of gedoogd gebruik van derden is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin, naar de in cassatie niet bestreden vaststelling van het Hof, met een derde is overeengekomen dat hij zorg zal dragen dat de woning niet wordt gekraakt, en deze derde, behoudens een beperkte bijdrage in de energiekosten, geen vergoeding hoeft te betalen voor het daarmee gepaard gaande verblijf in de woning en hij de woning zal moeten verlaten zodra de eigenaar dat noodzakelijk acht. Dat die zogenoemde kraakwacht in het kader van de met hem overeengekomen werkzaamheid verblijf houdt in de woning, doet daaraan niet af.
3.3.4.
Een zodanige uitleg van het begrip ter beschikking stellen sluit aan bij hetgeen in het tweede en derde lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 is bepaald voor gevallen waarin een woning mede als eigen woning wordt aangemerkt. Blijkens de memorie van toelichting bij die leden worden de aldaar bedoelde woningen als leegstaand aangemerkt en daarom mede aangemerkt als eigen woning indien daarin uitsluitend een zogenoemde kraakwacht verblijft (Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, blz. 146). Voor de toepassing van deze leden van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 wordt het toestaan van gebruik van een woning door uitsluitend een kraakwacht derhalve niet aangemerkt als het ter beschikking stellen van die woning aan een derde. Er is onvoldoende grond om anders te oordelen voor de toepassing van het zesde lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001.
3.3.5.
Aangezien in het onderhavige geval sprake is van een kraakwacht wiens werkzaamheid en verblijf in de woning niet afwijken van de situatie van de kraakwacht zoals bedoeld in voormelde wetsgeschiedenis, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de woning niet aan de kraakwacht ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 3.111, lid 6, van de Wet IB 2001.
3.4.
Het vorenstaande brengt mee dat het middel faalt.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2013.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 466.
Beroepschrift 29‑11‑2012
Den Haag, [29 NOV 2012]
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 23 oktober 2012, nr. 11/00746, inzake [X] te [Z] betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007. Van deze uitspraak is op 23 oktober 2012 een afschrift aan de Belastingdienst/[P] toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, doordat het Hof van oordeel is dat de bewoning door een kraakwacht moet worden aangemerkt als een bewoning ten behoeve van belanghebbende, ter behartiging van haar huishoudelijke belangen en doeleinden en dat in zodanig geval niet gezegd kan worden dat de woning aan derden ter beschikking is gesteld, als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zulks ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Belanghebbende bewoonde tot 1 september 2007 de haar in eigendom toebehorende woning te [Z] (hierna: de woning), Zij stond op dit adres ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA). Per voornoemde datum is belanghebbende met haar gezin, in het kader van een tijdelijke uitzending door de werkgever, verhuisd naar [Q]. In [Q] heeft zij haar hoofdverblijf. Zij heeft de gemeente [Z] verzocht haar gegevens in de GBA dienovereenkomstig te wijzigen. Belanghebbende is op 1 april 2010 teruggekeerd in de woning. De woning is ter voorkoming van inbraak en kraken aan een student als kraakwacht ter beschikking gesteld. De kraakwacht heeft geen huur betaald, maar wel een bijdrage in de kosten. Op 25 september 2007 heeft hij zich in de GBA op het adres in [Z] laten inschrijven. De woning is het hoofdverblijf van de kraakwacht. Gedurende het verblijf in het buitenland is de woning door belanghebbende meerdere keren gebruikt.
Het Hof is van oordeel dat in deze situatie de woning gedurende het verblijf in [Q] feitelijk ter beschikking van belanghebbende is blijven staan.
Belanghebbende heeft de volledige beschikkingsmacht over de woning behouden.
Belanghebbende had de intentie de woning in de periode van uitzending tot eigen gebruik ter beschikking te houden. De bewoning door de kraakwacht moet worden aangemerkt als een bewoning ten behoeve van belanghebbende, ter behartiging van haar huishoudelijke belangen en doeleinden. In zodanig geval kan volgens het Hof niet gezegd worden dat de woning aan derden ter beschikking is gesteld, als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).
Kennelijk meent het Hof dat wel sprake is van ter beschikking stellen van een woning aan een derde, maar dat deze terbeschikkingstelling vanwege de bedoeling van belanghebbende niet valt onder de terbeschikkingstelling van artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet. Deze opvatting lijkt mij niet juist. Het komt mij voor dat er niet verschillende vormen van terbeschikkingstelling of bewoning zijn, afhankelijk van de bedoeling van de eigenaar van de woning.
De tekst van artikel 3.111 van de Wet luidt voor zover van belang:
- ‘1.
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, (…), voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
- a.
eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat; (…)
- 6.
Een woning die de belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode:
- a.
de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en
- b.
de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.’
Het besluit van 27 januari 2006, nr. CPP2005/2574M, BNB 2006/160, vermeldt over tijdelijke uitzending:
‘6. Uitzendregeling
6.1. Tijdelijke uitzending en verhuur aan derden
De eigenwoningregeling blijft niet van toepassing als de woning tijdens de tijdelijke uitzending (naar het buitenland) aan derden wordt verhuurd. (…)
6.3. Relatie tot (kamer)verhuur
De uitzendregeling geldt niet bij kamerverhuur (artikel 3.114 van de Wet IB 2001).
Als de woning aan derden ter beschikking is gesteld geldt de uitzendregeling niet (artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001). Dit geldt voor elke terbeschikkingstelling aan derden, en dus ook als de woning deels ter beschikking is gestald. De hoogte van de vergoeding maakt niet uit. De uitzendregeling kan ook niet gelden als er geen vergoeding is of als de vergoeding lager is dan het maximale bedrag waarvoor de kamerverhuurvrijstelling geldt.
6.4. De woning wordt gebruikt tijdens de vakantie
Als de woning tijdens vakantie in Nederland door de eigenaar wordt gebruikt kan de uitzendregeling van toepassing zijn. Een van de eisen voor de uitzendregeling is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gestald (artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001). Alleen eigen gebruik (tijdens vakantie) is dus mogelijk. Ten overvloede merk ik op dat bij gebruik tijdens vakantie de woning geen hoofdverblijf wordt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001. Bij vakantiegebruik blijft de uitzendregeling uiteraard van toepassing.’
In de Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2000–2001, 27 466, nr. 7, blz. 10–11, wordt ter toelichting opgemerkt:
‘Dit onderdeel bevat een uitbreiding van de eigenwoningregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001. In de eigenwoningregeling wordt een nieuw lid ingevoegd dat er voor zorgt dat met betrekking tot een woning, die een belastingplichtige — een uitgezonden belastingplichtige — tijdelijk niet als hoofdverblijf ter beschikking staat, de (hypotheek)rente in box I in aftrek kan worden gebracht. Hieraan worden wel voorwaarden verbonden. Met betrekking tot een woning die een belastingplichtige tijdelijk niet als hoofdverblijf ter beschikking staat, komt de (hypotheek)rente alleen voor aftrek in aanmerking indien de belastingplichtige tezamen met zijn partner gedurende die periode niet met betrekking tot ook nog een andere woning in aanmerking komt voor de eigenwoningregeling. Indien bijvoorbeeld het tweede of derde lid van artikel 3.111 op die belastingplichtige of zijn partner van toepassing is, kan hij niet tevens in aanmerking komen voor het nieuwe zesde lid. Voorts moet de woning de belastingplichtige ter beschikking staan, dat wil zeggen dat de woning gedurende die periode niet mag worden verhuurd of dat wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken.’
Van ter beschikking stellen aan derden is ook sprake bij kamerverhuur als bedoeld in artikel 3.114 van de Wet. In het besluit van 24 November 2009, nr. PCP/2342, Stcrt. 2009, 18386 (BNB 2010/75), is dit nader uitgewerkt:
‘6.2. Uitzending en terbeschikkingstelling aan derden
Voor de uitzendregeling mag de woning tijdens de gehele periode van de uitzending (naar het buitenland) niet aan derden ter beschikking worden gesteld. Dit geldt voor elke terbeschikkingstelling aan derden, en dus ook als de woning deels ter beschikking is gesteld, ongeacht de hoogte van de vergoeding.
Er geldt geen uitzondering voor kamerverhuur als bedoeld in artikel 3.114 van de Wet IB 2001. De uitzendregeling geldt dus ook niet bij ter beschikkingstelling aan derden zonder vergoeding of tegen een vergoeding die lager is dan het maximale bedrag waarvoor de kamerverhuurvrijstelling. Kinderen die na uitzending achterblijven zijn in dit kader ook derden.’
Een vergelijkbaar geval heeft zich voorgedaan in Hof 's‑Hertogenbosch 22 september 2011, nr. 10/00854, LJN: BU8499. Dit Hof overweegt:
‘4.3.
Het Hof stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende bij verblijf in Nederland ook sedert 15 maart 2007 op elk door hem gewenst moment van de woning als privé-woonruimte gebruik kon maken en dat zulks ook daadwerkelijk is geschied. Het Hof leidt uit de feiten af dat bij verblijf van belanghebbende en zijn echtgenote in de woning na 15 maart 2007 zowel belanghebbende en zijn echtgenote als de oudste dochter, die elders niet over woonruimte beschikte, In de woning verbleven. Het Hof is van oordeel dat in deze omstandigheden van terbeschikkingstelling van de woning aan derden in de zin van de onderwerpelijke bepaling geen sprake is.
Daarvan is naar 's Hofs oordeel eerst sprake indien de woning gedurende en ten gevolge van het verblijf van derden aldaar aan de vrije beschikkingsmacht van de belastingplichtige is onttrokken. Hoewel zulks ook aan de orde kan zijn indien een woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 6, van de Wet ter beschikking staat van familieleden, heeft belanghebbende, gezien de zojuist genoemde feiten, ook na 15 maart 2007 de vrije beschikkingsmacht over de woning behouden.’
In deze zaak heb ik beroep in cassatie ingesteld. De Advocaat-Generaal heeft een conclusie genomen (conclusie van 30 augustus 2012, nr. 11/04685, LJN: BX9090).
Hij komt tot de volgende slotsom.
‘5.11
Het komt mij voor dat het middel doel treft. In de regeling van artikel 3.111, lid 6, van de Wet kunnen de begrippen ‘personen die behoren tot een huishouden’ en ‘derden’ gezien de samenhang tussen het eerste en het zesde lid niet anders worden opgevat dan als elkaar uitsluitend. Dat betekent dat de terbeschikkingstelling door belanghebbende van zijn woning te Q aan de oudste dochter in het onderhavige geval moet worden aangemerkt als terbeschikkingstelling aan een derde.’
Er is naar mijn mening geen relevant verschil tussen de dochter en de kraakwacht. De omstandigheden dat belanghebbende nog gebruik kan maken van de aan een derde ter beschikking gesteld woning heeft niet tot gevolge dat van een terbeschikkingstelling geen sprake is. De normale, dagelijkse situatie is immers dat de derde de woning ter beschikking heeft. De omstandigheid dat de kraakwacht (volgens het Hof) geen huurbescherming geniet en op elk door belanghebbende gewenst moment de woning zal moeten verlaten, betekent evenmin dat de woning de derde in de tijd dat hij er woont niet ter beschikking staat. Uit de gedingstukken blijkt overigens niet dat de kraakwacht geen huurbescherming geniet. Partijen hebben dit niet gesteld en het is evenmin gebleken.
In artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet wordt als één van de voorwaarden om een woning bij een tijdelijke uitzending als eigen woning te blijven aanmerken verlangd dat de woning niet aan derden ter beschikking is gesteld. Nu in het onderhavige geval sprake is van ter beschikking stellen aan een derde, is de regeling van artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a, van de Wet niet van toepassing
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco