Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.4.1
III.D.4.1 'Ruimschoots voldoende'als faciliteit
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410475:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.B. VEGTER, Erfopvolging, vereffening en zuivere aanvaarding in het nieuwe erfrecht, WPNR (1996) 6229. In zijn dissertatie, Grondslagen der beneficiaire aanvaarding naar Nederlands en Duits recht, Leiden 1989, p. 173 schrijft hijover het nieuwe recht: 'Het nieuw BW brengt in het te volgen systeem van vereffening grote verbeteringen.'
Wie het verbandlegt met privatieve lastgeving realiseert zich dat de wetgever in art. 7: 422 BW de privatieve last onder meer laat eindigen in geval van faillissement van de lastgever. De vereffening zou men immers ook kunnen zien als het 'faillissement van de nalatenschap'. Op de regeling van vereffening als zodanig zal ik niet ingaan. Alleen de raakvlakken van executele met formele vereffening zullen besproken worden. Op art. 4:150 lid 4 juncto art. 4: 225 en art. 4: 226 BW zal hierna bij uitbreiding van de opdracht van executele in Hfdst.V. ingegaan worden.
W.D. KOLKMAN, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 290 merkt terecht op dat de vermelding van''legaten''overbodig is gezien art. 4:7 lid 1 BW Het is zijns inziens wellicht een overblijfsel van het onder oud recht dikwijls gebezigde begrippenpaar ''schulden en legaten''.
Zie ook B.M.E.M. SCHOLS, De 'belangrijkste persoon' is nog veel belangrijker!, Een reactie op de bijdrage van BENNENBROEK, in Notarisklerk 1449, november 2005, nr. 1451.
Rechtbank Zwolle 7 juli 2003, NJ Kort 2003, 82.
De geschillen dienaangaande worden door de kantonrechter beslist zonder dat tegen zijn beschikking een andere hogere voorziening mogelijk is dan cassatie in belang der wet, art. 676aWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dikke van Dale: 'In ruime mate, in meer dan voldoende hoeveelheid.'
A.H.N. STOLLENWERCK, Nieuw erfrecht in de praktijk. Een evaluatie, vereffening van de nalatenschap, KNB preadvies (2006), Den Haag: SDU Uitgevers, p. 216. Er wordt nog al eens in de praktijk opgemerkt dat de formaliteiten van een lichte vereffening niet zoveel om het lijf hebben, althans in beginsel niet anders zijn dan bij executele. Dit klopt, en is ook de gedachte van de wetgever, MvA I, nr. 133, p. 64, Parl. Gesch.Vast., p.946, ware het niet dat dan (in geval van formele vereffening) wel de beschikkingsonbevoegdheidsregel van art. 4:211 lid 2 BW in verbinding met art. 4:195 BWen art. 4:198 BW onder omstandigheden tot vervelende consequenties zou kunnen leiden. Denk met name aan de positie van een langstlevende echtgenoot op grond van een ouderlijke boedelverdeling zonder dat deze eveneens de status 'executeur' heeft.W.D. KOLKMAN, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 293 spreekt in dit kader treffend van'horribile dictu'.
Verslag van het mondeling overleg tevens eindverslag, 3771, nr. 8, p.78-79, Parl. Gesch. Vast., p.975.
TM, p. 356, Parl. Gesch.Vast., p. 973.
Zoals onlangs dan bijvoorbeeld ook gebeurde door Rechtbank Arnhem sector kanton 27 juli 2006, Notafax 2006, 186. Zie ook Hof Arnhem 19 juni 2007, Notafax 2007, 170.
Denk bijvoorbeeld aan het openvallen van de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot (de 'tweede' nalatenschap) die op grond van een ouderlijke boedelverdeling uit het verleden de vorderingen wegens overbedeling, althans haar rechtsopvolgers onder algemene titel, dient uit te keren aan de kinderen, veelal vermeerderd met 'huizenhoge' rentes. Er is van-zelfsprekendniet gezegd dat alle erfgenamen bij het 'eerste overlijden' ook de erfgenamen bijhet overlijden van de langstlevende zijn. Er wordt naar nieuw erfrecht immers nog al eens 'onterfd', al dan niet om fiscale redenen. Denk hierbij ook aan een (onbekende) koopovereenkomst met uitgestelde levering of het fenomeen van de 'papieren schenkingen' of borgstellingen. Het gaat vaak om in beginsel 'positieve' nalatenschappen, waarbij men zich vooraf wenst te beschermen tegen een situatie als beschreven. Zie ook het arrest van de Notariskamer van het Hof Amsterdam van 19 oktober 2006, Notafax 2006, 262, waar een kandidaat-notaris een waarschuwing kreeg omdat hij een erfgenaam niet nadrukkelijk genoeg had gewezen op gevolgen van zuivere aanvaarding. Door de 'standaardmatige' beneficiaire aanvaarding zou men in beginsel moeten gaan vereffenen, hetgeen echter eenvoudig voorkomen kan worden door de 'standaardmatige' benoeming van een executeur, al dan niet met de tussenstap van de kantonrechter als bedoeld in art. 4:142 BW.
Zelfs de Fransen, die van huis uit het beginsel 'le mort saisit le vif' hanteren, nemen in hun nieuwe stelsel van 1 januari 2007 de erfgenamen onder omstandigheden in bescherming tegen (grote) 'onbekende' schuldeisers, art. 786(2) Cc nieuw: 'Toutefois, il peut demander a etre decharge en tout ou partie de son obligation a une dette successorale, qu'il avait motifs legitimes d'ignorer au moment de l'acceptation, lorsque l'acquittement de cette dette aurait pur effet d'oberer gravement son patrimoine personnel.' Ook interessant dat men niet zonder meer aansprakelijk is voor de voldoening van geldlegaten, art. 785 (2) Cc nieuw: 'Il n'est tenu des legs de sommes d'argent qu'a concurrence de l'actif succesoral net des dettes.' Zolang dit in ons erfrechtelijk stelsel niet het geval is, zal de behoefte om 'standaardmatig' executeurs te benoemen met het oog op een soepele beneficiaire aanvaarding ongetwijfeld groot blijven.
MvA, nr. 6, p. 99. Parl. Gesch.Vast., p. 845.
Art. 4.5.3.1. Ontwerp-Meijers. De Commissie Erfrecht, Rapport I 1960, p. 91 was onder meer bang dat door ongewijzigde handhaving van de ontworpen regeling vele testateurs ervan weerhouden zouden kunnen worden 'een overigens nuttige executeurbenoeming' te doen. Zie ook art. 4.5.3.2 lid 2 ontwerp-Meijers, dat de executeur automatisch in vereffenaar transformeerde, als deze kon aantonen dat de nalatenschap ruimschoots voldoende was om de schulden en de legaten te voldoen, Parl. Gesch.Vast., p. 976.
MvA 3771, nr. 6, Parl. Gesch. Boek 4 Vast., p. 844.
Afgezien van de situatie als bedoeld in art. 4:195 lid 1 BW waar de erfgenamen de vereffenaar zijn. Op grondvan art. 4:142 BW kan ook de kantonrechter een (vervangende) executeur benoemen, maar dan gaat het initiatiefnog steeds van erflater uit.
Dit kan ook de executeur zijn. Door de benoeming van een vereffenaar eindigt de taak van executeur op grondvan art. 4:149 lid1 letter dBW.
Denk met name ook aan de eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 47 In-vorderingswet 1990.
W.D. KOLKMAN, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 290 noot 81 lijkt zich onnodig zorgen te maken in de situatie dat het saldo onder nul schiet, zij het dat hij terecht soepel omspringt met het leerstuk van derdenbescherming.
ASSER-HARTKAMP 4-III, Verbintenis uit de wet, Deventer: Kluwer 2006, nr. 297 ziet wel mogelijkheden voor zaakwaarneming in het geval dat iemand de hoedanigheid van lasthebber of gevolmachtigde heeft, maar niet de bevoegdheid heeft om een bepaalde handeling te stellen. In dat geval is de rechtsverhouding overigens nog niet geëindigd. Merk op dat de zaakwaarnemer blijkens art. 6: 201 BW in beginsel in naam van de belanghebbende handelt, terwijl niet vereist is dat hij weet wie de belanghebbende is. Ook weer een vorm van 'Gleichgultigkeit'?
MvA, nr. 6, p. 131, Parl. Gesch.Vast., p. 983.
Kenbaar uit: VAN DE VELDE, Praeadvies BCN 1955, p. 53. Ook de notarissen hebben een warm plaatsje:'[...] dat bij voorkeur notarissen als vereffenaars door de rechter dienen be-noemdworden, [...].'
Vegter1 wijst er op dat het de grote verdienste is van het notariaat dat de wetgever zich het uitgangspunt: zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis bij de afwikkeling van nalatenschappen kan veroorloven. Executeurs zullen, vanzelfsprekendsamen met het notariaat, deze juiste gedachte moeten blijven waarmaken.
Een op het eerste gezicht fatale bepaling voor de positie van de executeur is echter art. 4:149 lid1 letter dBW2 waaruit blijkt dat de taak van een executeur eindigt wanneer de nalatenschap overeenkomstig de derde afdeling vandezesdetitelmoet worden vereffend. In afdeling 4.6.3 geeft de wetgever echter een belangrijk signaal af met betrekking tot de positie van de executeur onder het nieuwe erfrecht. Art. 4:202 BW lid 1 sub a BW koppelt immers aan de aanwezigheid van executeurs in beginsel een vrijstelling van de formele vereffeningsplicht in geval van beneficiaire aanvaarding door een van de erfgenamen. Althans wanneer:
'er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten3 bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen; geschillen dienaangaande worden door de kantonrechter beslist.' (Curs. BS)
Het criterium 'ruimschoots toereikend' springt meteen in het oog en geeft in de praktijk dan nog wel eens onnodig aanleiding tot discussie.4 Dat het 'aantonen' slechts een globale eerste inventarisatie of wellicht 'indruk' betreft van de executeur blijkt mijns inziens ook uit art. 4:146 lid 2 BW, waar opgenomen is dat de executeur met bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van de schulden van de nalatenschap moet opmaken. Dat de rechterlijke macht terecht soepel omgaat met het aantonen dat aan dit criterium voldaan is, blijkt onder meer uit, bij mijn weten de eerste beschikking van een kantonrechter op dit gebied, waarin door een notaris een ontheffingsverzoek gedaan werd. De kantonrechter antwoordde 'gebelgd':5
'In het onderhavige geval is er evenwel reeds op een andere grond vrijstelling van bedoelde vereffeningsverplichting volgens de wet, nu er immers een executeur is met de bevoegdheden als bedoeld in art. 4:202 lid 1 BWen de nalatenschapsgoederen, blijkens taxatierapporten en vermogensoverzicht ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen.' (Curs. BS)
De kantonrechter bedoelt waarschijnlijk: 'Vraag het mij niet', zolang er geen geschil dienaangaande6 is en de executeur op basis van de door hem opgestelde (voorlopige) boedelbeschrijving uitstraalt dat er genoeg is voor iedereen. Kortom, de vrijstelling geldt van rechtswege, tenzij. De zorgplicht van de executeur ligt ten grondslag aan het manen tot bekwame spoed in art. 4:146 lid2 BW met het oog op het in kaart brengen van het saldo van de nalatenschap. De wetgever gaat er in art. 4:144 BW vanuit dat het de vermoedelijke wens van erflater is dat de executeur in beginsel alle schulden van de nalatenschap voldoet. In zoverre zullen bij een solvabele nalatenschap de schuldeisers voldaan worden en is er geen reden voor 'overheidsbemoeienis' met de boedelafwikkeling, ondanks de beneficiaire aanvaarding. Dat de wetgever uitgaat van een executeur die zich behoorlijk van zijn taak zal kwijten, blijkt ook uit art. 4:203 lid1 letter b BW waar gesproken wordt van een reden om een vereffenaar te benoemen: 'wanneer hij die met het beheer van de nalatenschap is belast in ernstige mate in zijn verplichtingen tekortschiet'. Ook hier blijkt weer de zorgplicht op grond van de quasi-overeenkomst gedachte.
De term 'ruimschoots'7dient mijns inziens uitgelegd te worden als 'niet-kantje boord'. Een percentage is echter niet te noemen.8 In art. 4:203 lid 1onder b BW lijkt de wetgever het criterium ruimschoots overigens zelf ook niet meer belangrijk te vinden en alleen nog maar de situatie voor ogen te hebben dat de schulden de baten blijken te overtreffen.
Onder het oude recht was de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door een erfgenaam de achilleshiel van de executeur. Dit is een wetgever, die in zijn nieuwe erfrechtelijke stelsel de executeur een krachtige positie wil geven, dan ook een doorn in het oog, zo blijkt wel uit de parlementaire ge-schiedenis:9
'Andere leden maakten de opmerking dat in onderdeel a de gedachte is neergelegd, dat men niet een executeur ''er uit moet kunnen werken'' door een beneficiaire aanvaarding; deze gedachte kwam aan de leden juist voor.' (Curs. BS)
Al eerder had Meijers10 met betrekking tot de beneficiaire aanvaarding opgemerkt:
'deze mag niet een middel worden om zich van een executeur te ontdoen.'
Het is van belang dat de toetsende kantonrechter11 zich door dit aan de wet ten grondslag liggende beginsel laat leiden, waardoor de uitzondering in feite de hoofdregel kan worden.
Deze belangrijke 'hoofdregel' is, naast de andere voordelen die een executeur biedt, in de praktijk (logischerwijs) een steeds belangrijkere reden aan het worden om in een uiterste wilsbeschikking 'standaardmatig' een executeur te benoemen. Zeker nu er door het notariaat ook steeds meer12 'standaardmatig'geadviseerd wordt aan erfgenamen om een nalatenschap beneficiair te aanvaarden.13 In de parlementaire geschiedenis14 wordt gewezen op het feit dat de praktijk leert dat in de gevallen waarin een executeur is benoemd, de nalatenschap meestal volkomen solvabel is. Wij moeten overigens steeds in het achterhoofd houden, als executele en vereffeningsvraagstukken opdoemen, dat Meijers er vanuit ging dat executele een bijzondere vorm was van het normaaltype vereffening. De afdeling vereffening was altijd van toepassing als een executeur benoemdwas.15 Uiteindelijk heeft de executeur een eigen afdeling gekregen in Boek 4 die niet meer gekoppeld is aan de formele vereffening. Dat neemt niet weg dat men niet af en toe zijn oor te luister kan leggen bij de regels van formele vereffening, zij het dat men dan steeds als vertrekpunt moet nemen dat de executeur primair de vertrouwenspersoon is van erflater en de vereffenaar primair degene is die de belangen van de schuldeisers dient. Sterker nog, degene is die in de parlementaire geschiedenis genoemd wordt de vertrouwensman van de gezamenlijke schuldeisers.16
Ook hier blijkt dat de door de wetgever gekozen vertegenwoordigingsgedachte in art. 4:211 lid 2 BW, te weten de vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen, slechts functioneel van aardis. De vereffenaar heeft gelet op de aard van de regeling in eerste instantie de belangen van de schuldeisers op het oog. Dezelfde filosofie ziet men in art. 4:145 lid 2 BW bij executele terug. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen, maar via art. 3:77 BWen de strekking van de regeling, erflater. De erfgenamen zijn 'slechts' de rechtsopvolgers van erflater, degenen aan wie het handelen van de executeur uiteindelijk toegerekend moet worden. Het belangrijkste verschil is dat de executeur door erflater benoemd wordt (favor testamenti) en de vereffenaar door de rechter.17
Een andere reden dat er soepel mag worden omgegaan met het 'van rechtswege' toepassen van de vrijstelling, is de meldingsplicht van art. 4:199 lid 2 BW. Indien mocht blijken dat er een verkeerde inschatting omtrent het saldo van de nalatenschap is gemaakt, rust op de executeur als (materiele) 'vereffenaar' een belangrijke erfrechtelijke meldingsplicht, waardoor de kantonrechter de mogelijkheid heeft te wijzen op de mogelijkheid om (alsnog) een vereffenaar te benoemen.18 Dit om aansprakelijkheidin de zin van art. 4:184 lid 2 letter dBW te voorkomen.
Bij de aanvaarding van zijn functie zal de notaris in het kader van zijn 'Be-lehrung'19 de executeur met name op deze bepaling wijzen.
De handelingen die een executeur, ondanks het einde van zijn taak, toch verricht mocht hebben, zullen in de praktijk met het oog op het 'geldigheids-vraagstuk'20 overigens sowieso niet snel problemen opleveren, aangezien ook een gewezen executeur op grondvan art. 4:149 lid 3 BW verplicht blijft en daarmee bevoegd te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard. En als ultimum re-medium zou de gedachte kunnen opkomen aan het leerstuk van 'zaakwaarneming' van art. 6:198 BW in verbinding met art. 6:201 BW, zij het dat dit op gespannen voet zou kunnen staan met de quasi-overeenkomstgedachte, aangezien zaakwaarneming gebaseerdis op de gedachte dat er geen rechtsverhouding bestaat.21
Voorts wijs ik nog op het bepaalde in art. 4:150 lid 4 BW waar ook de wetgever er vanuit gaat dat niet altijd bekend zal zijn wie de erfgenamen zullen zijn, hoe zij de nalatenschap zullen aanvaarden, en dat de executeur toch al een aanvang maakt met zijn vereffeningswerkzaamheden. Zie ook art. 4:204 lid1 sub a BW waar de wetgever wederom de aanwezigheidvan een executeur op waarde schat en de executeur voor laat gaan op de benoeming van een vereffenaar. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen niet alleen te spreken van het onbeheerd laten van de nalatenschap, omdat de nalatenschap ook onbevoegdin beheer zou kunnen zijn genomen.Vandaar de toevoeging: 'niet door een executeur wordt beheerd.'22
Ook onder het oude recht waren raakvlakken tussen executele en vereffening en wel in art. 4:1081 lid2 (oud) BW, waar in het kader van het niet nakomen van zekerheidstelling de mogelijkheid opgenomen was dat de kantonrechter 'een of meer vereffenaars' kon benoemen. De wet bepaalde dat regels van executele ('de dertiende titel') zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing waren op deze vereffenaars.
Uit art. 4:206 BW lid 2 blijkt dat de wetgever bij de benoeming van een vereffenaar ook de executeur tot de gegadigden rekent. Onder het oude recht stond de voorkeur voor de executeur als curator voor de onbeheerde nalatenschap uitdrukkelijk in de wet. Art. 4:1173 lid 2 (oud) BW luidde: '[...], benoemt de regtbank bij voorkeur tot curator den gestelden uitvoerder van den uiterste wil, [...]'. Dat de executeurs onder het nieuwe erfrecht nog steeds een warm plaatsje hebben, blijkt uit de navolgende woorden van de minister:23
'Men bedenke bovendien dat het dikwijls aangewezen kan zijn de door erflater benoemde executeur-testamentair of een of meer erfgenamen tot vereffenaar aan te wijzen.'
Op grond van art. 4:206 lid 1 BW dient de executeur in ieder geval opgeroepen te worden bij de benoeming van een vereffenaar.
Het zal niet verbazen dat ik de onderhavige paragraaf over de vereffening afsluit met de navolgende gedachte. De executeurs-vrijstelling van art. 4:202 BW moet in verbandgebracht worden met de faciliteit van beneficaire aanvaarding, die in de praktijk steeds meer als een must, 'voor het geval dat', gezien zal gaan worden. Deze verbinding maakt dat het notariaat zal adviseren om bij uiterste wilsbeschikking 'altijd' een executeur te benoemen, zulks met uitgebreide subsidiaire regelingen. Deze gedachte doet zelfs opgeld bij een wettelijke verdeling, zo blijkt uit het slot van lid3 van art. 4:202 BW.