Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR22 april, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.
HR, 13-04-2010, nr. 09/00756 Hs
ECLI:NL:HR:2010:BL5656
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
13-04-2010
- Zaaknummer
09/00756 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BL5656
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL5656, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑04‑2010; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL5656
ECLI:NL:PHR:2010:BL5656, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑02‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5656
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2010
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef.
13 april 2010
Strafkamer
nr. 09/00756 Hs
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 21 december 2005, nummer 13/124409-04, ingediend door J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager wegens 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen" en 4. "medeplegen van opzetheling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van genoemde feiten, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
4. Achtergrond van de aanvrage
Aan de aanvrage is gehecht een brief van 29 januari 2008 van het Arrondissementsparket Amsterdam gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Ten laste van de aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht, bewezenverklaard dat hij:
"1. op 06 augustus 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 500 euro toebehorende aan het [A] hotel, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader een pistool op [slachtoffer] hebben gericht en dat vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer] hebben gedrukt en gedrukt gehouden en op dreigende toon tegen [slachtoffer] hebben gezegd: "Een kik en je gaat eraan", en [slachtoffer] in zijn zij hebben geschopt en de handen en voeten van [slachtoffer] met tie-wraps aan elkaar hebben gebonden en met kracht het hoofd van [slachtoffer] hebben weggeduwd;
4. in de periode van 04 augustus 2004 tot en met 6 augustus 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een auto, Peugeot 405, kenteken [AA-00-BB], voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het een door diefstal verkregen goed betrof."
6.2. De Rechtbank heeft volstaan met een vonnis waarin de bewijsmiddelen niet zijn opgenomen. Een aanvulling als bedoeld in het tweede lid van art. 365a Sv op het vonnis ontbreekt. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan worden afgeleid dat met betrekking tot de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten een geuridentificatieproef is verricht. Ten aanzien van het bewijs van die feiten kan voorts uit de stukken van het dossier worden afgeleid hetgeen in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 7 en 8 is weergegeven.
6.3. In het onderhavige geval moet het ervoor worden gehouden dat de Rechtbank zonder de uitkomsten van de onregelmatige geuridentificatieproef uit het andere beschikbare bewijsmateriaal - in het bijzonder de herkenning van de aanvrager bij een meervoudige fotoconfrontatie en de verklaring en het gedrag van de vriendin van de aanvrager, alsmede de samenhang tussen de onder 1 en 4 tenlastgelegde feiten - met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager een van de personen is die deze feiten heeft gepleegd.
Hier doet zich dus niet het hiervoor in 5.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van deze feiten zou hebben vrijgesproken.
6.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 april 2010.
Conclusie 16‑02‑2010
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
De Rechtbank te Amsterdam heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 21 december 2005 wegens 1. primair ‘diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen’ en 4. subsidiair ‘medeplegen van opzetheling’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden.
2.
De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.
3.
De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van feit 1 en feit 4 subsidiair indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
4.
Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Amsterdam van 29 januari 2008, inhoudende —kort gezegd— dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5.
De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.1. De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6.
De Rechtbank heeft volstaan met een verkort vonnis. Nu geen vonnis voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, zal het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat, ware de Rechtbank daarmee bekend geweest, zij aanvrager van een of meer van de bedoelde feiten zou hebben vrijgesproken.
7.
Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit — zakelijk weergegeven — het volgende worden afgeleid.
- (i)
Op 6 augustus 2004 omstreeks 02.30 uur heeft een overval plaatsgevonden in het [A] hotel te Amsterdam.2.
- (ii)
De daders hebben hun auto geparkeerd op het parkeerterrein van het hotel. Vervolgens zijn zij via de ingang van het hotel naar binnen gegaan. Onder bedreiging van een pistool hebben de daders een medewerker van het hotel vastgebonden met ty-wraps en zijn er vervolgens met € 500,- uit de kassa vandoor gegaan.3.
- (iii)
In de maand oktober 2004 zijn er drie meldingen gedaan bij Meld Misdaad Anoniem over een overval in het [A] hotel te Amsterdam. In deze meldingen werd de aanvrager als één van de daders aangemerkt. De vriendin van de aanvrager zou in het hotel werken, zij zou de daders de nodige informatie hebben verstrekt.4.
- (iv)
[Slachtoffer] heeft een beschrijving van de daders gegeven. Eén persoon was ongeveer 2 meter lang met kort, stijl haar. De andere man had een getint uiterlijk, ongeveer 1.70 meter lang en zwart, iets golvend haar, dat hij in een staart droeg.5.
- (v)
[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 02.45 uur en 03.00 uur twee mannen zag lopen achter het tankstation BP. Zij kwamen bij het [A] hotel vandaan. Het betrof een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk en een lengte van ongeveer 1.90 meter en een man met eveneens een Noord-Afrikaans uiterlijk, een lengte van 1.70 meter en het haar in een staartje.6.
- (vi)
[Betrokkene 2], werkzaam bij het [A] hotel, heeft verklaard dat zij een relatie heeft met de aanvrager en dat zij aan hem informatie heeft verstrekt over de gang van zaken in het hotel. Nadat [betrokkene 2] op de hoogte is gebracht van het feit dat zij door de recherche zal worden gehoord, vindt er herhaaldelijk telefonisch contact plaats tussen haar en de aanvrager. Uit de gesprekken valt op te maken dat zij zich grote zorgen maakt over iets. Zij wil niet over de telefoon zeggen waar het over gaat, maar zegt dat het te maken heeft met de aanvrager. De aanvrager vraagt of het te maken heeft met die jongen van de Peugeot, die voor de zomer bij hun in de auto zat. Zij zegt dat het wel met hem was. Hij vraagt het haar te sms-en. Uiteindelijk stuurt zij hem een sms-bericht dat zij de recherche aan de deur heeft gehad. Als toelichting op deze sms vertelde [betrokkene 2] aan de verbalisanten dat de sms over een meisje ging waar de aanvrager een relatie mee zou hebben. Tevens ontkende zij dat het iets met de overval te maken had.7.
- (vii)
[Slachtoffer] heeft de aanvrager herkend tijdens een meervoudige fotoconfrontatie, als zijnde een van de daders van de overval op het [A] hotel.8.
- (viii)
Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de linker- en rechtervoorstoel van de door de daders achtergelaten personenauto. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.9.
8.
Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 4 tenlastegelegde feit — zakelijk weergegeven — het volgende worden afgeleid.
- (i)
Op 6 augustus 2004 omstreeks 02.30 uur heeft een overval plaatsgevonden in het [A] hotel te Amsterdam.10.
- (ii)
De daders hebben een personenauto Peugeot 405, voorzien van kenteken [AA-00-BB], achtergelaten op het parkeerterrein van het hotel.11.
- (iii)
[Betrokkene 3] heeft op 4 augustus 2004 aangifte gedaan van diefstal van zijn personenauto Peugeot 405, voorzien van kenteken [AA-00-BB].12.
- (iv)
Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de linker- en rechtervoorstoel van de door de daders achtergelaten personenauto. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.13.
9.
Het bewijsmateriaal overziende meen ik dat voldoende aannemelijk is dat aanvrager ook zonder de resultaten van de geurproef zou zijn veroordeeld. De herkenning als een van de daders bij de meervoudige fotoconfrontatie gezien in samenhang met hetgeen zijn vriendin heeft verklaard en haar gedrag nadat de politie bij haar langs was geweest levert voldoende bewijs op voor het medeplegen van de overval. Daaruit kan vervolgens ook aanvragers betrokkenheid bij de bewezenverklaarde opzettelijke heling van de door de overvallers gebruikte Peugeot worden afgeleid. Ik acht de aanvrage dan ook ongegrond.
10.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑02‑2010
Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1–4.
Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1–4.
Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15336, p. 1; Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15729, p. 1; Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15896, p. 1.
Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1–4.
Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2004194491-1, p. 1–2.
Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2004194491-42, p. 1–5.
Zie het proces-verbaal van fotoconfrontatie, proces-verbaalnummer 2004194491, p. 1–5.
Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, proces-verbaalnummer 23.05.05.12.00.SIMBRU.
Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1–4.
Zie het proces-verbaal van relaas, proces-verbaalnummer 2004192772-1, p. 1–2.
Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004192772-1.
Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, proces-verbaalnummer 23.05.05.12.00.SIMBRU.