Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.2.5:2.2.5 Samenvatting wettelijk kader
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.2.5
2.2.5 Samenvatting wettelijk kader
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383601:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet geeft geen aparte regeling voor de verbintenissen die voor betrokkenen bij een beperkt recht voortvloeien uit de inhoud van het recht. In de praktijk werden deze verbintenissen erkend, maar een voorstel de overeenkomst van erfpachtgunning te regelen haalde de erfpachtwet van 10 januari 1824 niet omdat het verwarrend zou werken indien het wetboek op twee verschillende plaatsen regels voor de erfpachtverhouding zou bevatten. Ook liet de wetgever veel ruimte voor de partijvrijheid om de inhoud van het recht naar eigen inzicht te bepalen. Verbintenissen uit goederenrechtelijke rechten passen niet in een wettelijk stelsel dat uitgaat van een tweedeling van zakelijke en relatieve rechten. Volgens de systematiek van het BW is het echter niet uitgesloten dat Boek 6 BW van toepassing is op een verbintenis die voortvloeit uit de inhoud van een zakelijk recht. De relativerende werking van het NBW bewerkstelligt dat verbintenisrechtelijke regels op verplichtingen uit erfpachtverhoudingen van toepassing kunnen zijn via de schakelbepaling van art. 6:216 BW, via analoge toepassing van de open norm van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW en eventueel via de rechtsfiguur van de kwalitatieve verbintenis.
Concluderend stel ik vast dat het stelsel van het nieuwe BW weliswaar de scheiding tussen goederenrecht en verbintenissenrecht als hoofdindeling van het oude BW heeft behouden, maar dat de relativering van dat onderscheid de toepassing van regels uit Boek 6 BW op verbintenissen die voortvloeien uit goederenrechtelijke rechtsverhoudingen niet in de weg staat. De wet kent geen afzonderlijke bepalingen over de aard van de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter, maar zodra er onderling een verplichting met een corresponderend vorderingsrecht wordt afgesproken en deze verbintenis opeisbaar is geworden, is voldaan aan de omschrijving van een verbintenis en zijn de algemene regels over verbintenissen van toepassing, tenzij titel 5.7 BW een afwijkende regeling bevat. De huidige wet biedt daardoor aanknopingspunten voor zowel de strikt goederenrechtelijke opvatting als voor de meer relativerende opvatting van de erfpachtverhouding.