Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.2.3
3.2.3 Vestigingen
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS486217:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 11, p. 4. De vestiging als onzelfstandig onderdeel zien we ook terug in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet op de Europese ondernemingsraden (Kamerstukken II 1995-1996, 24 641, nr. 6, p. 9).
Kamerstukken II 1969-1970 – 10 335, nr. 6, p. 8.
Art. 2 lid 1 verplichtte de ondernemer die een onderneming in stand hield waarin ten minste 100 personen werkzaam waren, een ondernemingsraad in te stellen.
Hiermee ontstaat het merkwaardige systeem dat onzelfstandige onderdelen eerst als zelfstandige ondernemingen aangemerkt worden, om vervolgens, als ze in één gemeente gevestigd zijn, weer als één onderneming beschouwd te worden. Daarbij heeft de gemeente als maatgevend criterium iets willekeurigs. Bestaat tussen twee vestigingen in bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam per definitie evenveel samenhang als tussen twee vestigingen in bijvoorbeeld de gemeente Renswoude?
Minister van Sociale Zaken 4 juli 1974, SMA 1974, p. 750-753 en RM 1971-1981, nr. 2.
Hoewel het begrip vestiging inmiddels in art. 2 lid 3 WOR was vervangen door onderdeel, wordt in de beschikking nog gesproken van vestigingen.
Zo werden opdrachten in de regel pas aanvaard na centrale goedkeuring, kwam het regelmatig voor dat personeelsleden van verschillende vestigingen aan één opdracht werkten, en bleven talloze aangelegenheden lokaal onaangeroerd.
Minister van Sociale Zaken 1 augustus 1974, RM 1971-1981, nr. 3.
Deze beide bepalingen vinden we inmiddels in art. 3.
Het op 6 oktober 1969 ingediende wetsontwerp bepaalde in art. 2 lid 2 dat wanneer een onderneming meerdere vestigingen had, deze voor de toepassing van de wet als afzonderlijke ondernemingen werden aangemerkt. Onder vestigingen werden verstaan territoriaal verspreide onzelfstandige onderdelen van een onderneming.1 In de Memorie van Toelichting onderbouwt de regering medezeggenschap op het niveau van vestigingen als volgt:
‘De ondergetekenden … zijn van oordeel, dat wanneer onderdelen van een onderneming territoriaal verspreid zijn, het als regel zin zal hebben in elk van die onderdelen een ondernemingsraad in te stellen. … Ter wille van de duidelijkheid spreekt het ontwerp in dit verband dan ook niet meer van onderdelen, maar van vestigingen van een onderneming, …’.2
Dat onzelfstandige onderdelen van een onderneming, want dat verstond men onder vestigingen, als ondernemingen worden aangemerkt, is merkwaardig. Men kan dit wellicht niet los zien van de bij de totstandkoming van de Wet 1971 uitdrukkelijk en herhaalde malen uitgesproken intentie om de medezeggenschap zo veel mogelijk ‘naar de voet’ te brengen.3 Daarbij heeft de wetgever zich gerealiseerd dat het naar de voet van de vestiging brengen van zelfstandige medezeggenschap ook een belangrijk nadeel had, nl. dat ondernemingen zo klein werden dat zij onder de instellingsgrens van 100 werknemers kwamen. Het kwalificeren van vestigingen als zelfstandige ondernemingen zou dan juist contraproductief uitvallen. Om hierin te voorzien bepaalde art. 2 lid 2 van het oorspronkelijke wetsontwerp dat alle vestigingen binnen dezelfde gemeente voor de toepassing van het eerste lid van artikel 24 als één onderneming beschouwd werden.5 Bovendien werd bij Nota van Wijzigingen,6 met vernummering van lid 2 tot lid 3, een nieuw lid 2 ingevoegd dat de bedrijfscommissie de bevoegdheid toekende twee of meer door één ondernemer in stand gehouden ondernemingen samen te voegen tot één onderneming. In diezelfde nota werd het woord ‘vestigingen’ vervangen door ‘onderdelen’, omdat het woord ‘vestigingen’ in de dagelijkse praktijk veelal niet werd gebruikt werd om onzelfstandige, maar om zelfstandige in de maatschappij optredende arbeidsgemeenschappen aan te duiden.
Hoe de bepaling in art. 2 lid 3 WOR 1971, inhoudende dat op zich onzelfstandige onderdelen voor toepassing van de wet een zelfstandige onderneming waren, in de praktijk uitpakte, komt naar voren in twee oudere uitspraken van de minister van Sociale Zaken.7 De eerste betreft een beschikking van 4 juli 1974.8 Daarin ging het om een verzoek tot samenvoeging van de 17 vestigingen,9 verspreid over evenzovele gemeenten, van een accountantsmaatschap. Elke vestiging kwalificeerde op grond van art. 2 lid 3 WOR als zelfstandige onderneming, maar slechts twee vestigingen voldeden aan het instellingscriterium van tenminste 100 werknemers (art. 2 lid 1 WOR 1971). Volgens de minister rechtvaardigde de mate waarin en de manier waarop de ondernemingen met elkaar in verband stonden samenvoeging tot één onderneming.10 De bedrijfscommissie had in eerste aanleg het verzoek om samenvoeging afgewezen, hetgeen het (door de minister terecht onwenselijk geachte) gevolg had dat 15 van de 17 ondernemingen van instelling van een ondernemingsraad verstoken zouden blijven. De tweede beschikking heeft evenzeer betrekking op de samenvoeging van meerdere kantoren van een maatschap, zonder welke samenvoeging verscheidene vestigingen buiten de medezeggenschapsrechtelijke boot zouden vallen.11 Bijzondere omstandigheden die in dat geval toewijzing van het verzoek rechtvaardigden waren dat alle aangelegenheden inzake personeelsbeleid centraal werden geregeld en dat de zogeheten rayonbesturen slechts in geringe mate eigen bevoegdheden bezaten. Zij voerden in hoofdzaak het centraal vastgestelde beleid uit.
Met name in de tweede zaak had het bestaan van de functionele eenheid die de op zich afzonderlijke vestigingen slechts tezamen vormden evenzeer, of zelfs veel meer, reeds de conclusie gerechtvaardigd dat sprake was van één onderneming met meerdere onzelfstandige onderdelen. Samenvoeging was niet nodig om één ondernemingsraad voor alle vestigingen in te stellen. Toepassing van art. 1 lid 1 en onder c WOR had volstaan, en had om die reden veel meer voor de hand gelegen dan de weg van art. 2 lid 3 WOR. Wat daarvan zij, art. 2 lid 3 WOR is bij de totstandkoming van de Wet 1979 geschrapt, omdat daaraan in de praktijk geen behoefte bleek te bestaan. Volstaan kon worden met de samenvoegings- resp. splitsingsbepalingen in de leden 4 en 5 van artikel 2.12 Voor het schrappen van de bepaling kan men begrip hebben, op de onderbouwing daarvan met een beroep op de regeling in art. 2 leden 4 en 5 valt wel wat af te dingen. Steekhoudender, en principieel juister, zou zijn geweest dat het niet in het systeem van de WOR past onzelfstandige onderdelen als onderneming te kwalificeren.