De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/74:74 Een veronderstelling
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/74
74 Een veronderstelling
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS401745:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 3 kwam aan de orde dat niet duidelijk is of uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een partij een verklaring voor recht kan vorderen om in immateriële behoeften te voorzien.1 Als de eiser die dat doet, voldoende belang heeft bij die vordering, is daarmee nog niet gezegd dat de verklaring voor recht daadwerkelijk daarin voorziet. Zie bijvoorbeeld het arrest Jeffrey/Mbarka waarin de eisers stelden dat zij de verklaring voor recht nodig hadden omdat zij dan pas een zinvol begin zouden kunnen maken met het verwerken van de door van hun kind. Het is niet gezegd dat de verklaring voor recht daadwerkelijk in positieve zin zou hebben bijgedragen aan het rouwproces. Misschien had de uitspraak, althans de procedure, wel een negatieve invloed gehad op het rouwproces. Dat dit een reële mogelijkheid is, lijkt te volgen uit een onderzoek dat in opdracht van het WODC is uitgevoerd naar onder andere de ervaringen van slachtoffers en hun naasten in letselschadezaken.2 Uit het onderzoek komt naar voren dat het voeren van een procedure psychisch belastend kan werken en dat de uitkomst van de procedure minder bepalend lijkt te zijn dan algemeen wordt aangenomen.3 Zaken als het mogen vertellen van het eigen verhaal, participatie in het beslissingsproces, eerlijkheid, respect, gepaste vragen, vertrouwen, vriendelijkheid, openheid, rechtvaardiging door de wederpartij van diens handelen en vertrouwen in de neutraliteit van de beslisser spelen een rol bij het gevoel dat een partij aan een procedure overhoudt.4 Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek lijkt op zijn minst terughoudendheid geboden ten opzichte van de veronderstelling dat de verklaring voor recht kan voorzien in immateriële behoeften. Althans, voor zover de uitspraak op zichzelf genoegdoening kan geven, lijkt de procedure die partijen daarvoor moeten voeren, dit potentiële effect teniet te doen.