Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.4.1
8.4.1 De totstandkoming van het ESM
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457694:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 oktober 2010, par. 1.
Conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 oktober 2010, par. 2. Hierbij vermeldt de Europese Raad dat artikel 125 VWEU, de no bail-out regeling, juist niet moet worden gewijzigd. Zie over de juridische en politieke achtergrond van de verdragswijziging: Borger 2011, p. 211-213.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 1.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 2. Zie voor het voorstel tot wijziging: bijlage 1 bij deze conclusies.
Zie artikel 1 van bijlage 1 bij de conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010. Die tekst bevat kleine tekstuele afwijkingen ten opzichte van de hierboven weergegeven tekst. Hetgeen is weergegeven, is de daadwerkelijke tekst van lid 3 van artikel 136 VWEU geworden.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 2. De vereenvoudigde herzieningsprocedure is gebaseerd op artikel 48, zesde lid, van het VEU.
Besluit van de Europese Raad (2011/199/EU) van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben (PbEU 2011, L 91/1).
De in het besluit geplande datum voor inwerkingtreding van 1 januari 2013 (zie artikel 2 van het besluit) werd niet gehaald.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 3.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 4.
Verklaring van de eurogroep van 28 november 2010, Algemene kenmerken van het toekomstige mechanisme, opgenomen als bijlage II bij de conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2010, par. 3.
Conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011, punt 5 en bijlage II; Conclusies van de Europese Raad van 24 en 25 maart 2011, par. 16-17 en bijlage II. Zie voor het ESM-verdrag van 11 juli 2011: Trb. 2011, 157.
Statement by the heads of state or government of the Euro area and EU institutions, 21 juli 2011, punt 8, https://europa.eu/rapid/press-release_DOC-11-5_en.htm.
De definitieve tekst van het ESM-verdrag is te raadplegen via: https://www.esm.europa.eu/legal-documents/esm-treaty, of: Trb. 2012, 28. De staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone spraken in december 2011 af dat het ESM-verdrag in werking treedt zodra lidstaten die 90 procent van de kapitaaltoezeggingen vertegenwoordigen, het hebben bekrachtigd (zie: verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone, 9 december 2011, punt 13; dit is tevens opgenomen in artikel 48, eerste lid, van het ESM-verdrag). Het streven dat in december 2011 werd uitgesproken om het ESM-verdrag in juli 2012 in werking te laten treden, bleek niet haalbaar.
Zie par. 8.5.5.1 en 8.6.1.
Zie bijlage I bij de conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011: ‘Een pact voor de euro – Sterkere coördinatie van het economisch beleid met het oog op concurrentiekracht en convergentie’. Het Euro Plus-pact moet mede gezien worden in het licht van Europa 2020, het tienjarenplan voor groei van de EU, dat in juni 2010 is overeengekomen (zie de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010). Een van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie is een krachtig economisch bestuur. Maatregelen als het Euro Plus-pact, maar bijvoorbeeld ook het hierna te bepreken Europees semester, vallen als zodanig binnen het kader van Europa 2020.
Conclusies van de Europese Raad van 24 en 25 maart 2011, par. 11. Het gaat om Bulgarije, Denemarken, Letland, Litouwen, Polen en Roemenië.
Conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011, p. 6.
Conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011, p. 10.
Zie par. 9.4 en 9.5.
Conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011, p. 7.
Zie par. 7.1.1.
Conclusies van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 11 maart 2011, p. 11.
De Europese Raad onderschreef tijdens de top van 28 en 29 oktober 2010 het verslag van de taskforce onder leiding van Van Rompuy.1 Volgens de Europese Raad was voor het instellen van een permanent mechanisme echter een beperkte verdragswijziging nodig, aangezien de bestaande verdragen geen rechtsgrond boden voor een dergelijk permanent fonds.2 Tijdens de top van 16 en 17 december 2010 expliciteerde de Europese Raad dat artikel 122, tweede lid, VWEU, waarop het EFSM deels werd gebaseerd, niet gebruikt kan worden als basis voor een permanent stabilisatiemechanisme, omdat die bepaling juist bedoeld is voor maatregelen bij buitengewone gebeurtenissen en dus niet voor een blijvend fonds.3 Of zoals de Europese Raad het zelf, tamelijk vaag, formuleerde:
‘Aangezien dit mechanisme bedoeld is om de financiële stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen, komt de Europese Raad overeen dat artikel 122, tweede lid, VWEU voor dat doel niet langer nodig zal zijn. De staatshoofden en regeringsleiders zijn daarom overeengekomen dat het daarvoor niet moet worden gebruikt.’
Er moest dus een andere basis voor het permanent stabilisatiemechanisme worden gevonden, wat noopte tot een wijziging van het VWEU. Tijdens diezelfde top bereikte de Europese Raad overeenstemming over een dergelijk voorstel tot wijziging van het VWEU.4 Aan artikel 136 VWEU zou een derde lid worden toegevoegd, waarin het volgende werd opgenomen:
De lidstaten die de euro als munt hebben kunnen een stabiliteitsmechanisme instellen dat geactiveerd wordt indien dat onontbeerlijk is om de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen. De verlening van financiële steun, indien vereist, uit hoofde van het mechanisme zal aan stringente voorwaarden gebonden zijn.5
Op deze wijze zou geen onduidelijkheid kunnen bestaan over de vraag of de lidstaten van de eurozone op grond van het Europees recht bevoegd zijn om een permanent stabiliteitsmechanisme in te stellen. De Europese Raad startte direct met de vereenvoudigde herzieningsprocedure om het VWEU te wijzigen.6 Op 25 maart 2011 stelde de Europese Raad het besluit tot wijziging van artikel 136 VWEU vast.7 Dit besluit trad na ratificatie in werking op 1 mei 2013.8
De wijziging van het VWEU leidde echter nog niet tot het instellen van het stabiliteitsmechanisme. Het gaf slechts een grondslag om dit te kunnen doen. Uit de conclusies van de top van 16 en 17 december 2010 bleek dat de lidstaten van de eurozone het toekomstige mechanisme zouden instellen via een intergouvernementele regeling, net zoals bij de EFSF was gebeurd.9 Het permanent noodfonds zou immers bedoeld zijn voor lidstaten van de eurozone, en niet voor de gehele EU. Wel spraken de lidstaten tijdens de top van 16 en 17 december 2010 af dat ook de lidstaten die niet de euro als munt hebben, indien gewenst, bij de werkzaamheden tot oprichting van het mechanisme kunnen worden betrokken en dat zij op ad hoc basis kunnen besluiten om deel te nemen aan operaties in het kader van het mechanisme.10 Tevens bevestigde de Europese Raad de algemene kenmerken die de eurogroep al in een verklaring van 28 november 201011 had geschetst voor het toekomstige mechanisme.12
Nadat de eurozone en de Europese Raad deze aspecten in maart 2011 nog een keer bevestigden en nader uitwerkten, ondertekenden de lidstaten van de eurozone op 11 juli 2011 het intergouvernementele verdrag tot instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme (het ESM-verdrag).13 Al snel besloten de lidstaten dat het verdrag moest worden aangepast om het effectiever te laten zijn.14 Op 2 februari 2012 werd het gewijzigde ESM-verdrag daarom nogmaals ondertekend, waarna het op 27 september 2012 in werking trad.15 Het ESM-verdrag is daarmee eerder in werking getreden dan het besluit tot wijziging van artikel 136 VWEU, dat de rechtsgrond moest bieden voor het permanente noodfonds. Op dit punt kom ik hieronder terug.16 Het Europees stabilisatiemechanisme ging, na de inaugurele bijeenkomst van de zogeheten raad van gouverneurs, waarover meer in de volgende paragraaf, van start op 8 oktober 2012. Hieronder zal de inhoud van het ESM-verdrag worden besproken.
Voordat aan het ESM-verdrag wordt toegekomen, dient nog één punt vermeld te worden. Bij de bijeenkomst van de eurozone in maart 2011 bereikten de eurolanden, naast overeenstemming over een Europees stabiliteitsmechanisme, namelijk ook een akkoord over het zogeheten Euro Plus-pact.17
Ook verschillende niet-eurolanden hebben zich hieraan verbonden.18 Het pact is een politiek akkoord, bedoeld om vier doelstellingen te bereiken: het concurrentievermogen verbeteren, de werkgelegenheid stimuleren, verder bijdragen aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en het versterken van de financiële stabiliteit.19 Deze doelstellingen vallen uiteen in allerlei verschillende concrete maatregelen. Zo geeft het Euro Plus-pact in het kader van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën aan dat de begrotingsvoorschriften van de EU in nationale wetgeving moeten worden omgezet.20 Dit moet op bindende en duurzame wijze gebeuren, bijvoorbeeld via de grondwet, aldus het pact. Dit idee is de basis gebleken voor een vergelijkbare verplichting uit het hierna te bespreken Stabiliteitsverdrag.21 Volgens het Euro Plus-pact blijft iedere lidstaat weliswaar eindverantwoordelijk voor de keuze van de specifieke beleidsmaatregelen om de doelen van het Euro Plus-pact te bereiken,22 maar moet een lidstaat wel in het nationale stabiliteitsprogramma, dat in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact bij de Raad en de Europese Commissie moet worden ingeleverd,23 aangeven hoe hij ernaar streeft om de verbintenissen uit het Euro Plus-pact te bereiken.24 Ook dit pact maakt daarmee onderdeel uit van de ontwikkeling van de Europese economische integratie.